<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZUT:2003:AU7766</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T14:16:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AU7766</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zutphen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zutphen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2003-03-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">03/247 en 03/248 GEMWT 58</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2003:AU7766">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2003:AU7766</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T22:56:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZUT:2003:AU7766 Rechtbank Zutphen , 27-03-2003 / 03/247 en 03/248 GEMWT 58</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZUT:2003:AU7766:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep tegen aanschrijving verwijdering anti-rampalen juwelier ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZUT:2003:AU7766:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK ZUTPHEN</para>
    <para />
    <para>Sector Bestuursrecht</para>
    <para />
    <para>Reg.nrs.: 03/247 en 03/248 GEMWT 58</para>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het</para>
      <para>geschil tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[namen verzoekers] h.o.d.n. Juwelier [naam], te Zutphen,</para>
      <para>verzoekers/ eisers, hierna: verzoekers,</para>
      <para>en</para>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
    <para />
    <para>Besluit van verweerder van 14 januari 2003.</para>
    <para />
    <para>2. Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens verzoekers heeft mr. E.K.J. Eilander, werkzaam voor ARAG Rechtsbijstand te</para>
      <para>Leusden, bij brief van 19 februari 2003, beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van</para>
      <para>diezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 maart 2003, waar verzoekers zijn verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr. Eilander voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mevr. mr. M.M. Brinker, H.M.A.A. van Vliet en E.P. Langenbach.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Motivering</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1 Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een</para>
      <para>voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen</para>
      <para>aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk</para>
      <para>uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in</para>
      <para>dit geval gebruik gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 Naar aanleiding van een zogeheten ramkraak in augustus 2002 hebben verzoekers</para>
      <para>voor hun juwelierszaak aan de [adres] te Zutphen anti-inrijobstakels in de vorm van</para>
      <para>twee betonnen palen geplaatst. Voor het plaatsen van deze op gemeentegrond gesitueerde</para>
      <para>paaltjes is door verzoekers geen vergunning gevraagd. Op 29 augustus 2002 heeft van de</para>
      <para>zijde van verweerder een gesprek plaatsgevonden met verzoekers, waarbij zij op de hoogte</para>
      <para>zijn gesteld van verweerders voornemen terzake bestuursdwang te gaan uitoefenen.</para>
      <para>Bij primair besluit van 12 september 2002 zijn verzoekers onder aanzegging van</para>
      <para>bestuursdwang aangeschreven om de betreffende betonnen palen binnen twee weken te</para>
      <para>(doen) verwijderen en de bestrating in de oorspronkelijke toestand te herstellen.</para>
      <para>Hangende het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft de voorzieningenrechter het</para>
      <para>primaire besluit geschorst.</para>
      <para>Reg.nrs.: 03/247 en 03/248 GEMWT 58 2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit is het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard, en is de</para>
      <para>aanschrijving door verweerder gehandhaafd in die zin dat verzoekers zes weken de tijd</para>
      <para>hebben gekregen om de paaltjes alsnog te verwijderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3 Ingevolge artikel 2.1.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen</para>
      <para>1992 (hierna: de APV) is het verboden om zonder vergunning van verweerder de verharding</para>
      <para>van de weg op te breken, in een weg te graven of te spitten en om anderszins</para>
      <para>veranderingen aan te brengen in de wijze van aanleg van een weg.</para>
      <para>Ingevolge het derde lid van bedoelde bepaling kan een vergunning worden geweigerd als de</para>
      <para>verandering aan de weg een gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor de</para>
      <para>doelmatigheid en het veilig gebruik ervan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4 Mede gelet op de door verweerder overgelegde uitspraak van de Afdeling</para>
      <para>bestuursrechtspraak van 18 september 2002 (zaaknr. 200202222/1) moet geoordeeld</para>
      <para>worden dat het op de openbare weg plaatsen van objecten als hier in geding, valt onder de</para>
      <para>werkingsfeer van artikel 2.1.5.2 van de APV.</para>
      <para>Nu niet in geschil is dat verzoekers voor het plaatsen van de twee betonnen palen voor hun</para>
      <para>juwelierszaak niet beschikten over een vergunning, als bedoeld in artikel 2.1.5.2, eerste lid,</para>
      <para>van de APV, kan verweerder niet de bevoegdheid worden ontzegd handhavend op te treden</para>
      <para>tegen de ontstane illegale situatie.</para>
      <para>Naar vaste jurisprudentie kan alleen in bijzondere gevallen van een bestuursorgaan worden</para>
      <para>verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder</para>
      <para>geval kan met name worden aangenomen indien concreet uitzicht bestaat op legalisering.</para>
      <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet een dergelijke uitzonderingssituatie zich</para>
      <para>in het geval van verzoekers niet voor.</para>
      <para>In dit verband is van belang dat verweerder aan het verlenen van de noodzakelijke</para>
      <para>vergunning niet wenst mee te werken aangezien de plaatsing van de palen in het</para>
      <para>voetgangersgebied van het winkelgebied gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig</para>
      <para>gebruik van de weg. Voorts druist de plaatsing van de palen in tegen de doelstelling die ten</para>
      <para>grondslag heeft gelegen aan de herinrichting van winkelgebied [naam winkelgebied] waarin de</para>
      <para>juwelierszaak van verzoekers is gelegen, te weten: het creëren van een obstakelvrije</para>
      <para>openbare ruimte in het voetgangersgebied. Sinds die herinrichting hanteert verweerder het</para>
      <para>beleid dat anti-inrijobstakels, zoals de in geding zijnde anti-rampalen, op eigen terrein en</para>
      <para>binnen de gevellijn dienen te worden gerealiseerd.</para>
      <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder gevolgd worden in zijn</para>
      <para>standpunt dat het plaatsen van betonnen palen in het voetgangersgebied van een druk</para>
      <para>winkelgebied, mede gelet op het feit dat dit winkelgebied na de herinrichting zoveel mogelijk</para>
      <para>obstakelvrij wordt gehouden, gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van de</para>
      <para>weg. Voorts is het in dit verband door verweerder gehanteerde beleid onjuist noch onredelijk</para>
      <para>te achten. Tenslotte heeft verweerder niet ten onrechte gewezen op de precedentwerking</para>
      <para>welke het legaliseren van de door verzoekers geplaatste betonnen palen zou hebben.</para>
      <para>Van bijzondere omstandigheden welke verweerder zouden nopen van het hiervoor</para>
      <para>geschetste beleid af te wijken, acht de voorzieningenrechter in de situatie van verzoekers</para>
      <para>geen sprake. De voorzieningenrechter tekent daarbij aan zeker begrip te hebben voor de</para>
      <para>wens van verzoekers hun juwelierszaak zoveel mogelijk tegen ramkraken, zoals in augustus</para>
      <para>2002 is geschied, te beschermen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Reg.nrs.: 03/247 en 03/248 GEMWT 58 3</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder kan in dit geval evenwel gevolgd worden in zijn standpunt dat er in het geval van</para>
      <para>verzoekers reële alternatieven voorhanden zijn om ramkraken zoveel mogelijk te</para>
      <para>voorkomen. Ter zitting is gebleken dat verzoekers inmiddels, daartoe door hun</para>
      <para>verzekeringsmaatschappij verplicht, zijn overgegaan tot enkele van deze alternatieve</para>
      <para>maatregelen, zoals het leegruimen van etalages na sluitingstijd en het plaatsen van</para>
      <para>mistkanonnen. Tevens kan gedacht worden aan maatregelen in de vorm van een -deels</para>
      <para>gesubsidieerde- gevelreconstructie of plaatsing van een verstevigd perspex rolluik.</para>
      <para>Tenslotte heeft verweerder ter zitting genoegzaam aangetoond dat er geen sprake is van</para>
      <para>met verzoekers vergelijkbare gevallen, waarin het plaatsen van anti-rampalen voor de</para>
      <para>gevellijn wel wordt toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5 Gelet op het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden. Voor een</para>
      <para>voorlopige voorziening bestaat derhalve geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6 Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel</para>
      <para>7:15 dan wel artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter,</para>
      <para>recht doende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger</para>
      <para>beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,</para>
      <para>postbus 20019, 2500 EA Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2003</para>
      <para>in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>