<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3729</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T12:53:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3729</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6723</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zutphen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zutphen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/200 GEMWT 29</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2002:AE9104" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2002:AE9104</dcterms:relation>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:88&amp;g=1999-09-16">Algemene wet bestuursrecht 8:88</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/277</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3729">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3729</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3729 Rechtbank Zutphen , 16-09-1999 / 98/200 GEMWT 29</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3729:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3729:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>430 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN</para>
      <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Reg.nr.: 98/200 GEMWT 29</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek van A te B om herziening van de uitspraak van</para>
      <para>4 september 1997 (reg.nr.: 97/958) gedaan op een verzoek om herziening</para>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>C en W. Pieper IJzer- en Bouwmaterialenhandel B.V. de Ermelo</para>
      <para>en</para>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo,</para>
      <para>verweerder</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Gronden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. M.H. Mennema, advocaat te Ermelo, heeft bij brief van 27 februari</para>
      <para>1998 namens A verzocht om herziening van de uitspraak van deze</para>
      <para>rechtbank van 4 september 1997 (reg.nr.: 97/958). Bij die uitspraak is een</para>
      <para>verzoek van C om herziening van de uitspraak van 15 mei 1996</para>
      <para>(reg.nr.: 95/1861), gewezen op een beroep van C, toegewezen, het</para>
      <para>beroep van C alsnog gegrond verklaard en met toepassing van artikel</para>
      <para>8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een</para>
      <para>nieuw dwangsombesluit ten nadele van C genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek om herziening van de uitspraak waarbij het beroep van C</para>
      <para>wegens vervallen van procesbelang niet-ontvankelijk was verklaard is toe-</para>
      <para>gewezen omdat, anders dan de rechtbank op 15 mei 1996 had aangeno-</para>
      <para>men, tegen de intrekking van het besluit waartegen het beroep zich richtte</para>
      <para>een rechtsmiddel was aangewend en wel door A. De rechtbank had</para>
      <para>dan ook op basis van onvolledige informatie aangenomen dat C geen</para>
      <para>belang meer had bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het</para>
      <para>hangende beroep ingetrokken besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A stelt thans in zijn verzoek om herziening dat C ten tijde van de</para>
      <para>uitspraak van 15 mei 1996 wist dat tegen het intrekkingsbesluit bezwaar</para>
      <para>was gemaakt en de rechtbank in de uitspraak van 4 september 1997</para>
      <para>derhalve ten onrechte heeft aangenomen dat aan het bepaalde in artikel</para>
      <para>8:88, eerste lid, aanhef en onder b., van de Awb werd voldaan.</para>
      <para>A vraagt dan ook om herziening van de beslising waarbij het verzoek</para>
      <para>om herziening van C is toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A wijst er thans op dat hij zijn bezwaarschrift tegen het</para>
      <para>intrekkingsbesluit in een procedure naar burgerlijk recht tegen C bij</para>
      <para>akte van 18 januari 1996 (derhalve voor 15 mei 1996) heeft overgelegd en</para>
      <para>daarbij uitdrukkelijk naar het bezwaarschrift heeft verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan op verzoek van een partij</para>
      <para>een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien op grond van feiten</para>
      <para>of omstandigheden die:</para>
      <para>a.      hebben plaatsgevonden voor de uitspraak</para>
      <para>b.      bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend</para>
      <para>waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en</para>
      <para>c.      waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere</para>
      <para>uitkomst zouden hebben kunnen leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak van 4 september 1997 is (na hoger beroep van C</para>
      <para>H01.97.0648 en H01.97.1333) op 1 september 1998 onherroepelijk</para>
      <para>geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met een</para>
      <para>onherroepelijk geworden uitspraak in de aanhef van het eerste lid van</para>
      <para>artikel 8:88 van de Awb heeft bedoeld een uitspraak van de rechtbank</para>
      <para>gewezen op grond van afdeling 8.2.6 of artikel 8:86 van de Awb.</para>
      <para>Hier is verzocht om herziening van een uitspraak (waarbij een verzoek om</para>
      <para>herziening is toegewezen) die is gewezen op grond van artikel 8:88 van de</para>
      <para>Awb.</para>
      <para>De omstandigheid dat een uitspraak gedaan op grond van artikel 8:88 van</para>
      <para>de Awb voor de beantwoording van de vraag of hoger beroep open staat</para>
      <para>op één lijn wordt gesteld met een uitspraak gedaan op grond van de titels</para>
      <para>8.2 en 8.3 (JB 1998/97) brengt niet met zich dat op grond van artikel 8:88</para>
      <para>van de Awb een verzoek kan worden gedaan strekkende tot herziening van</para>
      <para>een uitspraak gedaan op een verzoek om herziening.</para>
      <para>Voor zover verzoeker beoogd heeft de uitspraak van 4 september 1997 te</para>
      <para>doen vervallen verklaren moet worden opgemerkt dat A als indiener</para>
      <para>van de akte van 18 januari 1996 op 4 september 1997 reeds bekend was</para>
      <para>met het feit dat C op 15 mei 1996 redelijkerwijs op de hoogte kon zijn</para>
      <para>met het feit dat bezwaar was gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. A</para>
      <para>heeft, hoewel ook toen voorzien van professionele rechtsbijstand,</para>
      <para>nagelaten in het kader van het verzoek om herziening van C</para>
      <para>tegenover de rechtbank mededeling te doen van de indiening van de akte</para>
      <para>en de wetenschap die C daaraan heeft kunnen ontlenen. De</para>
      <para>omstandigheid dat de akte van 18 januari 1996 niet door maar namens</para>
      <para>A is ingediend en A bij de openbare behandeling van het verzoek</para>
      <para>om herziening van C in persoon is verschenen en zich bij die</para>
      <para>gelegenheid niet heeft laten bijstaan door zijn advocaat kan, anders dan</para>
      <para>mr. Mennema kennelijk meent, niet tot het oordeel leiden dat A</para>
      <para>daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.</para>
      <para>A heeft vervolgens geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak</para>
      <para>van 4 september 1997. Hetgeen A thans in stelling brengt had hij</para>
      <para>reeds eerder naar voren kunnen brengen.</para>
      <para>Er is derhalve geen grond de uitspraak vervallen te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op</para>
      <para>grond van artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt tot de slotsom, dat beslist moet worden als hierna is</para>
      <para>aangegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.      Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending</para>
      <para>hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de</para>
      <para>Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA De Haag (JB 1998/97).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. J.A. Lok en door hem in het openbaar</para>
      <para>uitgesproken op 16 september 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>