<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:2012:4220</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T16:16:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">257334 - HA ZA 08-2231</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:4220">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2012:4220</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T16:09:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:2012:4220 Rechtbank Utrecht , 02-05-2012 / 257334 - HA ZA 08-2231</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:2012:4220:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Erfrecht. bindende eindbeslissing. de rechtbank komt niet terug van haar beslissing in het tussenvonnis. Artikel 223 lid 1 Rv. Verzoek uitvoerbaar bij voorraad verklaring afgewezen i.v.m. belangenafweging.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:2012:4220:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK UTRECHT</bridgehead>
    <para>257334 / HA ZA 08-22312 mei 2012</para>
    <para>Sector handel en kanton</para>
    <para>Handelskamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: 257334 / HA ZA 08-2231</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 2 mei 2012</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser in conventie,</para>
      <para>verweerder in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. M.A. Weenink,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde sub 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>verweerder in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. F.H. Tak,</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[gedaagde sub 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>advocaat mr. F.H. Tak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde c.s.] genoemd worden. Eiser in  reconventie zal met [gedaagde sub 1] worden aangeduid. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 24 november 2010,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het deskundigenbericht, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie na deskundigenbericht, houdende akte vermeerdering van eis, met producties, van [eiser] , </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para> de antwoordconclusie na deskundigenbericht, tevens antwoordakte van [gedaagde c.s.]</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De waarde van de woning</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De deskundige [A] , makelaar bij [makelaar] (hierna: de deskundige) heeft op 9 september 2011 het woonhuis gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , (hierna: de woning) getaxeerd en daarover als volgt gerapporteerd:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Waardering</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verkoopwaarde van het onderhavige pand kan worden vastgesteld op €  3.000,00 per m2, derhalve voor de verbouwing op € 315.000,--</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">huidige staat op €  390.000,--</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">waarde in verhuurde staat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Omdat er geen huur wordt betaald wordt uitgegaan van een voorzichtige economische huurprijs, te weten:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de huidige staat € 12.000,- per jaar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor de verbouwing € 10.000,- per jaar.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor dergelijke panden met  economische huurprijzen wordt circa 15 maal de jaarhuur betaald,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Derhalve:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor verbouwing € 150.000,--</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Huidige staat € 180.000,--</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Partijen kunnen zich vinden in de door de deskundige vastgestelde waarde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Gelet op de vordering in conventie en gelet op het debat van partijen, zal de rechtbank er bij de beoordeling van de waarde van de woning van uitgaan dat de woning aan [gedaagde sub 1] wordt toegedeeld, waarbij hij aan [eiser] en [gedaagde sub 2] elk een derde van de waarde van de woning zal uitbetalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat bij de waardering van de woning moet worden uitgegaan van de waarde in onverhuurde staat. [gedaagde c.s.] conformeert zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank dient indien de woning aan [gedaagde sub 1] wordt toegedeeld te worden uitgegaan van de waarde in onverhuurde staat. [gedaagde sub 1] bewoont de woning thans als huurder. Op het moment dat de woning aan hem wordt toegedeeld worden de posities van huurder en verhuurder één waardoor het waardedrukkend effect van de verhuurde staat van de woning vanaf dat moment niet meer relevant is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt er toe dat de waarde van de woning voor de verbouwing € 315.000,00 bedroeg en in de huidige staat € 390.000,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil of bij toedeling van de woning aan [gedaagde sub 1] moet worden uitgegaan van de waarde van de woning voor of na de verbouwing. [eiser] stelt zich op het standpunt dat nimmer schriftelijk toestemming is verleend voor de verbouwing, zodat geen sprake is van een geoorloofde verandering als bedoeld in artikel 7:215 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), zodat [gedaagde sub 1] gelet op het bepaalde in artikel 7:216 geen recht heeft op vergoeding van de door hem aangebrachte wijzigingen in de woning.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. De verbouwing heeft in 2000/2001 plaatsgevonden. Waar het ging om een huurovereenkomst tussen moeder en zoon en waar is gesteld noch gebleken dat [B] zich destijds tegen de verbouwing heeft verzet, kan [eiser] zich thans niet in redelijkheid op het formele standpunt stellen dat de verbouwing niet geoorloofd was. Gelet op de door de deskundige getaxeerde waardevermeerdering is het bovendien een zinvolle verbouwing geweest. [gedaagde sub 1] heeft echter ook het genot van de woningverbetering gehad, terwijl is gesteld noch gebleken dat vanwege de woningverbetering en de uitbreiding van 25 m2  (70m3) een huurverhoging heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk dat bij toedeling van de woning aan [gedaagde sub 1] wordt uitgegaan van de huidige waarde van de woning waarop het door hem geïnvesteerde bedrag van € 40.000,00 in mindering wordt gebracht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verschuldigde huur</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] heeft zijn eis vermeerderd bij akte en gevorderd dat de rechtbank</para>
        <para>
          [gedaagde sub 1] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 4.969,77 , te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 november 2011 tot de dag van algehele voldoening, alsmede om hem te veroordelen tot betaling aan [eiser] uit hoofde van huur, met ingang van 1 december 2011 en zolang de huurovereenkomst voortduurt, een bedrag van € 84,23 per maand.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] vanaf 1 januari 2006 geen huur meer heeft betaald ter zake van de woning. Deze huur bedroeg volgens [eiser] ten tijde van het overlijden van [B] € 252,70. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>
        [gedaagde c.s.]  stelt in zijn antwoordconclusie na deskundigenbericht dat de huur bij het overlijden van [B] geen € 252,70 bedroeg, maar € 246,06.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>De rechtbank gaat voorbij aan de betwisting door [gedaagde c.s.] van de hoogte van de huurprijs, nu hij in zijn antwoordakte van 29 september 2010 onder punt 3 heeft gesteld dat [gedaagde sub 1] over het eerste en tweede kwartaal van 2005 een bedrag van € 738,18 per kwartaal heeft betaald en in het derde en vierde kwartaal, na de huurverhoging per van 1 juli 2005, een bedrag van € 252,70 per maand. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft [gedaagde c.s.] bankafschriften overgelegd (productie 33) waaruit huurovermakingen voor het door hem genoemde bedrag van € 252,70 blijken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie [gedaagde sub 1] vanaf januari 2006 een bedrag van € 252,70 per maand vermeerderd met de wettelijke rente daarover verschuldigd is aan de nalatenschap van [B] . Voor toewijzing van de vordering van [eiser] dat [gedaagde sub 1] een derde deel van deze huur, inclusief de daarover verschuldigde rente aan [eiser] dient te betalen ziet de rechtbank geen grond. Zolang de nalatenschap van [B] niet is verdeeld is [gedaagde sub 1] deze maandelijkse huur verschuldigd aan de nalatenschap. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen kan de vordering van [eiser] tot verdeling van de woning, inclusief de daarbij behorende baten en lasten als volgt worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat elk van hen recht heeft op een derde van het saldo van de nalatenschap van [B] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>De woning moet worden gewaardeerd op € 390.000,00, waarbij bij toedeling aan [gedaagde sub 1] een bedrag van € 40.000,00 in mindering wordt gebracht aan het door hem aan de andere erfgenamen te betalen bedrag van in totaal € 260.000,00 (2/3 x 390.000,00). [gedaagde sub 1] dient daarom, bij toedeling van de woning aan hem, [eiser] en [gedaagde sub 2] ieder een bedrag van € 110.000,00 te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 1] dient vanaf 1 januari 2006 tot de datum waarop de woning aan hem wordt overgedragen de huur van € 252,70 per maand, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, aan de nalatenschap van [B] te voldoen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>De door [eiser] betaalde gemeentelijke belastingen voor de woning over de jaren 2006 tot en met 2010 van in totaal € 2.504,13 dienen te worden aangemerkt als een vordering van [eiser] op de nalatenschap van [B] (2.12 van het vonnis van 24 november 2010). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>Ook de door [eiser] betaalde waterschapslasten over de jaren 2008 tot en met 2010 van in totaal € 207,32, dienen te worden aangemerkt als een vordering van [eiser] op de nalatenschap van [B] (2.18 van het vonnis van 24 november 2011)</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>De tot 2008 door [eiser] betaalde premies voor de opstalverzekering voor de woning voor een bedrag van € 279,66 en de door hem betaalde onderhoudskosten van de woning  voor een bedrag van € 805,63 dienen eveneens te worden aangemerkt als een vordering van [eiser] op de nalatenschap van [B] (2.19 van het vonnis van 24 november 2010).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>Voor toewijzing van de vordering dat [gedaagde c.s.] zal worden veroordeeld tot medewerking aan de verdeling en te bepalen dat hij daartoe op een door [eiser] genoemd tijdstip bij de notaris dient te verschijnen ziet de rechtbank onvoldoende grond. In de eerste plaats heeft [gedaagde c.s.] de nalatenschap beneficiair aanvaard, dus heeft hij de vrijheid de nalatenschap alsnog te verwerpen en dus af te zien van toedeling van de woning aan hem. Voor het overige ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat [gedaagde c.s.] niet zal meewerken aan de verdeling van de woning op een wijze als in dit vonnis is bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22.</nr>
      <para>Onder verwijzing naar hetgeen hierna in 2.41 en 2.42 is overwogen zal de rechtbank het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring afwijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat partijen in gelijke mate de kosten dragen. Iedere partij dient de eigen kosten te dragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.24.</nr>
      <para>De compensatie van de kosten betreft ook de kosten voor het deskundigenbericht.  [eiser] heeft als eisende partij het voorschot voor de deskundige betaald. [gedaagde c.s.] dient daarom de helft van dit voorschot aan [eiser] te betalen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.25.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft de rechtbank verzocht terug te komen van de beslissing (2.13 van het vonnis van 1 september 2010) dat als onvoldoende weersproken is vast komen te staan dat [B] de gehele lening van f 800.000 van [eiser] bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Ziekenfondswezen (SBZ) voor haar rekening heeft genomen en de rente daarover heeft betaald. [eiser] heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat hij recentelijk over schriftelijk bewijs is komen te beschikken waaruit volgens hem blijkt dat de resterende hypotheekschuld vermeerderd met achterstallige rente, boeterente en executiekosten volledig door hem uit de veilingopbrengst van het aan hem toebehorende pand [adres] is afgelost. De verkoopopbrengst bedroeg volgens [eiser] f. 780.000,00, terwijl de hypotheekschuld een paar maanden voor de veiling ruim f. 511.000,00 bedroeg. Deze opbrengst was volgens hem ruim voldoende om de volledige schuld inclusief de executiekosten te voldoen. [eiser] wijst er op dat [gedaagde sub 1] slechts bewijs heeft overgelegd van aflossingen van [B] ter grootte van € 114.807,00 terwijl uit de thans door [eiser] overgelegde stukken blijkt dat hij de restant schuld uit eigen middelen heeft voldaan. In het kader van de verdeling van de nalatenschap dient volgens hem daarom slechts een bedrag van € 114.807,00 als gift in aanmerking te worden genomen, vermeerderd met rente en niet het gehele bedrag van € 363.024,17.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.26.</nr>
      <para>Voorts heeft [eiser] de rechtbank verzocht terug te komen van de beslissing (2.26 van het vonnis van 1 september 2010) dat [B] in de periode 1978 tot 2000 voor een bedrag van f 549.000,00 (€ 249.125,34) een vordering uit geldlening had op [eiser] waarop hij nimmer heeft afgelost. [eiser] heeft daartoe een schriftelijke verklaring overgelegd van de heer [C] , voormalig belastingadviseur bij [naam] , thans [naam] . Uit deze verklaring volgt volgens [eiser] dat de fictieve schuld van f. 549.000,00 (€ 249.124,34) die destijds in de aangiften van [B] was verwerkt geen reële schuld van hem aan [B] betrof, maar slechts een papieren exercitie vormde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.27.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 1] heeft gemotiveerd betwist dat de thans door [eiser] overgelegde stukken voor de rechtbank aanleiding vormen om terug te komen van de gegeven eindbeslissing. Voorts heeft [gedaagde sub 1] de door [eiser] op basis van deze stukken getrokken conclusies inhoudelijk betwist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.28.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat partijen in het tussenvonnis van 24 november 2010 uitsluitend in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over het deskundigenbericht. De beslissingen in het tussenvonnis van 1 september 2010 waarvan [eiser] de rechtbank thans verzoekt terug te komen, zijn aan te merken als eindbeslissingen, nu deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven. In beginsel kan op deze beslissingen in de verdere loop van het geding niet meer worden teruggekomen en kan een gegeven eindbeslissing slechts worden bestreden door aanwending van een rechtsmiddel, in dit geval het instellen van hoger beroep. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, ten einde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.29.</nr>
      <para>De beslissing met betrekking tot de lening van f 800.000,00 in het tussenvonnis van 1 september 2010 is zo uitgevallen omdat [eiser] de stelling van [gedaagde sub 1] dat de betalingen voor de aflossing en de rente van de gehele lening van f 800.000,00 voor rekening van [B] zijn gekomen onvoldoende heeft betwist en zich heeft beperkt tot (een herhaling van) zijn stelling dat slechts een bedrag van € 114.807,79 ten laste van [B] is gekomen en dat dit was bedoeld als een gift aan [eiser] . [eiser] heeft zich toen niet uitgelaten over de wijze waarop het resterende bedrag van deze lening is afgelost. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.30.</nr>
      <para>De beslissing betreffende de geldlening van f. 549.000,00 (€ 249.125,34) in het tussenvonnis van 1 september 2010 is gebaseerd op het oordeel van de rechtbank dat [eiser] de stellingen van [gedaagde sub 1] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, terwijl een meer gemotiveerde betwisting wel op zijn weg had gelegen, nu hij meer inzicht en kennis heeft van de situatie en de financiële aspecten van de huurwoning en hij over de achterliggende stukken ter zake kan beschikken (2.25 van het tussenvonnis van 1 september 2010). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.31.</nr>
      <para>Het leerstuk van het terugkomen op een bindende eindbeslissing is niet bedoeld om door een partij in de procedure gemaakte fouten, bestaande uit het nalaten om tijdig alle voor het bereiken van een oordeel relevante stellingen aan te voeren en deze te onderbouwen, maar is bedoeld om te voorkomen dat de rechter op ondeugdelijke grondslag einduitspraak doet. Het had op de weg van [eiser] gelegen die feiten en omstandigheden reeds voor dat tussenvonnis te stellen en te onderbouwen. Niet valt in te zien dat [eiser] niet vóór het wijzen van het tussenvonnis naar voren had kunnen brengen dat het resterende hypotheekbedrag is afgelost door verkoop van een van zijn eigen panden zoals hij thans heeft gedaan. [eiser] was bij deze financiële transactie betrokken en kon derhalve over de daaraan ten grondslag liggende financiële stukken beschikken. [eiser] is zodoende te laat door zijn stelling eerst bij akte na het deskundigenbericht te onderbouwen. Het zelfde geldt ten aanzien van de lening aan [eiser] in de belastingaangifte van [B] . [eiser] heeft niet tijdig, voor het wijzen van het tussenvonnis naar voren gebracht dat hij zijn stelling wenste te onderbouwen door middel van een verklaring van de voormalig belastingadviseur en de omstandigheid dat hij niet eerder over deze verklaring kon beschikken komt voor zijn risico. Een dergelijke wijze van procederen komt in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat de rechtbank aan de alsnog door [eiser] aangedragen stukken en verklaringen voorbijgaat. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.32.</nr>
      <para>Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende slotsom.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.33.</nr>
      <para>
        [eiser] dient vanaf de datum van overlijden van [B] , [2005] , rekening en verantwoording af te leggen aan [gedaagde sub 1] over het beheer van de  effectenrekening 45.62.44.050 (4.16 van het tussenvonnis van 21 april 2010). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.34.</nr>
      <para>Bij de verdeling van de nalatenschap van [B] dient de gift, te weten f 800.000,00 (€ 363.024,17) en de over dit bedrag door [B] betaalde rente, waarvan de omvang de rechtbank niet bekend is, in mindering dient te worden gebracht op het erfdeel van [eiser] . De over de totale gift verschuldigde rente is zes procent per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen, derhalve vanaf [2005] . [eiser] hoeft echter geen hoger bedrag in te brengen dan zijn erfdeel (2.21 van het tussenvonnis van 1 september 2010). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.35.</nr>
      <para>Bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap dient de vordering van [B] op [eiser] van f. 549.00,00 (€ 249.125,34) bij de activa te worden betrokken (2.26 van het tussenvonnis van 1 september 2010). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.36.</nr>
      <para>
        [eiser] dient de huurpenningen over het jaar 2005 die aan hem persoonlijk zijn toegekomen aan de nalatenschap te voldoen (2.20 van het tussenvonnis van 24 november 2011). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.37.</nr>
      <para>Zoals bij de beoordeling van de vordering in conventie reeds is overwogen is tussen partijen niet in geschil dat elk van de erfgenamen gerechtigd is tot een derde van het saldo van de nalatenschap.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.38.</nr>
      <para>De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen in conventie is overwogen, onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat [eiser] niet vrijwillig zal meewerken aan toedeling en levering van de woning aan [gedaagde sub 1] . De vordering tot veroordeling daartoe op straffe van verbeurte van een dwangsom zal daarom worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.39.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft verzocht, in het geval zijn verzoek terug te komen van de bindende eindbeslissing wordt afgewezen, de vordering van [gedaagde sub 1] het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren af te wijzen, omdat een gedeeltelijke toewijzing van de reconventionele vorderingen hem mogelijkerwijs noodzaakt tot het voldoen van bedragen die hij niet “op de plank heeft liggen” terwijl het in hoger beroep over te leggen bewijs naar zijn mening zeker zal leiden tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.40.</nr>
      <para>
        [gedaagde sub 1] heeft betwist dat er aanleiding is om het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.41.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 223 lid 1 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Bij de beantwoording van de vraag of van die bevoegdheid gebruikt dient te worden gemaakt, spelen de wederzijdse belangen van partijen, bezien in het licht van de omstandigheden van het geval een bepalende rol. In de gegeven omstandigheid acht de rechtbank het belang van [eiser] dat zijn verplichtingen voortvloeiend uit hetgeen in 2.34 en 2.35 is beslist worden opgeschort in afwachting van de beslissing in hoger beroep groter dan het belang van [gedaagde sub 1] het vonnis op deze punten onmiddellijk te kunnen effectueren. Bij dit oordeel is betrokken dat [gedaagde sub 1] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat zijn belangen onevenredig worden geschaad indien de mogelijkheid op deze punten uitvoering te geven aan het vonnis wordt opgeschort. De rechtbank zal daarom voor de betreffende punten geen gebruikmaken van haar op grond van artikel 233 lid 1 Rv toekomende bevoegdheid.</para>
      <para> </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.42.</nr>
      <para>Aangezien de vorderingen met elkaar samenhangen en alle verband houden met (de vaststelling van) de omvang van de nalatenschap van [B] is het niet wenselijk dat een deel van de vordering uitvoerbaar bij voorraad zou zijn en een deel niet. De afwijzing van het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal daarom de gehele vordering betreffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.43.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>bepaalt dat de woning bij toedeling aan [gedaagde sub 1] moet worden gewaardeerd op € 390.000,00, op welk bedrag € 40.000,00 in mindering wordt gebracht, zodat [gedaagde sub 1] , bij toedeling van de woning  aan hem, [eiser] en [gedaagde sub 2] ieder een bedrag van € 110.000,00 dient te betalen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>bepaalt dat [gedaagde sub 1]  vanaf 1 januari 2006 tot de datum waarop de woning aan hem wordt overgedragen de huur van € 252,70 per maand, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, aan de nalatenschap van [B] dient te voldoen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>bepaalt dat de door [eiser] betaalde gemeentelijke belastingen voor de woning over de jaren 2006 tot en met 2010 van in totaal € 2.504,13 dienen te worden aangemerkt als een vordering van [eiser] op de nalatenschap van [B] , </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>bepaalt dat de door [eiser] betaalde waterschapslasten over de jaren 2008 tot en met 2010 van in totaal € 207,32, dienen te worden aangemerkt als een vordering van [eiser] op de nalatenschap van [B] ,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>bepaalt dat de tot 2008 door [eiser] betaalde premies voor de opstalverzekering voor de woning voor een bedrag van € 279,66 en de door hem betaalde onderhoudskosten van de woning  voor een bedrag van € 805, 63 dienen te worden aangemerkt als een vordering van [eiser] op de nalatenschap van [B] , </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en dat [gedaagde c.s.] de helft van het door [eiser] betaalde voorschot voor deskundigenbericht aan [eiser] betaalt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>draagt [eiser] op vanaf de datum van overlijden van [B] , [2005] , aan [gedaagde sub 1] rekening en verantwoording af te leggen over het beheer van de  effectenrekening 45.62.44.050, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>bepaalt dat bij de verdeling van de nalatenschap van [B] een bedrag van f 800.000,00 (€ 363.024,17) en de over dit bedrag door [B] betaalde rente, als gift in mindering dient te worden gebracht op het erfdeel van [eiser] , dat [eiser] de over de totale gift verschuldigde rente van zes procent vanaf [2005] aan de nalatenschap dient te voldoen en dat [eiser] geen hoger bedrag hoeft in te brengen dan zijn erfdeel, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>bepaalt dat bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van [B] de vordering van [B] op [eiser] van f. 549.00,00 (€ 249.125,34) bij de activa moet worden betrokken </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>bepaalt dat [eiser] de huurpenningen over het jaar 2005 voor zover deze aan hem persoonlijk zijn toegekomen aan de nalatenschap van [B] dient te betalen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.( </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>