<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3732</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3732</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-08-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1809 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3732">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3732</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3732 Rechtbank Utrecht , 24-08-1999 / 98/1809 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3732:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>1. Opleggen boete is vervolging van strafbaar feit a.b.i. art. 15.1  IVBPR (zie vglbaar NA 1999, 431)</para>
        <para>2. Verplichting om reïntegratieplan in te dienen bij uitvoeringsorgaan.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3732:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>434 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT</para>
    <para />
    <para>Reg. nr: 98/1809 WAO</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige</para>
      <para>kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding</para>
      <para>tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Stichting A te B, eiseres</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv),</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam, verweerder</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 juli 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiseres</para>
      <para>tegen het besluit van 4 maart 1998, waarbij aan eiseres een boete van f</para>
      <para>500,- is opgelegd wegens het niet tijdig indienen van een reïntegratieplan</para>
      <para>ten behoeve van C, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is tegen dat besluit op 21 augustus 1998 beroep bij deze</para>
      <para>rechtbank ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend op 23</para>
      <para>september 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 26 oktober 1998 de op de zaak betrekking hebbende</para>
      <para>stukken en een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens eiseres zijn op 12 mei 1999 nog stukken overgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is gevoegd behandeld met de gedingen met de</para>
      <para>registratienummers 98/1487 WAO, 98/1895 WAO, 98/1492 WAO,</para>
      <para>98/2529 WAO en 98/1808 ZW behandeld ter zitting van 28 mei 1999,</para>
      <para>waar eiseres, daartoe ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, is</para>
      <para>verschenen bij mr A.C.M. van de Molen, directiesecretaris bij Commit</para>
      <para>Arbo B.V. te De Meern. Verweerder heeft zich, daartoe eveneens</para>
      <para>ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr A.J.G. Lindeman, juridisch medewerker bij het districtskantoor te</para>
      <para>Utrecht van GAK Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <para>Feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>C, werkneemster van eiseres, is op 29 september 1997</para>
      <para>ongeschikt geworden tot het verrichten van haar arbeid. Door Commit</para>
      <para>Arbo, de arbodienst van eiseres is een reïntegratieplan gezonden naar</para>
      <para>Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.. Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.</para>
      <para>heeft het reïntegratieplan doorgezonden naar GAK Nederland B.V., waar</para>
      <para>het op 15 januari 1998 is ontvangen.</para>
      <para>Op het reïntegratieplan zijn de volgende stempels geplaatst:</para>
      <para>- Ingekomen 31 dec 1997 P + P LOG;</para>
      <para>- Ingebracht 16 jan 1998;</para>
      <para>- Cadans gegevens Logistiek (0?) jan 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 26 januari 1998 aan eiseres meegedeeld</para>
      <para>dat het reïntegratieplan niet tijdig is ontvangen, dat verweerder daarom</para>
      <para>verplicht is een boete op te leggen van f 500,- en dat van een boete kan</para>
      <para>worden afgezien wanneer eiseres een deugdelijke grond kan aanvoeren</para>
      <para>voor het niet tijdig indienen van het reïntegratieplan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 5 februari 1998 is door Commit Arbo namens eiseres</para>
      <para>meegedeeld dat in de publicatie van GAK Nederland B.V. betreffende de</para>
      <para>reïntegratieplannen staat dat een reïntegratieplan dient te worden</para>
      <para>ingezonden op de eerste dag van de veertiende week van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid en dat Commit Arbo op</para>
      <para>22 december 1997 het reïntegratieplan aan GAK Nederland B.V. heeft</para>
      <para>gestuurd, zodat aan de verplichting ingevolge artikel 38 van de Ziektewet</para>
      <para>(ZW) is voldaan. Commit Arbo heeft aangegeven dat sprake is van een</para>
      <para>tijdige indiening van het reïntegratieplan althans van een deugdelijke</para>
      <para>grond voor het niet tijdig indienen ervan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door GAK Nederland B.V. is bij brief van 5 februari 1998 aan Commit</para>
      <para>Arbo meegedeeld dat in de berichtgeving aan de werkgevers als uiterste</para>
      <para>inzenddatum voor het reïntegratieplan is genoemd de eerste dag nadat de</para>
      <para>arbeidsongeschikt-heid dertien weken heeft geduurd.</para>
      <para>Voorts heeft GAK Nederland B.V. bij die brief aangegeven dat hij geen</para>
      <para>beleidsruimte heeft om af te zien van de boeteregelingen. Van een boete</para>
      <para>kan alleen worden afgezien als sprake is van een deugdelijke grond of</para>
      <para>een dringende reden en uit de brief van 5 februari 1998 van Commit Arbo</para>
      <para>kan niet worden opgemaakt dat hiervan sprake is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 maart 1998 heeft verweerder aan eiseres een boete van f</para>
      <para>500,- opgelegd en aangegeven dat dit bedrag binnen 6 weken na</para>
      <para>dagtekening van dat besluit moet zijn voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens eiseres is tegen dit besluit op 8 april 1998 bezwaar gemaakt.</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <para>Standpunten van partijen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is in beroep onder meer het volgende aangevoerd.</para>
      <para>- Het reïntegratieplan is op 17 december 1997, derhalve tijdig, naar</para>
      <para>Cadans Uitvoeringsinstelling verzonden en is daar waarschijnlijk in</para>
      <para>verband met de feestdagen blijven liggen, zodat het eerst op 5 januari</para>
      <para>1998 bij GAK Nederland B.V. is ingekomen.</para>
      <para>- Artikel 71a van de WAO is niet overtreden, nu dit artikel alleen</para>
      <para>verplicht tot het indienen van een reïntegratieplan gelijktijdig met de</para>
      <para>aangifte van arbeidsongeschiktheid en niet tot het indienen van dat plan</para>
      <para>binnen de termijn als genoemd in artikel 38, eerste lid, van de ZW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder stelt zich onder meer op het standpunt dat het</para>
      <para>reïntegratieplan 17 dagen te laat is ingediend. Verweerder acht in dit</para>
      <para>verband doorslaggevend de datum van ontvangst door GAK Nederland</para>
      <para>B.V. en niet de datum van ontvangst door Cadans Uitvoeringsinstelling</para>
      <para>B.V.</para>
      <para>Aangezien het reïntegratieplan uiterlijk op 29 december 1997 ingediend</para>
      <para>had moeten zijn, is volgens verweerder artikel 71a van de WAO, zoals dit</para>
      <para>luidde tot 31 december 1997 (hierna: artikel 71a (oud) van de WAO),</para>
      <para>overtreden. Voorts is het beleid dat GAK Nederland B.V. voerde van 26</para>
      <para>november 1997 tot 31 december 1997, inhoudende dat bij een</para>
      <para>termijnoverschrijding van niet meer dan 10 dagen geen boete werd</para>
      <para>opgelegd, van toepassing. Gelet hierop zou in het geval van eiseres een</para>
      <para>boete van f 1000,- opgelegd moeten worden. Omdat echter bij het</para>
      <para>primaire besluit op grond van het Besluit een boete van f 500,- is</para>
      <para>opgelegd, is verweerder van mening dat laatstgenoemde boete opgelegd</para>
      <para>moet worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling van het geschil.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is - anders dan eiseres - van oordeel dat zowel artikel 71a,</para>
      <para>eerste lid (oud), van de WAO, als ook artikel 71a, eerste lid, van de</para>
      <para>WAO, zoals dat luidde van 31 december 1997 tot 31 december 1998</para>
      <para>(hierna: artikel 71a (nieuw) van de WAO), niet slechts verplicht tot het</para>
      <para>gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid overleggen van</para>
      <para>een reïntegratieplan. Aan de verwijzing in die bepaling naar artikel 38,</para>
      <para>eerste lid, van de ZW, bevattende een termijn voor die aangifte, te weten</para>
      <para>uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsgeschiktheid 13 weken heeft</para>
      <para>geduurd, kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere betekenis</para>
      <para>worden toegekend dan dat van een te late indiening sprake is indien de in</para>
      <para>artikel 38, eerste lid, van de ZW genoemde termijn is verstreken.</para>
      <para>Voorts volgt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 71a, tweede lid</para>
      <para>(oud), van de WAO, als ook uit artikel 71a, vierde lid (nieuw), van de</para>
      <para>WAO dat bij het niet nakomen van de in het eerste lid genoemde</para>
      <para>verplichting een boete kan worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiseres uiterlijk op 29 december 1997 een</para>
      <para>reïntegratieplan had moeten indienen, zodat vanaf 30 december 1997</para>
      <para>sprake was van het niet nakomen van de in artikel 71a, eerste lid, van de</para>
      <para>WAO opgenomen verplichting. De rechtbank is gelet hierop van oordeel</para>
      <para>dat in beginsel artikel 71a (oud) van de WAO van toepassing is. Dit is</para>
      <para>naar het oordeel van de rechtbank slechts anders, indien ten tijde van het</para>
      <para>nemen van het bestreden besluit inmiddels een ander, voor eiseres gun-</para>
      <para>stiger, wettelijk regime van toepassing zou zijn. De rechtbank wijst in dit</para>
      <para>verband op artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR, waarin is</para>
      <para>bepaald dat, indien na het begaan van het strafbaar feit de wet mocht</para>
      <para>voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan</para>
      <para>dient te profiteren. Het opleggen van een boete dient naar het oordeel van</para>
      <para>de rechtbank als de vervolging van een strafbaar feit als bedoeld in artikel</para>
      <para>15 van het IVBPR te worden aangemerkt. In artikel 1, tweede lid, van het</para>
      <para>Wetboek van Strafrecht is bovenvermeld beginsel eveneens vastgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 71a, tweede lid (oud), van de WAO zou aan eiseres</para>
      <para>een boete van f 1000,- moeten worden opgelegd. Verweerder heeft echter</para>
      <para>in het bestreden besluit en ter zitting aangegeven dat door GAK</para>
      <para>Nederland B.V. namens hem van 24 november 1997 tot 1 januari 1998</para>
      <para>het beleid werd gevoerd dat eerst bij meer dan 10 dagen te laat indienen</para>
      <para>van een reïntegratieplan een boete werd opgelegd. Daargelaten of voor</para>
      <para>verweerder ruimte bestond om een dergelijk beleid te voeren is de</para>
      <para>rechtbank van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel met zich brengt dat</para>
      <para>verweerder dit beleid ook ten aanzien van eiseres dient toe te passen,</para>
      <para>indien zou blijken dat eiseres het reïntegratieplan vóór 1 januari 1998</para>
      <para>heeft ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de op het reïntegratieplan geplaatste stempels gaat de</para>
      <para>rechtbank ervan uit dat het reïntegratieplan op 31 december 1997 is</para>
      <para>ontvangen door Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. De rechtbank merkt</para>
      <para>hierbij op dat zij het aannemelijk acht dat het stempel "Cadans logistiek</para>
      <para>(0?) jan 1997" berust op een vergissing in die zin dat het jaartal 1998</para>
      <para>moet zijn.</para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat niet de datum van ontvangst door GAK</para>
      <para>Nederland B.V., maar de datum waarop het reïntegratieplan bij Cadans</para>
      <para>Uitvoeringsinstelling B.V. is ingekomen de datum is waarop dat plan aan</para>
      <para>verweerder is overgelegd. Immers, artikel 71a van de WAO spreekt niet</para>
      <para>over de verplichting om tijdig een reïntegratieplan in te dienen bij de</para>
      <para>uitvoeringsinstelling waarbij de werkgever op grond van de</para>
      <para>Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) 1997 is aangesloten, maar</para>
      <para>over de verplichting om tijdig een reïntegratieplan in te dienen bij</para>
      <para>verweerder. Gelet op het feit dat Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. een</para>
      <para>uitvoeringsinstelling als bedoeld in hoofdstuk 4 , paragraaf 2, van de Osv</para>
      <para>1997 is, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank op 31 december</para>
      <para>1997 aan haar verplichting ex artikel 71a van de WAO voldaan. De</para>
      <para>rechtbank concludeert dan ook dat eiseres het reïntegratieplan 2 dagen te</para>
      <para>laat doch vóór 1 januari 1998 heeft ingediend, zodat op grond van ver-</para>
      <para>weerders toenmalige beleid geen boete kon worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit kan dan ook wegens strijd met het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de kostenveroordeling in het geding met registratienummer</para>
      <para>98/2529 WAO ziet de rechtbank geen aanleiding om in het onderhavige</para>
      <para>geding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De arrondissementsrechtbank te Utrecht,</para>
    <para />
    <para>recht doende,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep gegrond,</para>
    <para />
    <para>vernietigt het bestreden besluit,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het Lisv het door eiseres betaalde griffierecht ad f 420,-- aan</para>
      <para>haar vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr J. Ebbens als voorzitter en mrs G.C. van</para>
      <para>Gelein Vitringa-Boudewijnse en P.K. Nihot als leden, en in  het openbaar</para>
      <para>uitgesproken op 24 augustus 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier:                                    de voorzitter van de</para>
      <para>                  meervoudige kamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>R.C. Stijnen                                    J. Ebbens</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van</para>
      <para>bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>