<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8063</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-26T21:02:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BK8063</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SBR 09-2833 </psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8063">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8063</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:42:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8063 Rechtbank Utrecht , 01-12-2009 / SBR 09-2833 </dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8063:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo. Toegewezen. WWB. 1F tegengeworpen en ongewenst verklaard. verblijfstitel ingetrokken. Ongewenstverklaring staat nog niet in rechte vast. 3 EVRM.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8063:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK UTRECHT</para>
      <para>Sector bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>zaaknummer: SBR 09/2833</para>
    <para />
    <para />
    <para>uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2009 </para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verzoeker 1] en [verzoeker 2],</para>
      <para>wonende te [woonplaats], </para>
      <para>verzoekers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, </para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Inleiding</para>
      <para>1.1 Het verzoek heeft betrekking op verweerders besluit van 1 oktober 2009 waarbij het bezwaar van eisers tegen het besluit van 17 maart 2008 ongegrond is verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is de uitkering die eisers op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvingen met ingang van 1april 2008 beëindigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2 Het verzoek is op 13 november 2009 ter zitting behandeld, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [X], werkzaam bij de gemeente Baarn. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen</para>
      <para>2.1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet bij haar beslissing in een eventueel hierop volgende bodemprocedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2 Verweerder heeft de bijstandsuitkering van verzoekers beëindigd omdat zij niet meer over een verblijfstitel beschikken en dus niet langer rechtmatig in Nederland verblijven. Aan verzoekers is in 1995 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend en met ingang van 1 april 2001 is aan hen een asielvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Op 9 juni 2004 heeft de toenmalige minister voor vreemdelingenzaken en integratie de vergunning van verzoekers ingetrokken, omdat hen artikel 1(F ) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Na gegrond verklaring van de tegen die besluiten ingediende beroepen en vernietiging van die besluiten heeft verweerder vervolgens op 30 november 2006 de verblijfsvergunningen wederom ingetrokken. De beroepen die verzoekers hiertegen ingesteld hebben zijn op 20 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Dit heeft tot gevolg dat verzoekers niet meer rechtmatig in Nederland verblijven. Daarnaast zijn verzoekers op 30 november 2006 op grond van artikel 67, eerste lid, aanheft en onder e, van de Vw ongewenst verklaard. In de procedure tegen de ongewenstverklaring moet nog worden beslist op de beroepen. </para>
    <para />
    <para>2.3 Tegen de intrekking van de bijstandsuitkering bij besluit van 18 maart 2008 hebben verzoekers bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 16 april 2008, geregistreerd onder SBR 08/967, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen, omdat de situatie waarin verzoekers verkeerden, namelijk zonder enige inkomsten om in hun eigen onderhoud te voorzien en een daarmee gepaard gaande dreigende verwijdering uit hun woning, onaanvaardbaar is, zolang niet in rechte is komen vast te staan dat de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag rechtmatig is. In het kader van de toets aan internationale verplichtingen is de voorzieningenrechter in die uitspraak tot het voorlopige oordeel gekomen dat de situatie van verzoekers elementen bevat die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat sprake is van een behandeling in strijd met artikel 3, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.   </para>
    <para />
    <para>2.4 In het nu bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard en zijn beslissing van 18 maart 2008 gehandhaafd. De voorzieningenrechter constateert dat de situatie van verzoekers op dit moment niet verschilt van de situatie zoals die is weergegeven in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2008. Verweerder heeft in dat kader aangevoerd dat er inmiddels een beslissing is genomen op de bezwaren van verzoekers tegen de besluiten tot ongewenstverklaring. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, nu met deze besluiten de ongewenstverklaringen zijn gehandhaafd en verzoekers hiertegen beroep hebben ingesteld de situatie niet wezenlijk is veranderd, want nog steeds is niet in rechte komen vast te staan dat de tegenwerping aan verzoekers van artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag rechtmatig is. Dat betekent dat verweerder, evenals ten tijde van de beslissing van 18 maart 2008 het geval was, ook in de huidige situatie niet anders heeft kunnen besluiten dan dat de verblijfsstatus van verzoekers er niet toe leidt dat zij op grond van artikel 11 van de WWB tot de kring personen behoren die recht hebben op een bijstandsuitkering en dat verweerder, gelet op de nationale regelgeving, terecht de bijstandsuitkering van verzoekers heeft beëindigd. Ook betekent dat, dat  er nog steeds sprake is van een situatie waarin schending van artikel 3, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dreigt. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om op dit moment anders te oordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan in de uitspraak van 16 april 2008 en maakt dat oordeel tot het hare. </para>
    <para />
    <para>2.5 Nu voor de beoordeling van het beroep van verzoekers de uitkomst van hun lopende vreemdelingrechtelijke procedures van belang kan zijn, sluit de voorzieningenrechter niet uit dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om toepassing te geven aan 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en doet daarom niet onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. </para>
    <para />
    <para>2.6 De voorzieningenrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om het besluit van verweerder van 1 oktober 2009  te schorsen tot vier weken na bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank op verzoekers beroep tegen de ongewenstverklaring dan wel tot de dag van bekendmaking van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een eventueel hoger beroep tegen die uitspraak, en de voorlopige voorziening te treffen dat verweerder verzoekers tot zolang hun uitkering dient door te betalen.  </para>
    <para />
    <para>2.7 Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Omdat aan verzoekers een toevoeging is verleend moet de betaling van dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb plaatsvinden aan de griffier.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
      <para>De voorzieningenrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.1	wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;</para>
    <para />
    <para>3.2	schorst het besluit van verweerder van 1 oktober 2009 tot vier weken na bekendmaking van de uitspraak van de rechtbank op het beroep van verzoekers tegen de ongewenstverklaring dan wel tot de dag van bekendmaking van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op een eventueel hoger beroep tegen die uitspraak, en treft de voorlopige voorziening dat verweerder verzoekers tot zolang de uitkering  dient door te betalen;</para>
    <para />
    <para>3.3	veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank;</para>
    <para />
    <para>3.4	bepaalt dat de griffier van de rechtbank het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- aan hen terugbetaalt.</para>
    <para />
    <para>Aldus vastgesteld door mr. M. ter Brugge en in het openbaar uitgesproken op                         1 december 2009.</para>
    <para />
    <para>De griffier:					De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>mr. G. Delissen					mr. M. ter Brugge</para>
    <para> 						 </para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel</para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>