<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T16:44:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BX3520</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-07-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">323959 - HA RK 12-248</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3520">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3520</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:35:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-08-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3520 Rechtbank Utrecht , 25-07-2012 / 323959 - HA RK 12-248</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3520:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzet tegen exequatur, De inleidende dagvaarding die heeft geleid tot het Poolse vonnis is op een juiste wijze en tijdig betekend, zodat geen sprake is van strijd met artikel 34 lid 2 EEX-Vo. Dit wordt niet anders, indien het Poolse vonnis niet op een juiste wijze aan haar zou zijn betekend. In artikel 34 lid 2 EEX-Vo gaat het niet om de betekening van het vonnis, maar om de betekening van het procesinleidende stuk. De wijze van betekening van het vonnis is alleen relevant, indien het procesinleidende stuk niet tijdig en/of op een juiste wijze is betekend. Immers, in die situatie kan het vonnis alleen nog worden erkend indien “de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was”. Van die situatie is - gelet op het hiervoor overwogene - geen sprake. Tenuitvoerlegging van het vonnis is evenmin in strijd met de openbare orde als bedoeld in artikel 34 lid 1 EEX-Vo. Een beroep op die bepaling is in ieder geval uitgesloten, wanneer het gerezen probleem moet worden opgelost op basis van een specifieke bepaling als artikel 34 sub 2 EEX-Vo.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:2012:BX3520:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>beschikking</para>
      <para>RECHTBANK UTRECHT</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sector handel en kanton</para>
      <para>Handelskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>zaaknummer / rekestnummer: 323959 / HA RK 12-248</para>
    <para />
    <para>Beschikking van 25 juli 2012</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>CREDITFORCE HOLDING B.V.,</para>
      <para>gevestigd te Houten,</para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>advocaat mr. S.A. Kruijt te Alphen aan den Rijn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar Pools recht</para>
      <para>MLP TYCHY Sp. z o.o,</para>
      <para>gevestigd te Pruszków (Polen),</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>advocaat mr. A. Kielczewska te ‘s-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna Creditforce en MLP genoemd worden.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	het verzoekschrift</para>
      <para>-	de mondelinge behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De beoordeling</para>
      <para>2.1.	Het verzoek van Creditforce strekt tot het instellen van verzet ex artikel 43 Verordening nr. 44/2001 (hierna: de EEX-Vo) tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 maart 2012 waarbij een in Polen gegeven rechterlijke beslissing (een door de Arrondissementsrechtbank te Warschau op 12 januari 2012 uitgesproken verstekvonnis, hierna: het Poolse vonnis) uitvoerbaar is verklaard binnen het Koninkrijk der Nederlanden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Creditforce stelt zich op het standpunt dat de uitvoerbaarverklaring moet worden geweigerd of ingetrokken, omdat</para>
      <para>1)	het Poolse vonnis niet op een juiste wijze aan haar is betekend, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 34 lid 2 EEX-Vo,</para>
      <para>2)	het Poolse vonnis niet aan haar is betekend op een wijze die voldoet aan de rechtswaarborgen van artikel 6 EVRM, zodat tenuitvoerlegging daarvan in Nederland kennelijk strijdig is met de openbare orde in de zin van artikel 34 lid 1 EEX-Vo.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.3.	Ten aanzien van het beroep van verzoekster op artikel 34 lid 2 EEX-Vo overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge deze bepaling wordt een beslissing niet erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was.</para>
    <para />
    <para>2.4.	Tussen partijen staat vast dat de inleidende dagvaarding die heeft geleid tot het Poolse vonnis, op 17 augustus 2011 op een juiste wijze aan het adres van Creditforce in Nederland is betekend en dat die betekening voldoende tijdig was om zich in de procedure in Polen te verweren. Ter zitting heeft Creditforce aangegeven dat zij de dagvaarding kende en had kunnen verschijnen, maar ervoor heeft gekozen om dat niet te doen. Dit betekent dat niet voldaan is aan het in artikel 34 lid 2 EEX-Vo gestelde vereiste dat het procesinleidende stuk niet tijdig en/of correct betekend is, zodat een beroep op die bepaling Creditforce niet kan baten.</para>
    <para />
    <para>2.5.	Dit wordt niet anders, indien - zoals Creditforce stelt - het Poolse vonnis niet op een juiste wijze aan haar zou zijn betekend. In artikel 34 lid 2 EEX-Vo gaat het niet om de betekening van het vonnis, maar om de betekening van het procesinleidende stuk. De wijze van betekening van het vonnis is alleen relevant, indien het procesinleidende stuk niet tijdig en/of op een juiste wijze is betekend. Immers, in die situatie kan het vonnis alleen nog worden erkend indien “de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was”. Van die situatie is - gelet op het hiervoor overwogene - geen sprake. Het arrest ASML/SEMIS (Hof van Justitie 14 december 2006, C-283/05), waarop Creditforce zich beroept, is niet relevant, omdat dit arrest ziet op de, in deze zaak niet toepasselijke, tenzij-clausule van artikel 34 lid 2 EEX-Vo.</para>
    <para />
    <para>2.6.	Creditforce komt naar het oordeel van de rechtbank evenmin een beroep toe op artikel 34 lid 1 EEX-Vo (strijd met de openbare orde). Deze clausule mag slechts in uitzonderlijke gevallen worden gehanteerd. Een beroep op die bepaling is in ieder geval uitgesloten, wanneer het gerezen probleem moet worden opgelost op basis van een specifieke bepaling als artikel 34 sub 2 EEX-Vo (Hof van Justitie 10 oktober 1996, C-78/95 Hendrikman/Magenta). Het door Creditforce ingenomen standpunt ziet op de eerbiediging van het recht op verdediging van de niet-verschenen verweerder. Die kwestie vindt een specifieke regeling in artikel 34 lid 2 EEX-Vo en kent de door Creditforce bepleite weigeringsgrond voor de erkenning van verstekvonnissen niet.</para>
    <para />
    <para>2.7.	Het verzoek om intrekking althans weigering van de uitvoerbaarverklaring van het Poolse vonnis zal dan ook worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.8.	Creditforce zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De beslissing</para>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.1.	wijst het verzoek af,</para>
    <para />
    <para>3.2.	veroordeelt Creditforce in de kosten van de procedure, aan de zijde van MLP begroot op € 452,--.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2012.?</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>