<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZUT:2005:AZ4683</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T22:40:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AZ4683</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zutphen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zutphen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2005-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">05/64 en 05/65 GEMWT</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2005:AZ4683">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2005:AZ4683</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T00:51:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZUT:2005:AZ4683 Rechtbank Zutphen , 22-11-2005 / 05/64 en 05/65 GEMWT</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZUT:2005:AZ4683:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tuinhuisje Putten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZUT:2005:AZ4683:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK ZUTPHEN</para>
      <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Reg.nr.: 05/64 en 05/65 GEMWT</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser], wonende te [plaats], eiser,</para>
      <para>en</para>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, verweerder,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>alsmede [derde-partij] te [plaats], derde partij.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1. Aanduiding bestreden besluiten</para>
    <para />
    <para>Besluiten van verweerder van 3 december 2004 (BM/2004/14920) en (nr BM/2004/15305) .</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De derde partij heeft op 27 januari 2000 middels een meldingsformulier bouwvoornemen</para>
      <para>aan verweerder gemeld voornemens te zijn een tuinhuisje van 9 m2 te plaatsen op het</para>
      <para>perceel [straat en huisnummer] te [plaats], kadastraal bekend als gemeente Putten, sectie [kadasternummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 maart 2000 heeft verweerder de melding geaccepteerd en aan de derde</para>
      <para>partij meegedeeld dat hij tot de bouw van het tuinhuisje kan overgaan. Verweerder heeft er</para>
      <para>bij dat besluit op gewezen dat binnen dertien weken met de bouw moet worden beginnen</para>
      <para>omdat anders een nieuwe melding moet worden gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 18 april 2000 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt en verzocht</para>
      <para>handhavend op te treden tegen het reeds gerealiseerde tuinhuisje.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 september 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard</para>
      <para>en het besluit van 7 maart 2000 ingetrokken. Hierbij is meegedeeld dat op het</para>
      <para>handhavingsverzoek afzonderlijk zal worden beslist. Tegen dit besluit is geen beroep</para>
      <para>ingesteld bij de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 20 april 2001 heeft eiser nogmaals verzocht om handhavend op te treden tegen</para>
      <para>de inmiddels illegaal geworden situatie. Bij brief van 17 mei 2001 heeft eiser bezwaar</para>
      <para>gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het handhavingsverzoek. Bij brief van</para>
      <para>dezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening. Bij besluit van 21 juni 2001 heeft</para>
      <para>verweerder afwijzend beslist op het handhavingsverzoek. Bij uitspraak van 21 augustus 2001</para>
      <para>heeft de fungerend president van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening</para>
      <para>afgewezen.</para>
      <para>Bij besluit van 26 februari 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van</para>
      <para>21 juni 2001 gegrond verklaard en de derde partij onder verbeurte van een dwangsom gelast</para>
      <para>het tuinhuisje binnen acht weken te verwijderen. Bij uitspraak van 26 juni 2003 is het tegen</para>
      <para>dat besluit door de derde partij ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit</para>
      <para>vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen. Het tegen</para>
      <para>die uitspraak door verweerder ingestelde hoger beroep is ingetrokken. Eiser heeft geen</para>
      <para>beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het aan de derde partij gerichte besluit van 20 januari 2004 heeft verweerder aan eiser</para>
      <para>meegedeeld het tuinhuisje, onder voorwaarden, te gedogen. Tegen dat besluit heeft eiser bij</para>
      <para>brief van 3 maart 2004 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft eiser verweerder verzocht om alsnog</para>
      <para>(opnieuw) te beslissen op het bezwaarschrift van 17 mei 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eiser van 17 mei 2001 en</para>
      <para>3 maart 2004 - overeenkomstig het advies van de Commissie voor de behandeling van</para>
      <para>bezwaar en beroepschriften van 14 september 2004 - ongegrond verklaard</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser is door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, beroep ingesteld</para>
      <para>op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking</para>
      <para>hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Bij brief van 1 juni 2005 heeft mr.</para>
      <para>L. Bolier, juridisch adviseur te Elspeet, het standpunt van de derde partij uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter zitting van 12 oktober 2005, waar eiser in persoon is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr. Van der Westen. Verweerder heeft zich laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr G.J. Vooren. Namens de derde partij is verschenen mr Bolier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>4. Motivering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beoordeeld dient te worden of verweerder op goede gronden heeft geweigerd om</para>
      <para>handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van een tuinhuisje op het in rubriek 2</para>
      <para>bedoelde perceel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft in de bestreden besluiten overwogen dat de aan de orde zijnde belangen</para>
      <para>van eiser en de derde partij, de mate van inbreuk op het ruimtelijk regime en de mate van</para>
      <para>toekomstige precedentwerking, bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het</para>
      <para>verzoek van eiser kan worden afgewezen en van handhavend optreden kan worden</para>
      <para>afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 40, eerste lid van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in</para>
      <para>afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat het tuinhuisje vergunningplichtig is en zonder</para>
      <para>bouwvergunning is opgericht. Verweerder is derhalve bevoegd handhavend op te treden</para>
      <para>tegen het in strijd met artikel 40 Woningwet opgerichte tuinhuisje .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding</para>
      <para>van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of</para>
      <para>een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten</para>
      <para>maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te</para>
      <para>doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan</para>
      <para>handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen</para>
      <para>belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet in geschil is dat het tuinhuisje op grond van het vigerend bestemmingsplan niet</para>
      <para>gelegaliseerd kan worden, dat het bestemmingsplan niet voorziet in een vrijstellingsbepaling</para>
      <para>die het tuinhuisje kan legaliseren en dat het tuinhuisje niet valt onder het</para>
      <para>bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat voor het tuinhuisje</para>
      <para>met toepassing van artikel 19, tweede en derde lid van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO)</para>
      <para>geen vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan kan worden verleend en dat ook</para>
      <para>overigens geen concreet uitzicht op legalisering bestond op legalisering in de vorm van</para>
      <para>planherziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande verstaat de rechtbank het standpunt van verweerder aldus dat</para>
      <para>verweerder meent dat handhavend optreden zodanig onevenredig is tot de daarmee te</para>
      <para>dienen belangen dat van optreden moet worden afgezien. De rechtbank kan verweerder in</para>
      <para>dat standpunt volgen en overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken is de strook grond aan de achterzijde van onder meer de percelen</para>
      <para>van eiser en de derde partij ingevolge het bestemmingsplan "de Kom" bestemd als "houtwal".</para>
      <para>Nadat de houtwal is gerooid is de strook grond als siertuin in gebruik genomen en heeft eiser</para>
      <para>verzocht tegen dit strijdig gebruik op te treden. Dit heeft geresulteerd in een besluit van</para>
      <para>verweerder van 12 april 1999, waarbij het gebruik als siertuin in afwachting van</para>
      <para>planherziening werd gedoogd onder aanbieding van fl. 5.000,- ter compensatie van het</para>
      <para>nadeel van eiser. Gelet hierop en gelet op de geringe omvang van het tuinhuisje kan, in</para>
      <para>navolging van de uitspraak van deze rechtbank van 26 juni 2003, niet worden gezegd dat er</para>
      <para>ten opzichte van eiser sprake is van een zeer ernstige overtreding. De rechtbank neemt</para>
      <para>daarbij in aanmerking dat de afstand tussen het tuinhuisje en de woning van eiser 30 meter</para>
      <para>bedraagt en dat het zicht op dat tuinhuisje wordt afgeschermd door de ter plaatse aanwezige</para>
      <para>coniferenhaag. De rechtbank merkt voorts op dat blijkens de gedingstukken eisers belang bij</para>
      <para>de handhaving ligt in de vrees dat op de strook meerdere tuinhuisjes zullen worden</para>
      <para>opgericht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking nemende dat de derde partij - gelet op de mededeling in het besluit van 7</para>
      <para>maart 2000 -feitelijk niet veel anders kon dan het tuinhuisje binnen dertien weken na</para>
      <para>acceptatie van de melding realiseren, kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij</para>
      <para>de belangenafweging de belangen van de derde partij laten prevaleren. De rechtbank acht</para>
      <para>het daarbij van belang dat het aan de derde partij gerichte gedoogbesluit met de daaraan</para>
      <para>verbonden voorwaarden in voldoende mate waarborg biedt dat tegen de oprichting van</para>
      <para>meerdere tuinhuisjes handhavend zal worden opgetreden. Hetgeen door eiser is aangevoerd</para>
      <para>geeft geen aanleiding tot een ander standpunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorengaande leidt tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd</para>
      <para>handhavend op te treden. De beroepen zijn derhalve ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel</para>
      <para>8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zodat beslist moet worden als hierna is</para>
      <para>aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>- verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep</para>
      <para>worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus</para>
      <para>20019,2500 EA Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op</para>
      <para>17 november 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>