<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3730</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3730</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-08-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1492</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3730">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3730</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3730 Rechtbank Utrecht , 13-08-1999 / 98/1492</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3730:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3730:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>431 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT  PRIVATE</para>
    <para />
    <para />
    <para>Reg. nr: 98/1492 WAO</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige</para>
      <para>kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding</para>
      <para>tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., gevestigd te Zeist, eiseres,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv),</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 juni 1998 heeft verweerder het bezwaar van eiseres</para>
      <para>tegen het besluit van 8 januari 1998, waarbij aan eiseres een boete van</para>
      <para>f 1000,- is opgelegd wegens het niet tijdig indienen van een</para>
      <para>reïntegratieplan ten behoeve van A, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is tegen eerstgenoemd besluit op 22 juli 1998 beroep bij</para>
      <para>deze rechtbank ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend op</para>
      <para>28 augustus 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 8 oktober 1998 de op de zaak betrekking hebbende</para>
      <para>stukken en een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens eiseres zijn op 12 mei 1999 nog stukken overgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is gevoegd met de gedingen met de registratienummers</para>
      <para>98/1809 WAO, 98/1487 WAO, 98/1895 WAO, 98/2529 WAO en</para>
      <para>98/1808 ZW behandeld ter zitting van 28 mei 1999, waar eiseres,</para>
      <para>ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, is verschenen bij mr A.C.M.</para>
      <para>van de Molen, directiesecretaris bij Commit Arbo B.V. te De Meern.</para>
      <para>Verweerder, eveneens ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, heeft</para>
      <para>zich doen vertegenwoordigen door A.J.G. Lindeman, juridisch mede-</para>
      <para>werker bij het districtskantoor te Utrecht van GAK Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <para>Feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, werknemer van eiseres, is op 16 mei 1997 ongeschikt</para>
      <para>geworden tot het verrichten van zijn arbeid. Door GAK Nederland B.V.</para>
      <para>is op 17 oktober 1997 een voorlopig reïntegratieplan ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 december 1997 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld</para>
      <para>dat het reïntegratieplan niet tijdig is ontvangen en dat hij daarom</para>
      <para>verplicht is aan eiseres een boete op te leggen van f 1000,-. Voorts is</para>
      <para>meegedeeld dat van een boete kan worden afgezien als eiseres een</para>
      <para>deugdelijke grond kan aanvoeren voor het niet tijdig indienen van het</para>
      <para>reïntegratieplan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 januari 1998 heeft verweerder aan eiseres een boete van</para>
      <para>f 1000,- opgelegd en aangegeven dat dit bedrag binnen 6 weken na</para>
      <para>dagtekening van dat besluit moet worden voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is op 17 februari 1998 bezwaar gemaakt tegen het besluit</para>
      <para>van</para>
      <para>26 mei 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <para>Standpunten van partijen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is in bezwaar en beroep het volgende aangevoerd.</para>
      <para>- Artikel 71a van de WAO is niet overtreden, nu dit artikel alleen</para>
      <para>verplicht tot het indienen van een reïntegratieplan gelijktijdig met de</para>
      <para>aangifte van arbeidsongeschiktheid - hetgeen in casu ook is gebeurd - en</para>
      <para>niet tot het indienen van dat plan binnen de termijn als genoemd in artikel</para>
      <para>38, eerste lid, van de Ziektewet (ZW).</para>
      <para>De boete die op grond van artikel 71a van de WAO wordt opgelegd, staat</para>
      <para>gelijk aan een strafrechtelijke sanctie. Een dergelijke sanctie kan alleen</para>
      <para>worden opgelegd indien de wetsbepaling op overtreding waarvan de</para>
      <para>boete is gesteld voldoende duidelijk is. Indien die duidelijkheid niet</para>
      <para>bestaat, is oplegging van een sanctie in strijd met artikel 7 van het</para>
      <para>Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de</para>
      <para>Fundamentele Vrijheden (EVRM).</para>
      <para>- Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 29a, derde lid, van de</para>
      <para>WAO, aangezien hij voorafgaand aan het opleggen van de boete niet</para>
      <para>heeft bezien of zich een dringende reden voordeed als bedoeld in dat</para>
      <para>artikellid. In het bestreden besluit dient voorts te worden aangegeven en</para>
      <para>gemotiveerd dat en waarom er geen dringende reden is. Gelet hierop is</para>
      <para>het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk</para>
      <para>gemotiveerd.</para>
      <para>- Er is in het geval van eiseres sprake van een dringende reden, omdat het</para>
      <para>evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel geschonden zijn.</para>
      <para>Gezien de geringe termijnoverschrijding in verhouding tot het geschade</para>
      <para>belang van verweerder is een boete van f 1000,- volkomen</para>
      <para>disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De wetgever</para>
      <para>heeft - in strijd met het advies van de Raad van State - het</para>
      <para>evenredigheidsbeginsel buiten de deur willen houden, maar dat is niet</para>
      <para>mogelijk, aangezien het een algemeen rechtsbeginsel betreft. Dit is ook</para>
      <para>erkend door de wetgever bij de Veegwet SZW 1997, waarin artikel 71a</para>
      <para>van de WAO is gewijzigd in die zin dat een boete van ten hoogste f</para>
      <para>1000,- wordt opgelegd. Verweerder heeft door invoering van een systeem</para>
      <para>van vaste boetes bij het Besluit boete ZW/WAO werkgevers (Besluit van</para>
      <para>10 december 1997, Stcrt. 1997, 246; hierna te noemen: het Besluit) geen</para>
      <para>juiste uitvoering aan artikel 71a WAO gegeven. Er is een systeem met</para>
      <para>vaste boetes ingevoerd, waardoor er in het individuele geval geen</para>
      <para>belangenafweging en evenredigheidstoets kan plaatsvinden.</para>
      <para>Het gelijkheidsbeginsel is geschonden, doordat gedurende de eerste</para>
      <para>maanden van 1997 en ook nog eind 1997 geen uniforme uitvoering is</para>
      <para>gegeven aan de boetebepalingen.</para>
      <para>- Ten onrechte is de boete invorderbaar alvorens de oplegging van de</para>
      <para>boete door een rechter rechtmatig is geoordeeld. Het bestreden besluit en</para>
      <para>de wet gaan er ten onrechte vanuit dat de boete door de loutere oplegging</para>
      <para>ervan kan worden geïncasseerd. De WAO dient op dat punt wegens strijd</para>
      <para>met artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het Internationaal Verdrag</para>
      <para>inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) onverbindend te</para>
      <para>worden verklaard. Ook door de Raad van State en in de literatuur is op de</para>
      <para>strijdigheid met genoemde verdragsbepalingen gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder stelt zich op het standpunt dat het reïntegratieplan zonder</para>
      <para>deugdelijke grond 63 dagen te laat is ingediend en dat, gelet op het</para>
      <para>bepaalde in artikel 71a, tweede lid, van de WAO, zoals dit luidde tot 31</para>
      <para>december 1997, een boete van f 1000,- moet worden opgelegd. De</para>
      <para>omstandigheid dat GAK Nederland B.V. namens verweerder in de</para>
      <para>periode van 26 november 1997 tot 31 december 1997 het beleid voerde,</para>
      <para>dat geen boete werd opgelegd bij een niet meer dan 10 dagen te laat</para>
      <para>indienen van het reïntegratieplan, leidt in het onderhavige geval niet tot</para>
      <para>een andere conclusie.</para>
      <para>Voorts meent verweerder dat op hem ten aanzien van de eventuele</para>
      <para>aanwezigheid van een dringende reden geen onderzoeksplicht rust en dat</para>
      <para>het op de weg van de belanghebbende ligt aannemelijk te maken dat in</para>
      <para>zijn geval boete-oplegging tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.</para>
      <para>Hiertoe bestaat naar aanleiding van de schriftelijke mededeling dat het</para>
      <para>voornemen tot boete-oplegging bestaat ook de gelegenheid.</para>
      <para>Voorts is verweerder van mening dat om te kunnen spreken van een</para>
      <para>dringende reden iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn.</para>
      <para>Daarbij kan het niet gaan om een algemene of categorale afwijking van</para>
      <para>de hoofdregel, doch dient het om incidentele en individuele gevallen te</para>
      <para>gaan. Er dient dan gedacht te worden aan omstandigheden in de sfeer van</para>
      <para>de werkgever die zo uitzonderlijk zijn en hem zodanig niet te verwijten</para>
      <para>zijn, dat dient te worden afgezien van boete-oplegging. Van zodanige uit-</para>
      <para>zonderlijke omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder meent verder dat geen sprake is van onevenredigheid tussen</para>
      <para>de overtreding en de hoogte van de boete. Verweerder heeft gekozen voor</para>
      <para>een systeem van boete-oplegging waarin de boete hoger wordt naarmate</para>
      <para>het reïntegratieplan meer dagen te laat wordt ingediend. In de afweging</para>
      <para>die hierbij gemaakt is, is de evenredigheid van de hoogte van de boete ten</para>
      <para>opzichte van de ernst van de gedraging betrokken. De verplichting van</para>
      <para>artikel 71a van de WAO draait om een bepaalde termijn. Het tijdsverloop</para>
      <para>speelt dus per definitie een rol bij de bepaling van de ernst van de</para>
      <para>overtreding. Niet valt in te zien dat er andere aspecten zouden zijn aan te</para>
      <para>wijzen die daarbij een rol zouden kunnen spelen. Eiseres heeft hierover</para>
      <para>ook zelf geen uitsluitsel gegeven.</para>
      <para>Het gelijkheidsbeginsel kan volgens verweerder evenmin een rol spelen</para>
      <para>in het kader van de dringende reden, nu het bij de toepassing van het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel per definitie niet gaat om individuele</para>
      <para>omstandigheden, maar om een vergelijking van een groot aantal</para>
      <para>gelijksoortige gevallen.</para>
      <para>Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat het besluit tot</para>
      <para>invordering conform de wet is genomen, nu uit artikel 71a, vijfde lid, van</para>
      <para>de WAO voortvloeit dat op basis van het gestelde in artikel 29g, eerste</para>
      <para>lid, van de WAO het besluit waarbij de boete is opgelegd een</para>
      <para>executoriale titel oplevert in de zin van Boek 2 van het Wetboek van</para>
      <para>Burgerlijke Rechtsvordering. Verweerder heeft voorts verwezen naar de</para>
      <para>arresten Ozturk en Lutz, NJ 1988, 937 en 938. Hieruit blijkt dat in het</para>
      <para>geval van lichte overtredingen het niet in strijd is met het EVRM om</para>
      <para>boetes op te leggen en te incasseren, mits er voor de betrokkene maar de</para>
      <para>mogelijkheid is van een beoordeling van de boete door een onafhankelijk</para>
      <para>rechter. Verweerder meent dat de overtreding van artikel 71a van de</para>
      <para>WAO kan worden aangemerkt als een lichte overtreding, zodat de</para>
      <para>procedure voldoet aan de procedure-eisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling van het geschil.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is anders dan eiseres van oordeel dat artikel 71a, eerste lid</para>
      <para>(oud), van de WAO, als ook artikel 71a, eerste lid, van de WAO, zoals</para>
      <para>dat luidde van 31 december 1997 tot 31 december 1998 (hierna: artikel</para>
      <para>71a (nieuw) van de WAO), niet slechts verplicht tot het gelijktijdig met</para>
      <para>de aangifte van arbeidsongeschiktheid overleggen van een</para>
      <para>reïntegratieplan. Aan de verwijzing in die bepaling naar artikel 38, eerste</para>
      <para>lid, van de ZW, bevattende een termijn voor die aangifte, te weten</para>
      <para>uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsgeschiktheid 13 weken heeft</para>
      <para>geduurd, kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere betekenis</para>
      <para>worden toegekend dan dat van een te late indiening sprake is indien de in</para>
      <para>artikel 38, eerste lid, van de ZW genoemde termijn is verstreken.</para>
      <para>Voorts volgt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 71a, tweede lid</para>
      <para>(oud), van de WAO, alsook uit artikel 71a, vierde lid (nieuw), van de</para>
      <para>WAO dat bij het zonder deugdelijke grond niet nakomen van de in het</para>
      <para>eerste lid genoemde verplichting een boete kan worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiseres uiterlijk op 15 augustus 1997 het hier</para>
      <para>aan de orde zijnde reïntegratieplan had moeten indienen, doch dit pas op</para>
      <para>17 oktober 1997 heeft gedaan. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel</para>
      <para>van de rechtbank artikel 71a, eerste lid, van de WAO overtreden. Nu niet</para>
      <para>is gebleken van een deugdelijke grond, als bedoeld in artikel 71a, tweede</para>
      <para>lid (oud), van de WAO diende verweerder aan eiseres in beginsel een</para>
      <para>boete op te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 71a, vijfde lid (oud), van de WAO is artikel 29a,</para>
      <para>derde lid, van de WAO van overeenkomstige toepassing. In dit artikellid</para>
      <para>is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn</para>
      <para>verweerder af kan zien van het opleggen van een boete.</para>
      <para>Verweerder heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 29b, tweede lid,</para>
      <para>van de WAO bij brief van 9 december 1997 eiseres op de hoogte gesteld</para>
      <para>van het voornemen een boete op te leggen. Daarbij heeft verweerder</para>
      <para>meegedeeld dat van het opleggen van een boete kan worden afgezien</para>
      <para>indien eiseres een deugdelijke grond heeft voor het niet tijdig indienen</para>
      <para>van het reïntegratieplan. Niet is gebleken dat op deze brief door of</para>
      <para>namens eiseres is gereageerd, zodat geen deugdelijke reden is</para>
      <para>aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit hetgeen overigens door eiseres is aangevoerd blijkt naar het oordeel</para>
      <para>van de rechtbank niet van feiten of omstandigheden die erop zouden</para>
      <para>kunnen wijzen dat er mogelijk sprake is van dringende redenen als</para>
      <para>bedoeld in artikel 29a, derde lid, van de WAO. Anders dan eiseres is de</para>
      <para>rechtbank van oordeel dat, nu bedoelde feiten en omstandigheden niet</para>
      <para>zijn gesteld, verweerder niet gehouden is ambtshalve te onderzoeken of</para>
      <para>er sprake is van dringende redenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is nog aangevoerd dat in dit geval sprake is van</para>
      <para>schending van het evenredigheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel,</para>
      <para>welke schending dringende redenen zouden vormen op grond waarvan</para>
      <para>van het opleggen van een boete zou moeten worden afgezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ongeacht of strijd met het gelijkheidsbeginsel als dringende reden of als</para>
      <para>zelfstandige grond voor het afzien van het opleggen van een boete moet</para>
      <para>worden beschouwd, heeft de rechtbank in de door eiseres overgelegde</para>
      <para>stukken geen steun kunnen vinden voor het standpunt van eiseres dat</para>
      <para>verweerder in met haar vergelijkbare gevallen (gevallen derhalve waarin</para>
      <para>sprake is van een termijnoverschrijding van ruim twee maanden) heeft</para>
      <para>afgezien van het opleggen van een boete. De rechtbank acht dan ook geen</para>
      <para>strijd met het gelijkheidsbeginsel aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel acht de rechtbank eerst aan de</para>
      <para>orde als vaststaat dat in beginsel een boete moet worden opgelegd en de</para>
      <para>hoogte ervan beoordeeld moet worden. Naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank kan strijd met dit beginsel dan ook geen dringende reden</para>
      <para>vormen als bedoeld in artikel 29a, derde lid, van de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu eiseres het reïntegratieplan zonder deugdelijke grond 63 dagen te laat</para>
      <para>heeft ingediend en er geen dringende redenen voor het afzien van het</para>
      <para>opleggen van een boete aanwezig zijn, dient verweerder aan eiseres in</para>
      <para>beginsel op grond van artikel 71a, tweede lid (oud), van de WAO een</para>
      <para>boete van f 1000,- op te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit is naar het oordeel van de rechtbank slechts anders, indien ten tijde</para>
      <para>van het nemen van het bestreden besluit inmiddels een ander, voor</para>
      <para>eiseres gunstiger, wettelijk regime van toepassing zou zijn. De rechtbank</para>
      <para>wijst in dit verband op artikel 15 van het IVPBR, waarin is bepaald dat,</para>
      <para>indien na het begaan van het strafbaar feit de wet mocht voorzien in de</para>
      <para>oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren.</para>
      <para>Het opleggen van een boete dient naar het oordeel van de rechtbank als</para>
      <para>de vervolging van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 15 van het</para>
      <para>IVBPR te worden aangemerkt. In artikel 1, tweede lid, van de het</para>
      <para>Wetboek van Strafrecht is bovenvermeld beginsel eveneens vastgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 71a, tweede lid (oud), van de WAO zou aan eiseres</para>
      <para>een boete van f 1000,- moeten worden opgelegd. Gelet op het feit dat in</para>
      <para>het onderhavige geval sprake is van een 63 dagen te laat ingediend</para>
      <para>reïntegratieplan kan toepassing van het door GAK Nederland B.V.</para>
      <para>namens verweerder van</para>
      <para>26 november 1997 tot 31 december 1997 gevoerde beleid niet tot een</para>
      <para>lagere boete leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zowel het primaire als het bestreden besluit dateren van na 31 december</para>
      <para>1997, de datum met ingang waarvan artikel 71a van de WAO is</para>
      <para>gewijzigd en het Besluit in werking is getreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 71a, vierde lid (nieuw), van de WAO bedraagt de</para>
      <para>aan eiseres opgelegde boete ten hoogte f 1000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu op grond van laatstgenoemd artikellid een lagere boete dan f 1000,-</para>
      <para>kan worden opgelegd, dient naar het oordeel van de rechtbank het</para>
      <para>bestreden besluit aan de hand van dat artikellid beoordeeld te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit</para>
      <para>bedraagt de boete f 1000,- indien het reïntegratieplan meer dan 28</para>
      <para>kalenderdagen te laat is ingediend.</para>
      <para>Aangezien eiseres het reïntegratieplan ten behoeve van A</para>
      <para>63 dagen te laat heeft ingediend, dient in beginsel deze boete te worden</para>
      <para>opgelegd.</para>
      <para>Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder door een</para>
      <para>systeem van vaste boetes te hanteren niet per definitie in strijd handelt</para>
      <para>met het evenredigheidsbeginsel.</para>
      <para>De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat voor verweerder</para>
      <para>het tijdig ontvangen van reïntegratieplannen van wezenlijk belang is om</para>
      <para>de ZW en de WAO op een juiste wijze te kunnen uitvoeren en aldus</para>
      <para>aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkering te kunnen beperken en</para>
      <para>reïntegratie te kunnen bevorderen. Het tijdig indienen van een</para>
      <para>reïntegratieplan is een duidelijke, relatief eenvoudig na te komen</para>
      <para>verplichting. Uitgaande van de verplichting is de gedraging, het niet</para>
      <para>tijdig indienen van het reïntegratieplan, in beginsel ernstiger, meer</para>
      <para>verwijtbaar, naarmate het langer heeft geduurd voordat eraan is voldaan.</para>
      <para>In die zin acht de rechtbank het relateren van de hoogte van de boete aan</para>
      <para>de periode, die is verstreken na de datum waarop het reïntegratieplan nog</para>
      <para>tijdig zou zijn ingediend, een juist uitgangspunt voor het vaststellen van</para>
      <para>de boete.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit neemt niet weg dat in een voorkomend geval dient te worden bezien</para>
      <para>of, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, de hoogte van de</para>
      <para>opgelegde boete in overeenstemming is met de evenredigheid. Voor dit</para>
      <para>standpunt vindt de rechtbank steun in het arrest Bendenoun van het</para>
      <para>Europese Hof voor de Rechten van de Mens (Nederlandse</para>
      <para>Belastingrechtspraak 1994/175). Uit dit arrest leidt de rechtbank af dat</para>
      <para>het de verdragsstaten bij het EVRM vrijstaat om door de administratieve</para>
      <para>organen boetes te laten opleggen. Wel moet tegen dergelijke boetes</para>
      <para>beroep open staan bij een rechterlijke instantie die de rechten van artikel</para>
      <para>6 van het EVRM waarborgt. De rechtbank dient dan ook te kunnen</para>
      <para>oordelen over alle aspecten van de voorgelegde zaak ("the merits of the</para>
      <para>matter") en met name te kunnen toetsen of er evenredigheid bestaat</para>
      <para>tussen de ernst van de verweten gedraging en de zwaarte van de</para>
      <para>opgelegde boete.</para>
      <para>Daarbij zal de hoogte van de boete in relatie tot het ontstane nadeel als</para>
      <para>gevolg van de omstreden gedraging in geval van te late indiening van een</para>
      <para>reïntegratieplan niet van doorslaggevende betekenis kunnen zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van feiten of</para>
      <para>omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat</para>
      <para>verweerder niet tot het opleggen van een boete van f 1000,- had kunnen</para>
      <para>besluiten zonder in strijd te geraken met het evenredigheidsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover</para>
      <para>daarbij toepassing is gegeven aan artikel 29e, eerste lid, van de WAO,</para>
      <para>niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het IVBPR.</para>
      <para>Ingevolge artikel 6, tweede lid, van het EVRM en artikel 14, tweede lid,</para>
      <para>van het IVBPR wordt eenieder voor onschuldig gehouden totdat zijn</para>
      <para>schuld in rechte is komen vast te staan. Volgens vaste rechtspraak van het</para>
      <para>Europese Hof voor de Rechten van de Mens is het opeisen van een</para>
      <para>administratieve boete op zichzelf niet in strijd met het vermoeden van on-</para>
      <para>schuld, mits er tegen een opgelegde boete beroep kan worden ingesteld</para>
      <para>bij een onafhankelijke rechter die de rechtmatigheid van de boete</para>
      <para>definitief vaststelt. Nu beroep op de administratieve rechter tegen het</para>
      <para>opleggen van een boete als de onderhavige kan worden ingesteld, kan</para>
      <para>niet worden gezegd dat het hier aan de orde zijnde deel van het bestreden</para>
      <para>besluit in strijd is met de in artikel 6, tweede lid, van het EVRM en</para>
      <para>artikel 14, tweede lid, van het IVBPR neergelegde onschuldpresumptie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door eiseres aangevoerde bezwaren kunnen derhalve niet leiden tot</para>
      <para>vernietiging van het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het</para>
      <para>bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten, dient het beroep van</para>
      <para>eiseres ongegrond te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet</para>
      <para>de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te</para>
      <para>veroordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Er wordt dan ook als volgt beslist.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De arrondissementsrechtbank te Utrecht,</para>
    <para />
    <para>recht doende,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr J. Ebbens als voorzitter en mrs G.C. van</para>
      <para>Gelein Vitringa-Boudewijnse en P.K. Nihot als leden, en in het openbaar</para>
      <para>uitgesproken op 13 augustus 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier:                                    de voorzitter van de</para>
      <para>                            meervoudige kamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>R.C. Stijnen                                    J. Ebbens</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van</para>
      <para>bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>