<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7084</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T15:20:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BL7084</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">281580 / HA ZA 10-283</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7084">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7084</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:04:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7084 Rechtbank Utrecht , 03-03-2010 / 281580 / HA ZA 10-283</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7084:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Samenloop boetes artikelen 10.2 en 10.3 NVM-koopcontracten; verhouding contractuele boete en aanvullende schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7084:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>vonnis</para>
      <para>RECHTBANK UTRECHT</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Sector handels- en familierecht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 281580 / HA ZA 10-283</para>
    <para />
    <para>Vonnis van 3 maart 2010</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	[eiser sub 1],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>2.	[eiseres sub 2],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>advocaat mr. N. Strikwerda,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[gedaagde],</para>
      <para>domicilie kiezende te [woonplaats], </para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> </para>
    <para>1.	De procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	de dagvaarding</para>
      <para>-	het tegen gedaagde verleende verstek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    <para> </para>
    <para>2.	De beoordeling</para>
    <para />
    <para>2.1.	Voor de vordering en de feiten wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte dagvaarding.</para>
    <para />
    <para>2.2.	Eisers maken aanspraak op zowel de boete van 10% op grond van buitengerechtelijke ontbinding van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst (conform artikel 10.2 van deze standaard NVM-koopovereenkomst) als de boete van drie promille van de koopprijs op grond van het niet voldoen aan de sommatie tot nakoming van de koopovereenkomst (conform artikel 10.3 van de overeenkomst). De rechtbank is van oordeel dat geen aanspraak gemaakt kan worden op beide boetes doch dat een keuze gemaakt dient te worden voor één van de twee in de overeenkomst genoemde boeteclausules (vgl. Rechtbank Zutphen 9 mei 2007, LJN BB2714 en Rechtbank Utrecht 16 december 2009, LJN BK6988). Nu eisers na afloop van de (door artikel 10.1 vereiste) termijn van 8 dagen na ingebrekestelling aan gedaagde te kennen hebben gegeven nakoming van de koopovereenkomst te verlangen, kunnen zij alleen aanspraak maken op de boete die voortvloeit uit het niet voldoen door gedaagde aan de sommatie tot nakoming, zoals bepaald in artikel 10.3 van de overeenkomst. De vordering tot betaling van deze boete (ad EUR 99.600,--) zal dan ook worden toegewezen. In het licht van het voorgaande komt de gevorderde contractuele boete wegens ontbinding (ad EUR 84.000,--) de rechtbank ongegrond voor. De vordering zal dan ook in zoverre worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.3.	Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:92 lid 2 BW treedt hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is, in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet. Dit wordt niet anders door de vermelding “onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding” in  artikel 10.3 van de koopovereenkomst (vgl. rechtbank Zwolle 9 maart 2005, LJN AU0646 en rechtbank Zutphen 9 mei 2007, LJN BB2714). Nu eisers niet hebben gesteld dat de hen op grond van de wet toekomende schadevergoeding, waaronder de vergoeding wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten, hoger is dan de gevorderde boete, dienen de vordering tot vergoeding van aanvullende schade ad EUR 77.800,00, alsmede de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad EUR 2.842,00 als ongegrond te worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2.4.	Het gevorderde komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5.	Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	EUR                  96,26</para>
      <para>- overige explootkosten	0,00</para>
      <para>- vast recht	                      4.938,00</para>
      <para>- getuigenkosten	0,00</para>
      <para>- deskundigen		0,00</para>
      <para>- overige kosten		0,00</para>
      <para>- salaris advocaat                   2.000,00 (1,0 punt × tarief EUR 2.000,00)</para>
      <para>Totaal	EUR             7.034,26</para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <para>3.	De beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <para>3.1.	verklaart voor recht dat gedaagde gehouden is aan eisers de contractuele boete van EUR 99.600,00 te betalen,</para>
    <para />
    <para>3.2.	veroordeelt gedaagde om aan eisers te betalen een bedrag van EUR 99.600,00 (negenennegentig duizendzeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2009 tot de dag van volledige betaling,</para>
    <para />
    <para>3.3.	veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op EUR 7.034,26,</para>
    <para />
    <para>3.4.	verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van het onder 3.1. bepaalde,</para>
    <para />
    <para>3.5.	wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    <para />
    <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2010.?</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>