<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0624</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:33:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BL0624</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-01-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">264357 / HA ZA 09-693</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291">Burgerlijk Wetboek Boek 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291&amp;artikel=302">Burgerlijk Wetboek Boek 3 302</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005291&amp;artikel=303">Burgerlijk Wetboek Boek 3 303</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>KWEP 2010/9</rdf:li>
          <rdf:li>JIN 2010/228</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0624">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0624</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:48:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0624 Rechtbank Utrecht , 06-01-2010 / 264357 / HA ZA 09-693</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0624:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verklaring van recht gevorderd dat de koop van de woning van moeder aan één van haar dochters en diens partner een schenking van 2x EUR 65.000,- inhoudt afgewezenn nu eiseres / een andere dochter van moeder niet als onmiddelijk betrokkene bij de schenking als bedoeld in art. 3:302 BW kan worden aangemerkt en tijdens het leven van moeder geen belang aan de zijde van de eisende dochter bestaat als bedoeld.</para>
        <para>Ook reduceren van bewijsrisico's is geen rechtens te respecteren belang.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0624:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>vonnis </para>
      <para>RECHTBANK UTRECHT</para>
      <para>264357 / HA ZA 09-6936 januari 2010</para>
      <para>Sector handels- en familierecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 264357 / HA ZA 09-693</para>
    <para />
    <para>Vonnis van 6 januari 2010</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat: mr. P.J. Polderman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [gedaagde sub 1],</para>
      <para>2. [gedaagde sub 2],</para>
      <para>3. [gedaagde sub 3],</para>
      <para>allen wonende te [woonplaats],</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat: mr. R.V.C.F. Dingemans.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna respectievelijk [eiseres], [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk als [gedaagden] worden aangeduid.</para>
    <para />
    <para>1. De procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>• het tussenvonnis van 27 mei 2009;</para>
      <para>• het proces-verbaal van comparitie van 6 november 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De feiten</para>
      <para>2.1. [gedaagde sub 1] is de moeder van [eiseres] en van [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 3] is de levenspartner van [gedaagde sub 2].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2. Bij koopovereenkomst van 5 juni 2008 heeft [gedaagde sub 1] haar woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning) aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verkocht tegen een koopprijs van EUR 260.000,--. De woning heeft [gedaagde sub 1] op 12 juni 2008 aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] geleverd. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning geworden.</para>
    <para />
    <para>3. Het geschil</para>
    <para />
    <para>3.1. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, een verklaring van recht dat de overdracht van de woning een schenking inhoudt van EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 2] en EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 3], althans dat sprake is geweest van een schenking die de rechtbank meer redelijk acht.</para>
    <para />
    <para>3.2. [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.</para>
    <para />
    <para>3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
    <para />
    <para>4. De beoordeling</para>
    <para />
    <para>4.1. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde sub 1] de woning voor EUR 260.000,-- aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] heeft verkocht, terwijl de woning ten tijde van de levering een waarde had van EUR 390.000,--. Het verschil tussen voormelde bedragen moet als een schenking worden aangemerkt, en wel als een schenking van EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 2] en een schenking van EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 3]. Met het oog op de bepaling van haar legitieme portie waarop zij ná het overlijden van [gedaagde sub 1] recht heeft, wenst [eiseres] reeds thans in rechte vastgesteld te zien dat door de verkoop van de woning bedragen aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn geschonken. Tevens wenst zij haar bewijsrisico's ter zake van de stelling dat de woning ten tijde van de overdracht een waarde had van EUR 390.000,--, te reduceren door thans een verklaring van recht te vorderen en niet te wachten tot ná het overlijden van [gedaagde sub 1]. Een en ander levert volgens [eiseres] een procesbelang in de zin van artikel 3:303 BW op.</para>
    <para />
    <para>4.2. De rechtbank stelt voorop dat de gevorderde verklaring van recht ziet op een gestelde rechtsverhouding die [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn aangegaan, te weten een schenking, waarbij [eiseres] geen partij is. Zij kan derhalve niet als een onmiddellijk bij deze rechtsverhouding betrokken persoon als bedoeld in de zin van artikel 3:302 BW worden aangemerkt. </para>
    <para />
    <para>4.3. Ook het belang als bedoeld in artikel 3:303 BW ontbreekt aan de zijde van [eiseres]. Immers, [eiseres] zal ter zake van haar legitieme portie eerst een vorderingsrecht jegens de erfgenamen van [gedaagde sub 1] verkrijgen, nadat [gedaagde sub 1] is overleden. Hoewel aangenomen kan worden dat [gedaagde sub 1] op enig moment zal overlijden, is niet zeker dat [gedaagde sub 1] eerder overlijdt dan [eiseres]. In het geval [eiseres] vóór [gedaagde sub 1] overlijdt, zal [eiseres] nimmer een vorderingsrecht jegens de erfgenamen verkrijgen. Er is dus geen sprake van een (zekere) toekomstige vordering op de erfgenamen van [gedaagde sub 1] Zolang de denkbeeldige situatie waarin [gedaagde sub 1] vóór [eiseres] overlijdt nog geen werkelijkheid is geworden, heeft [eiseres] geen reëel belang bij de gevorderde verklaring van recht. Daarbij is van belang dat een ná het overlijden van [gedaagde sub 1] ontstaan vorderingsrecht jegens de erfgenamen van [gedaagde sub 1] onder algemene titel overgaat op de erfgenamen c.q. de afstammelingen van [eiseres] in het geval dat [eiseres] vóór [gedaagde sub 1] komt te overlijden, levert geen belang aan de zijde van [eiseres] op maar aan de zijde van haar afstammelingen die in deze procedure geen partij zijn. </para>
    <para />
    <para>4.4. Het belang om de bewijsrisico's ter zake van de stelling dat de woning ten tijde van de overdracht een waarde had van EUR 390.000,--, te reduceren door thans de onderhavige verklaring van recht te vorderen, is een van de ingestelde vordering afgeleid belang en deelt om die reden hetzelfde lot. </para>
    <para />
    <para>4.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering moet worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>4.6. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
    <para />
    <para>5. De beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <para>5.1. wijst de vordering af,</para>
    <para />
    <para>5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2010.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>