<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:07:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA6744</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zutphen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zutphen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/1034 WW 06</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=61&amp;g=2000-06-26">Werkloosheidswet 61</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:07:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744 Rechtbank Zutphen , 26-06-2000 / 99/1034 WW 06</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aan voorwaarde van blijvende betalingsonmacht moet ook zijn voldaan als aanvraag om uitkering vorderingen betreft die zijn opgekomen voordat werkgever failliet is verklaard/surseance is verleend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Afwijzing aanvraag om uitkering o.g.v. hoofdstuk IV WW terzake van onbetaald gebleven vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, waartoe de kantonrechter werkgever X heeft veroordeeld.</para>
        <para>Rechtbank: Gelet op de titel van hfdst. IV WW alsmede op de jurisprudentie van de CRvB omtrent aard en strekking van de daarin vervatte regeling moet het ervoor worden gehouden dat een werknemer slechts aanspraak heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk ingeval de non-betaling van (kort gezegd) een vordering op zijn (voormalige) werkgever voortvloeit of is voortgevloeid uit blijvende betalingsonmacht van die werkgever. Daarvan is tijdens surseance van betaling geen sprake. De tekst van art. 61 WW staat, anders dan de gemachtigde van eiseres meent, niet in de weg aan de door verweerder voorgestane uitleg van de onderhavige regeling, aangezien in die bepaling sprake is van een werkgever die "anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen". Uit deze zinsnede kan worden afgeleid dat aan de voorwaarde van blijvende betalingsonmacht ook moet zijn voldaan als de aanvraag om uitkering betrekking heeft op vorderingen die zijn opgekomen voordat een werkgever failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend.</para>
        <para>Beroep ongegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.</para>
        <para>mr. M.J. van Lee</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN </para>
      <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Reg.nr.: 99/1034 WW 06</para>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, wonende te B, </para>
      <para>eiseres </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, </para>
      <para>te dezen vertegenwoordigd door GAK  Nederland B.V.,  </para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
    <para />
    <para>Besluit van verweerder van 14 september 1999.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. Feiten</para>
    <para />
    <para>Eiseres is vanaf 1 september 1996 werkzaam geweest als leerling gastvrouw bij de  vennootschap onder firma VOF X. Het dienstverband is op 22 juni 1997 geëindigd doordat  eiseres zelf ontslag heeft genomen. In december 1997 heeft de Horecabond FNV namens  eiseres haar voormalige werkgeefster verzocht om over te gaan tot betaling van een  vergoeding voor de door haar opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen ten bedrage  van f 1.388,03.  Nadat betaling was uitgebleven zijn diverse sommaties gevolgd doch ook  deze hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. Bij beschikking van 11 juni 1998 heeft  de kantonrechter te Enschede genoemde VOF en haar vennoten bij verstek veroordeeld tot  (onder meer) betaling van de hiervoor bedoelde vergoeding. Nadien is nog een vergeefse  poging ondernomen om de voormalige werkgeefster langs minnelijke weg te bewegen tot  nakoming van het vonnis. </para>
    <para />
    <para>Op 19 augustus 1998 is aan VOF X voorlopig surseance van betaling verleend, waarna  eiseres haar vordering bij de bewindvoerder heeft ingediend die de vordering heeft geplaatst  op de lijst van voorlopig erkende crediteuren. Eiseres heeft zich vervolgens tot verweerder  gewend met een aanvraag om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet  (WW) ter zake van de onbetaald gebleven vergoeding. Op 23 december 1998 is de  voorlopige surseance omgezet in een definitieve.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 18 januari 1999 heeft verweerder die aanvraag van eiseres afgewezen. Tegen  dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt dat bij het thans bestreden besluit ongegrond  is verklaard.</para>
    <para />
    <para />
    <para> 3. Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Namens eiseres heeft mr. M.A.A.J. van Hoof, medewerkster van FNV Ledenservice, tegen  het bestreden besluit beroep ingesteld op de gronden uiteengezet in een beroepschrift van  20 oktober 1999. Zijdens verweerder zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken  ingezonden alsmede een verweerschrift.</para>
    <para />
    <para>Het beroep is behandeld ter zitting van 6 april 2000, waar namens eiseres is verschenen mr.  J.A.H. Theunissen, eveneens verbonden aan FNV Ledenservice, en waar verweerder zich  heeft doen vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak, werkzaam bij GAK Nederland B.V. te  Enschede.</para>
    <para />
    <para>4. Gronden</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van het verzoek van  eiseres gemotiveerd met de opvatting dat er tijdens surseance van betaling geen sprake is  van een toestand van blijvende betalingsonmacht als bedoeld in artikel 61 van de WW. Dit  standpunt vindt, aldus verweerder, steun in de geschiedenis van de totstandkoming van  hoofdstuk IIIa van de WW, zoals deze tot 1 januari 1987 luidde, waarin een regeling was  neergelegd die naar de bedoeling van de wetgever is gecontinueerd in hoofdstuk IV van de  huidige WW.</para>
    <para />
    <para>In die wetsgeschiedenis is in dit verband gewezen op artikel 232 van de Faillissementswet,  waarin onder meer is bepaald dat de surseance niet werkt ten aanzien van vorderingen  waaraan voorrang is verbonden, waartoe (blijkens artikel 288 van het Burgerlijk Wetboek)  ook de onderhavige vordering behoort. Wanneer doorbetaling van het loon niet langer  mogelijk is, dient de bewindvoerder op die grond opheffing van de surseance te vragen.  Eerst dan kan de overnemingsregeling van hoofdstuk IV van de WW toepassing vinden,  aldus verweerder.</para>
    <para />
    <para>Zijdens eiseres is betoogd dat verweerders standpunt zich niet verdraagt met de tekst van  artikel 61 van de WW.</para>
    <para />
    <para>De rechtbank onderschrijft de opvatting van verweerder. Gelet op de titel van hoofdstuk IV  van de WW alsmede op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep omtrent aard en  strekking van de daarin vervatte regeling moet het ervoor worden gehouden dat een  werknemer slechts aanspraak heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk ingeval de  non-betaling van (kort gezegd) een vordering op zijn (voormalige) werkgever voortvloeit of is  voortgevloeid uit blijvende betalingsonmacht van die werkgever. Daarvan is tijdens  surseance van betaling geen sprake.</para>
    <para />
    <para>De tekst van artikel 61 van de WW staat anders dan de gemachtigde van eiseres meent niet  in de weg aan de door verweerder voorgestane uitleg van de onderhavige regeling,  aangezien in die bepaling sprake is van een werkgever die “anderszins verkeert in de  blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen”. Uit deze zinsnede kan worden  afgeleid dat aan de voorwaarde van blijvende betalingsonmacht ook moet zijn voldaan als de  aanvraag om uitkering betrekking heeft op vorderingen die zijn opgekomen voordat een  werkgever failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend.</para>
    <para />
    <para>Gezien het vorenoverwogene moet het beroep ongegrond worden verklaard. Nu daarin geen  aanleiding wordt gevonden voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75  van de Algemene wet bestuursrecht moet derhalve worden beslist zoals hierna is  aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para> 5. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>recht doende:</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep  worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    <para />
    <para>Aldus gegeven door mr. M.J. van Lee  en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2000 in  tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>