<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8558</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T14:52:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BU8558</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-12-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">758632 UC EXPL  11-9172 mh</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8558">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8558</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:22:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8558 Rechtbank Utrecht , 14-12-2011 / 758632 UC EXPL  11-9172 mh</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8558:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wettelijke handelsrente. Uit het eenzijdig noemen van een betalingstermijn op facturen volgt niet dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt dat deze termijn heeft te gelden als fatale termijn als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8558:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK UTRECHT</para>
      <para>sector handel en kanton</para>
      <para>kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>locatie Utrecht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer: 758632 UC EXPL  11-9172 mh</para>
    <para />
    <para>vonnis van 14 december 2011</para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>Cartechnics IJsselstein BV,</para>
      <para>gevestigd te IJsselstein,</para>
      <para>verder te noemen: Cartechnics,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. L.J. Krijgsman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[gedaagde],</para>
      <para>h.o.d.n. [bedrijf],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verder te noemen: [gedaagde],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1.	Het verloop van de procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	het tussenvonnis van 3 augustus 2011;</para>
      <para>-	de comparitie van partijen van 22 november 2011, waarvan aantekening is gehouden. [gedaagde] is niet bij de comparitie verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    <para />
    <para>2.	Het geschil en de beoordeling daarvan</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.	Cartechnics vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.412,64, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 879,80 vanaf 1 juni 2011 tot de dag van algehele voldoening, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.</para>
      <para>Het bedrag van € 1.412,64 is opgebouwd uit de hoofdsom van € 879,80, rente tot en met 31 mei 2011 van € 356,41 alsmede buitengerechtelijke incassokosten van 15% over de hoofdsom en de rente ten bedrage van € 185,43.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Cartechnics legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] gehouden is de facturen te betalen die zij heeft verstuurd in verband met werkzaamheden die zij aan verschillende auto’s van [gedaagde] heeft verricht.</para>
      <para>Tijdens de comparitie heeft toegelicht dat zij betaling van vier facturen vordert ten bedrage van in totaal € 1.236,80 (inclusief BTW). Dit bedrag heeft zij verrekend met twee facturen van [gedaagde] van in totaal € 357,-, zodat voornoemde hoofdsom resteert. Ter onderbouwing van deze verrekening verwijst Cartechnics naar zijn brief van 12 mei 2010 aan [gedaagde].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.3.	[gedaagde] voert als verweer dat de werkzaamheden aan de auto’s niet naar verwachting zijn uitgevoerd. Verder stelt hij dat hij ook werkzaamheden voor Cartechnics heeft uitgevoerd en dat partijen overeen zijn gekomen dat de werkzaamheden met gesloten beurs zouden worden verricht. Volgens [gedaagde] komt Cartechnics vier jaar na dato met facturen die hij niet erkent.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.	Voor zover [gedaagde] bedoelt te zeggen dat Cartechnics tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen en hij daarom niet hoeft te betalen, passeert de kantonrechter dit verweer. Een tekortkoming van een schuldeiser ontslaat de schuldenaar namelijk niet van zijn betalingsverplichtingen. Dit is anders als de schuldenaar de overeenkomst heeft ontbonden (gesteld noch gebleken is dat daarvan hier sprake is), omdat partijen in dat geval van hun verbintenissen zijn bevrijd. De enkele door [gedaagde] gestelde ondeugdelijkheid van de uitgevoerde werkzaamheden door Cartechnics vormt – indien al juist – dus op zichzelf genomen geen grond om [gedaagde] van zijn betalingsverplichting te bevrijden. </para>
      <para>Verder is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting heeft opgeschort, zodat hij daarin evenmin grond kan vinden voor het achterhouden van de betaling van de facturen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.5.	Tijdens de zitting heeft Cartechnics betwist dat partijen overeen zijn gekomen dat zij hun werkzaamheden over en weer met gesloten beurzen zouden uitvoeren. Gelet hierop had het op de weg van [gedaagde] gelegen zijn verweer nader te onderbouwen. Deze mogelijkheid heeft hij zich onthouden door niet tijdens de comparitie te verschijnen, hetgeen voor zijn rekening en risico komt. De kantonrechter neemt daarom als vaststaand aan dat de door [gedaagde] gestelde afspraak niet is gemaakt. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.</para>
    <para />
    <para>2.6.	Gelet op het voorgaande is [gedaagde] gehouden het bedrag van € 879,80 (inclusief BTW) te betalen.</para>
    <para />
    <para>2.7.	Hoewel [gedaagde] tegen de gevorderde wettelijke handelsrente geen verweer heeft gevoerd, overweegt de kantonrechter het volgende. Als hoofdregel geldt dat deze rente verschuldigd is met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Weliswaar wordt op de facturen door Cartechnics eenzijdig een betalingstermijn van 14 dagen genoemd, maar dit betekent niet dat partijen wilsovereenstemming hebben bereikt dat deze termijn heeft te gelden als de uiterste termijn voor betaling als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Evenmin is vast komen te staan op welke data [gedaagde] de facturen of de prestaties van Cartechnics heeft ontvangen, zodat de aanvangstermijn van de rente ook niet op de voet van artikel 6:119a lid 2 BW kan worden vastgesteld. De kantonrechter zal de gevorderde handelsrente dan ook toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding (zijnde 6 juni 2011)</para>
    <para />
    <para>Buitengerechtelijke incassokosten</para>
    <para />
    <para>2.8.	Cartechnics heeft ter onderbouwing van de gestelde buitengerechtelijke incassokosten een aantal standaard sommatiebrieven overgelegd (waarvan sommige dubbel) en een opsomming gegeven van een aantal standaard werkzaamheden dat in het kader van een incassozaak moet worden verricht. Daarmee is niet althans onvoldoende gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk verdergaande buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt voor verrichtingen als hiervoor omschreven. De kosten waarvan Cartechnics vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten, zodat de kantonrechter dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.</para>
    <para />
    <para>Proceskosten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.9.	[gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Cartechnics worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	76,31</para>
      <para>- vast recht		284,00</para>
      <para>- salaris gemachtigde		300,00 (2,0 punten × tarief € 150,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	660,31</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>De kantonrechter</para>
    <para />
    <para>3.1.	veroordeelt [gedaagde] aan Cartechnics te betalen een bedrag van € 879,80 (inclusief BTW), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 6 juni 2011 tot de voldoening,</para>
    <para />
    <para>3.2.	veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Cartechnics, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 660,31, waarin begrepen € 300,00 aan salaris gemachtigde,</para>
    <para />
    <para>3.3.	verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
    <para />
    <para>3.4.	wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>