<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4828</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T16:44:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4828</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Awb 99/1281 VV 99/73 en 99/1848</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:25&amp;g=1999-09-17">Algemene wet bestuursrecht 7:25</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002155&amp;artikel=13&amp;g=1999-09-17">Jachtwet 13</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002155&amp;artikel=15&amp;g=1999-09-17">Jachtwet 15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002155&amp;artikel=15&amp;g=1999-09-17">Jachtwet 15</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4828">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4828</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4828 Rechtbank Utrecht , 17-09-1999 / Awb 99/1281 VV 99/73 en 99/1848</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4828:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA4828:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT sector bestuursrecht </para>
    <para />
    <para>nrs. Awb 99/1281 VV, 99/73 en 99/1848 </para>
    <para />
    <para>Uitspraak van de president van de rechtbank te Utrecht op het verzoek om een  voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in de geschillen tussen: </para>
    <para />
    <para>- in de zaak met de nrs. Awb 99/1281 VV en 99/1848: </para>
    <para />
    <para>A, wonende te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de korpschef van de politie regio Utrecht, verweerder, </para>
    <para />
    <para>- en - </para>
    <para />
    <para>- in de zaak met nr. Awb 99/73: </para>
    <para />
    <para>de korpschef van de politieregio Utrecht, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Minister van Justitie, verweerder. </para>
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna worden aangeduid als "A", "de korpschef" en "de  Minister". </para>
    <para />
    <para>1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 27 november 1997 heeft de korpschef op grond van artikel 13,  tweede lid, onder c, van de Jachtwet (Jw) geweigerd om A een door hem op 21  november 1997 aangevraagde jachtakte te verlenen .</para>
    <para />
    <para>Tegen dit besluit is door A op 16 december 1997 administratief beroep  ingesteld bij de Minister.   Bij besluit van 7 december 1998 heeft de Minister het beroep gegrond verklaard  en het besluit van de korpschef vernietigd, met aanwijzing aan de korpschef om, met  inachtneming van de inhoud van de beschikking van de Minister, een nieuw besluit te  nemen.</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 12 januari 1999, genomen ter uitvoering van het besluit van de  minister, heeft de korpschef op grond van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Jw  opnieuw geweigerd A de door hem aangevraagde jachtakte te verlenen.</para>
    <para />
    <para>Tegen dit besluit is door A op 16 februari 1999 administratief beroep  ingesteld bij de Minister.</para>
    <para />
    <para>De korpschef heeft op 11 januari 1999 bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen  de beslissing van de Minister van 7 december 1998 (nr. Awb 99/73).</para>
    <para />
    <para>Namens A is bij brief van 25 juni 1999 een verzoek om een voorlopige  voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)  ingediend bij de president van de rechtbank (nr. Awb 99/1281 VV).</para>
    <para />
    <para>Het verzoek is op 8 september 1999 ter zitting behandeld. A, die niet in  persoon is verschenen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr J.M.C. Wessels,  advocaat te Zwijndrecht. Namens de korpschef zijn mr D.E. Blonk en G.B.A. van der  Wulp verschenen. De minister heeft zich doen vertegenwoordigen door J. van den  Broek, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie. </para>
    <para />
    <para>2. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank  beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank,  bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de  rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige  voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat  vereist.</para>
    <para />
    <para>2.2 Uit het bepaalde in artikel 6:18 van de Awb volgt dat het aanhangig zijn van  bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering brengt in een los van het  bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking en wijziging van dat  besluit. Artikel 6:19 van de Awb bepaalt dat indien een bestuursorgaan een besluit als  bedoeld in artikel 6:18 heeft genomen, het bezwaar of beroep in beginsel wordt  geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit.</para>
    <para />
    <para>2.3 Naar analogie van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de  Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 1996, AB 1997, nr.  68) en de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart  1998, AB 1996, nr. 341) wordt het besluit van de korpschef van 12 januari 1999 - dat  genomen is ter uitvoering van en bedoeld is in de plaats te treden van het besluit van  de Minister van 7 december 1998, waartegen beroep bij deze rechtbank aanhangig is  - aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 Awb. Gelet op artikel 6:19 van  de Awb wordt vastgesteld dat het besluit van de korpschef van 12 januari 1999 deel  uitmaakt van de hiervoor vermelde bij de rechtbank aanhangige bodemprocedure en  in dat kader in beginsel door de rechtbank wordt getoetst (nr. Awb 99/1848).</para>
    <para />
    <para>2.4 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening geacht  wordt te zijn gedaan in het stadium dat de bodemprocedure, welke betrekking heeft  op zowel het besluit van de Minister van 7 december 1998 als het besluit van de  korpschef van 12 januari 1999, bij de rechtbank aanhangig is. 2.5 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een  voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de  president van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan  bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de  hoofdzaak. Gelet op de ter zitting gebleken uitdrukkelijke instemming van alle partijen zal hiertoe  worden overgegaan, ondanks het feit dat, door het ontbreken van een daartoe  strekkende verwijzing op de uitnodiging voor zitting, in casu niet aan het vereiste van  artikel 8:86 tweede lid is voldaan.</para>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het beroep:</para>
    <para />
    <para>- het besluit van 12 januari 1999 van de korpschef (nr. Awb 99/1848). </para>
    <para />
    <para>2.6 De korpschef heeft aan zijn oorspronkelijke weigering de jachtakte te verlenen ten  grondslag gelegd: dat A zich schuldig heeft gemaakt aan het afschieten van een edelhert  zonder een daartoe strekkende vergunning en met een voor de jacht op grofwild niet  toegestaan kaliber; b. dat A bij de aanvraag van de jachtakte onjuiste gegevens  heeft verstrekt met betrekking tot het kaliber van een geweer.</para>
    <para />
    <para>2.7 Zoals onder 1.3. weergegeven heeft de Minister bij beschikking van 7 december  1998 het administratief beroep van A tegen de weigering van de korpschef om  hem een jachtakte te verlenen gegrond verklaard.  Daartoe heeft de Minister ten aanzien van de eerste weigeringsgrond onder meer het  navolgende overwogen: "Uit de mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat appellant (de president:  A) op 3 oktober 1997 door de kantonrechter te Wageningen, conform de eis  van de officier van justitie, is vrijgesproken van de verdenking het bepaalde in artikel  26, eerste lid, onder a, van de Jachtwet te hebben overtreden. (...) Nu zowel de officier van justitie als de kantonrechter van mening zijn dat niet is vast  komen te staan dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het schieten van het  edelhert, ben ik van mening dat niet langer mag worden geconcludeerd dat appellant  misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om te jagen." Met betrekking tot de tweede weigeringsgrond overwoog de Minister onder meer: "...ik [ben] van mening dat de op appellants jachtakte foutief vermelde omschrijving  van het wapen niet in de eerste plaats aan appellant kan worden toegerekend maar  mede te wijten is aan de onzorgvuldigheid van de desbetreffende ambtenaar. Mede  gelet op het feit dat het wapen, nadat het onklaar werd gemaakt, weer aan appellant  is teruggegeven ben ik van mening dat de foutieve vermelding niet tot de conclusie  kan leiden dat aan appellant het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie niet  kan worden toevertrouwd." De minister concludeert vervolgens: "Mij is niet gebleken van andere feiten of  omstandigheden die het aan appellant verlenen van een jachtakte nog langer in de  weg staan." </para>
    <para />
    <para>2.8 In artikel 7:25 Awb is bepaald dat, voor zover een beroepsorgaan een ingesteld  administratief beroep gegrond acht, zij het bestreden besluit vernietigt en voor zover  nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit neemt.</para>
    <para />
    <para>2.9 Uit het bepaalde in artikel 15, vierde en eerste lid, van de Jw blijkt, dat indien een  administratief beroep tegen de weigering een jachtakte te verlenen gegrond wordt  verklaard, de korpschef alsnog de jachtakte dient te verlenen binnen de door de  Minister van Justitie bij zijn beschikking gestelde termijn.</para>
    <para />
    <para>2.10 Er bestond voor de Minister geen noodzaak tot het nemen van een nieuw besluit  als bedoeld in artikel 7:25 Awb in die zin dat hij feitelijk de jachtakte zou verlenen, nu  uit artikel 15, vierde lid, van de Jw blijkt dat de korpschef daartoe wordt verplicht. Uit  het bepaalde in dit artikellid blijkt eveneens dat het de korpschef wettelijk gezien niet  vrij staat om, in geval de Minister het bestreden besluit op inhoudelijke gronden  vernietigt, van dit oordeel van de Minister af te wijken door de jachtakte alsnog te  weigeren.</para>
    <para />
    <para>2.11 Hoewel de Minister in zijn dictum mogelijk niet geheel duidelijk is geweest en hij  verzuimd heeft de in artikel 15, vierde lid, van de Jw genoemde termijn te stellen  waarbinnen de korpschef de jachtakte moest verlenen, blijkt uit de inhoud van het  besluit zonder meer dat de Minister van oordeel is dat de korpschef A de door  hem aangevraagde jachtakte dient te verlenen. Onder die omstandigheden had de  korpschef A de gevraagde jachtakte ook feitelijk moeten verlenen. Indien de  korpschef zich op inhoudelijke gronden niet met het oordeel van de Minister kan  verenigen - zoals hier het geval is - en hij zijn bedenkingen van zo groot gewicht acht  dat hij de jachtakte niet wenst te verlenen in afwachting van de uitspraak van de  rechtbank op zijn beroep, had hij op grond van artikel 8:81 van de Awb aan de  president van de rechtbank kunnen vragen hem bij wijze van voorlopige voorziening  te ontheffen van de uit artikel 15, vierde lid, van de Jachtwet voortvloeiende  verplichting. Dat heeft de korpschef echter niet gedaan.  </para>
    <para />
    <para>2.12 De korpschef heeft, door in afwijking van de aanwijzingen van de Minister,  opnieuw te weigeren A een jachtakte te verlenen, gehandeld in strijd met een  op hem rustende wettelijke verplichting. Reeds om die reden kan het besluit van de  korpschef van 12 januari 1999 in rechte geen stand houden en komt het voor  vernietiging in aanmerking.</para>
    <para />
    <para>- het besluit van 7 december 1998 van de Minister (nr. Awb 99/73).</para>
    <para />
    <para>2.13 De korpschef legt aan zijn beroep tegen de beschikking van de Minister het  volgende ten grondslag: a. de beschikking verhoudt zich niet met een eerdere beschikking van de Minister van  15 april 1997, waarbij een eerder administratief beroep van A tegen de  korpschef ongegrond verklaard. Dit beroep was gericht tegen het besluit van de  korpschef van 29 juni 1996, inhoudende de intrekking van A' jachtakte voor het  seizoen 1996/1997; b. De minister miskent in zijn beschikking de rechtskracht van een uitspraak van deze  rechtbank van 15 juli 1998 (reg.nr. 97/1809). Onderwerp van geschil in deze zaak  was de hierboven vermelde ongegrondverklaring door de Minister van het door  A ingestelde administratief beroep. </para>
    <para />
    <para>2.14 In de eerste plaats wordt overwogen dat de beschikking van 15 april 1997 en de  uitspraak van de rechtbank van 15 juli 1998 beide betrekking hadden op de intrekking  van de jachtakte voor het seizoen 1996/1997, terwijl thans de weigering een jachtakte  voor een nieuw jachtseizoen te verstrekken ter beoordeling staat. Hoewel aan de  weigering van de korpschef aan A een nieuwe jachtakte te verlenen (besluit  van 27 november 1997) hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als dat  waarop destijds de intrekking van de jachtakte was gebaseerd, diende de Minister in  zijn beslissing op het tegen het besluit van de korpschef ingesteld administratief  beroep tevens alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken die zich ná de  intrekking van de jachtakte en de beschikking van 15 april 1997 hebben voorgedaan.  Het staat de Minister in beginsel ook vrij om in het licht van deze nieuwe feiten en  omstandigheden tot een andere waardering te komen van de feiten die hij in het  kader van een eerder besluit aannemelijk of juist heeft geacht.</para>
    <para />
    <para>2.15 Sinds de ongegrondverklaring van 15 april 1997 hebben zich nieuwe  omstandigheden voorgedaan op grond waarvan de Minister blijkens zijn beschikking  van 7 december 1998 tot een andere afweging is gekomen. Deze omstandigheden  betreffen het feit dat A op 3 oktober 1997 op vordering van de officier van  justitie is vrijgesproken door de kantonrechter te Wageningen en het gegeven dat het  jachtgeweer waarover door A foutieve gegevens waren verstrekt, onklaar is  gemaakt en aan A is teruggegeven.</para>
    <para />
    <para>2.16 Ondanks inspanningen van alle betrokken partijen, zijn omtrent de strafzitting bij  de kantonrechter geen nadere schriftelijke stukken gevonden. Uit het namens  A ingediende verzoekschrift ten behoeve van het verzoek om een voorlopige  voorziening blijkt evenwel dat op de kantonrechterszitting uitvoerig onderzoek heeft  plaatsgevonden, waarbij onder meer de betrouwbaarheid van de processen-verbaal  aan de orde is geweest. Het betreft dezelfde processen-verbaal die ook in de  besluitvorming rond de intrekking en weigering van de jachtakte een beslissende rol  hebben gespeeld. In het kader van de strafzitting is de opsporingsambtenaar die  voornoemde processen-verbaal heeft opgesteld als getuige opgeroepen. Naar  aanleiding daarvan heeft de officier van justitie, ondanks de aanwezigheid van  ambtsedig opgemaakte stukken, tot vrijspraak gerequireerd, welke vordering door de  kantonrechter is gevolgd.</para>
    <para />
    <para>2.17 De Minister heeft blijkens zijn besluit in de gang van zaken bij de kantonrechter  aanleiding gezien om, in tegenstelling tot in zijn besluit van 15 april 1997, te oordelen  dat de inhoud van de processen-verbaal in de beoordeling van de vraag of A  over een jachtakte mag beschikken niet langer een doorslaggevende rol (kunnen)  spelen. Er is geen, althans onvoldoende grond om te oordelen dat de Minister dit in  redelijkheid niet mocht doen. </para>
    <para />
    <para>2.18 Met betrekking tot het jachtgeweer heeft de Minister in de ongegrondverklaring  van 15 april 1997 overwogen dat A aan het feit dat het jachtgeweer door een  administratieve vergissing foutief op de jachtakte stond vermeld niet de verwachting  kon ontlenen dat dit hem in het kader van de intrekking van de jachtakte niet zou  worden aangerekend. In zijn beslissing van 7 december 1998 die betrekking heeft op  de verlening van een nieuwe jachtakte, komt de Minister, anders dan de korpschef  meent, niet terug op zijn eerdere beschikking, maar overweegt dat de foutieve  vermelding, juist met het oog op het feit dat deze het gevolg is van een  administratieve vergissing, niet aan de verlening van een nieuwe jachtakte aan de  weg kan staan, mede gezien het feit dat het betreffende geweer nadat het onklaar is  gemaakt, aan A is teruggegeven. </para>
    <para />
    <para>2.19 In zijn uitspraak omtrent de ongegrondverklaring van 15 april 1997 heeft deze  rechtbank geoordeeld dat de Minister op grond van de ten tijde van de  ongegrondverklaring bekende feiten en omstandigheden terecht en op goede  gronden tot zijn besluit heeft kunnen komen. De overweging van de rechtbank dat de  vrijspraak door de kantonrechter daar niet aan af doet, wordt aldus verstaan, dat het  vonnis van de kantonrechter, dat immers eerst op 3 oktober 1997 is uitgesproken,  een omstandigheid is die ten tijde van de ongegrondverklaring nog niet aan de orde  was, zodat deze omstandigheid in de beoordeling door de Minister nog geen rol heeft  kunnen spelen. Daarnaast kan daarin worden gelezen dat de rechtbank het in de  jurisprudentie vastgelegde standpunt onderschrijft dat een vonnis van de strafrechter  op zichzelf geen beslissende betekenis behoeft te hebben voor de houdbaarheid van  een door een bestuursorgaan genomen besluit op basis van hetzelfde feitencomplex.  Een verbod om wel rekening te houden met een dergelijk vonnis en de achtergrond  daarvan kan hier echter niet uit worden afgeleid. Van miskenning van de rechtskracht  van deze uitspraak van deze rechtbank door de Minister is derhalve geen sprake.</para>
    <para />
    <para>2.20 Gezien het hierboven overwogene kan niet worden geoordeeld dat de Minister  niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Aangezien ook overigens geen  aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven,  wordt het beroep ongegrond verklaard. Onder deze omstandigheden wordt geen  aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>2.21 Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen zal, onder toepassing van het  bepaalde in artikel 8:72 van de Awb, vierde en vijfde lid en met verwijzing naar artikel  7:25 van de Awb in samenhang met artikel 15, vierde lid, van de Jw, de korpschef  worden opgedragen binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen,  inhoudende de verlening van een jachtakte aan A voor het seizoen 1999/2000.</para>
    <para />
    <para>2.22 Gezien het vorenoverwogene is er geen aanleiding om de Minister in de  proceskosten te veroordelen.</para>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (nr. Awb 99/1281  VV):</para>
    <para />
    <para>2.23 Gezien de beslissing in de hoofdzaak bestaat thans geen noodzaak meer tot het  treffen van een voorlopige voorziening. </para>
    <para />
    <para>2.24 Gelet op het in de hoofdzaak overwogene worden termen aanwezig geacht om  de korpschef te veroordelen in de proceskosten die A in verband met de  behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met  toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op fl. 1420,00 aan  verleende rechtsbijstand.</para>
    <para />
    <para>2.25 Derhalve wordt beslist als volgt. </para>
    <para />
    <para>3. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De president:</para>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het beroep van de korpschef tegen het besluit van de Minister  van 7 december 1998 (nr. Awb 99/73):</para>
    <para />
    <para>3.1	verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het beroep van A tegen het besluit van de korpschef  van 12 januari 1999 (nr. Awb 99/1848):</para>
    <para />
    <para>3.2	verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>vernietigt het besluit van de korpschef van 12 januari 1999, kenmerk 98/ui  1975;</para>
    <para />
    <para>bepaalt dat de korpschef uiterlijk 8 oktober 1999 aan A een jachtakte  verstrekt voor het seizoen 1999/2000 onder de gebruikelijke voorwaarden;</para>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (nr. Awb 99/1281  VV):</para>
    <para />
    <para>3.5	wijst het verzoek af;</para>
    <para />
    <para>bepaalt dat de politie regio Utrecht de door A gemaakt proceskosten  ad ¦ 1420,00 aan hem vergoedt;</para>
    <para />
    <para>3.7	bepaalt dat de politie regio Utrecht het door A betaalde griffierecht ad  ¦ 225,00 aan hem vergoedt.</para>
    <para />
    <para>Aldus gewezen door mr D.A.C. Slump, fungerend president, en in het openbaar  uitgesproken op 17 september 1999.</para>
    <para />
    <para>De griffier:	De president: </para>
    <para />
    <para>mr M.G. Vreugdenhil	mr D.A.C. Slump</para>
    <para />
    <para>Uitsluitend tegen de beslissingen op het beroep kan op grond van artikel 37, eerste  lid, van de Wet op de Raad van State door belanghebbenden beroep worden  ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,  2500 EA Den Haag. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking  van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>