<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3075</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T16:47:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV3075</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-02-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">308253 - HA ZA 11-1242</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3075">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3075</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:36:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3075 Rechtbank Utrecht , 01-02-2012 / 308253 - HA ZA 11-1242</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3075:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Faillissementspauliana. Geen benadeling van schuldeisers.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:2012:BV3075:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>vonnis</para>
      <para>RECHTBANK UTRECHT</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sector handel en kanton</para>
      <para>Handelskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 308253 / HA ZA 11-1242</para>
    <para />
    <para>Vonnis van 1 februari 2012</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>MARTIN JOSEPH GERARD HUBERT VERVIERS</para>
      <para>in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement  van [bedrijf ] te [vestigingsplaats],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. R. Reumkens te IJsselstein,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>[gedaagde sub 1],</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
      <para>2.	de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>[gedaagde sub 2],</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat mr. J.R. Kluyver te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd, en de twee laatstgenoemden gezamenlijk ook [gedaagden c.s.].</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	het tussenvonnis van 28 september 2012</para>
      <para>-	het proces-verbaal van comparitie van 20 december 2011. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De feiten</para>
      <para>2.1.	[bedrijf ] (hierna: [bedrijf ]) is een zustervennootschap van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	Sedert 8 april 2008 genoten [bedrijf ], [gedaagden c.s.]. en hun gezamenlijke moedermaatschappij Abony Werk B.V. (hierna: Abony Werk) een gezamenlijk krediet bij ABN AMRO Bank (hierna: de bank) van € 1.100.000,00, waarvoor zij jegens de bank hoofdelijk waren verbonden (hierna: het krediet).</para>
    <para />
    <para>2.3.	In de periode 21 januari-11 februari 2009 heeft [bedrijf ] ten laste van het krediet betalingen verricht ten bedrage van in totaal € 67.361,93 aan [gedaagde sub 1] en ten bedrage van in totaal € 27.945,22 aan [gedaagde sub 2] (hierna: de betalingen). </para>
    <para />
    <para>2.4.	Op 24 februari 2009 is [bedrijf ] op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig.</para>
    <para />
    <para>2.5.	Na de faillietverklaring van [bedrijf ] hebben [gedaagden c.s.]. en Abony Werk het krediet afgelost. [gedaagde sub 1] heeft het deel van het krediet waarvoor [bedrijf ] draagplichtig was, € 125.110,96, voor haar rekening genomen, en is in zoverre gesubrogeerd in de rechten van de bank jegens [bedrijf ] (hierna: de regresvordering).</para>
    <para />
    <para>2.6.	De curator heeft jegens [gedaagden c.s.]. met verwijzing naar de artikelen 42 en 47 Fw nietigheid van de betalingen ingeroepen.</para>
    <para />
    <para>3.	Het geschil</para>
    <para />
    <para>3.1.	De curator vordert bekrachtiging van de door hem gedane vernietigingen dan wel verklaring voor recht dat de betalingen zijn vernietigd, alsmede – in lijn hiermee – veroordeling van [gedaagden c.s.]. tot restitutie van de betalingen, ieder voor het door haar ontvangene, vermeerderd met rente en kosten.</para>
    <para />
    <para>3.2.	[gedaagden c.s.]. voeren verweer. Zij betwisten dat aan enige van de voorwaarden van artikel 42 Fw en/of artikel 47 Fw is voldaan, laat staan alle.</para>
    <para />
    <para>3.3.	Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
    <para />
    <para>4.	De beoordeling</para>
    <para />
    <para>4.1.	De vordering tot bekrachtiging dient te worden afgewezen reeds omdat deze geen steun vindt in het recht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.	De vorderingen worden ook voor het overige afgewezen. Eén van de voorwaarden voor toepassing van artikelen 42 en/of 47 Fw is dat de schuldeisers door de bestreden rechtshandeling zijn benadeeld. Volgens de curator is de benadeling van schuldeisers in het onderhavige geval gelegen in de omvang van de regresvordering van [gedaagde sub 1], die volgens hem navenant lager zou zijn geweest zonder de betalingen. De betalingen hebben volgens hem dus tot een groter passief geleid, en daarmee benadeling in verhaalsmogelijkheden voor de overige schuldeisers. In antwoord hierop heeft [gedaagde sub 1] afstand gedaan van haar regresvordering voor zover dat nodig mocht zijn om de door de curator gestelde benadeling ongedaan te maken. Dit heft – thans (HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 654 ([A]/Gilhuis q.q.)) – de door de curator gestelde benadeling op. In hoeverre de betalingen aanvankelijk tot benadeling van schuldeisers hebben geleid</para>
      <para>([gedaagden c.s.]. stellen dat ook daarvan geen sprake is), en dus in hoeverre de afstand nodig is (en plaatsvindt) is een kwestie die – mocht het zover komen – in een verificatiegeschil ter zake van de regresvordering eventueel nog aan de orde zou kunnen komen. In het onderhavige geding hoeft hierover niet te worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3.	De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden c.s.]. worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht		€	1.181,00</para>
      <para>- salaris advocaat		1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)</para>
      <para>Totaal		€ 	2.969,00</para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>5.	De beslissing</para>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.1.	wijst de vorderingen af,</para>
    <para />
    <para>5.2.	veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden c.s.]. tot op heden begroot op € 2.969,00,</para>
    <para />
    <para>5.3.	verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>