<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZLY:2010:BN5954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-06T13:48:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBZLY:2010:1744</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN5954</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zwolle-Lelystad" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zwolle-Lelystad</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-08-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Awb 10/839</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZLY:2010:BN5954">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZLY:2010:BN5954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:53:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZLY:2010:BN5954 Rechtbank Zwolle-Lelystad , 30-08-2010 / Awb 10/839</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZLY:2010:BN5954:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kleinkind kan als pleegkind worden beschouwd. Eiseres voldoet dan ook aan het bepaalde in artikel 7, vijfde lid, van de Awir voor het verkrijgen van een vrijstelling. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZLY:2010:BN5954:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD</para>
      <para>Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer</para>
      <para>Registratienummer: Awb 10/839</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak </para>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>A te B,</para>
      <para>eiseres,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Belastingdienst/Toeslagen, </para>
      <para>kantoorhoudende te Utrecht, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 oktober 2009 is voor eiseres de huurtoeslag over 2008 definitief vastgesteld. Van haar is daarbij een bedrag van € 1610,- teruggevorderd. </para>
      <para>Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 8 april 2010 ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 1 mei 2010 beroep aangetekend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om zonder zitting uitspraak te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de definitieve huurtoeslag van eiseres over 2008 berekend op basis van het toetsingsinkomen van haarzelf en dat van haar kleinzoon (..) die als medebewoner </para>
      <para>in de zin van artikel 7, eerste en tweede lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is vooral of verweerder voor wat betreft het toetsingsinkomen van de kleinzoon </para>
      <para>de vrijstelling van het vijfde lid van artikel 7 van de Awir had dienen toe te passen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Op basis van artikel 7, tweede lid van de Awir, wordt bij het bepalen van de huurtoeslag mede het toetsingsinkomen van de medebewoner in aanmerking wordt genomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 7, vijfde lid van de Awir bepaalt dat het toetsingsinkomen van een medebewoner </para>
      <para>die een eerstegraads bloed- of aanverwant in de neergaande lijn of een pleegkind is van de belanghebbende, van zijn partner, of van een medebewoner, en die bij de aanvang van het berekeningsjaar de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt, voor de toepassing van het tweede lid slechts in aanmerking wordt genomen voor zover het meer bedraagt dan € 4424,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Awir bevat geen definitie van het begrip pleegkind. De rechtbank overweegt, dat de </para>
      <para>Hoge Raad in een uitspraak van 27 november 1996 (nummer 31 547, BNB 1997/27) heeft overwogen dat onder pleegkind moet worden verstaan een kind dat door de belasting-plichtige wordt onderhouden en opgevoed als een eigen kind. Artikel 7, elfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet kent een gelijke bepaling. </para>
      <para>Niet in geschil is dat (..) geen eerstegraads bloedverwant van eiseres is, zodat zij </para>
      <para>niet op grond hiervan voor de gevraagde vrijstelling aanmerking kan komen. De vraag is vervolgens of (..) als een pleegkind moet worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het beroepschrift heeft eiseres gedocumenteerd aangevoerd, dat zij sinds het overlijden </para>
      <para>van haar dochter in oktober 2005 voogd is van (…), hem volledig verzorgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat (…) door eiseres wordt onderhouden (waarbij het ontvangen van een wezenuitkering niet als kostendekkend kan worden beschouwd) en opgevoed als een eigen kind en dat eiseres in dit opzicht de plaats van haar dochter heeft ingenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de hiervoor opgeworpen vraag bevestigend dient te worden beantwoord en (…) als pleegkind van eiseres dient te worden beschouwd. Eiseres voldoet dan ook aan het bepaalde in artikel 7, vijfde lid van de Awir voor het verkrijgen van de vrijstelling.</para>
    <para />
    <para>Het beroep is gegrond.</para>
    <para> </para>
    <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>3.Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-vernietigt het besluit van 8 april 2010</para>
      <para>-herroept met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht </para>
      <para> het besluit van 14 oktober 2009;</para>
      <para>-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het herroepen besluit;</para>
      <para>-gelast dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad € 41,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier, op </para>
    <para />
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>