<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3725</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1995/577 AW, 1995/578 AW en 1995/579 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3725">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3725 Rechtbank Utrecht , 13-09-1999 / 1995/577 AW, 1995/578 AW en 1995/579 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3725:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Immateriële schade; aangetast in eer en goede naam o.m. omdat verweerder  heeft volhard in weigering eiser toegang te verlenen tot zijn werk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3725:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>427 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT</para>
    <para />
    <para />
    <para>Reg. nrs: 1995/577 AW, 1995/578 AW en 1995/579 AW</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, meervoudige</para>
      <para>kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding</para>
      <para>tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>A te B, e i s e r,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente B,</para>
      <para>v e r w e e r d e r.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. VERLOOP VAN DE PROCEDURES.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 27 december 1994 heeft de meervoudige kamer van</para>
      <para>deze rechtbank de beroepen van eiser tegen (onder meer) de besluiten</para>
      <para>van verweerder van 22 juli 1992, 10 november 1993 en 19 november</para>
      <para>1993 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.</para>
      <para>Bij die uitspraak is tevens beslist om het onderzoek ter voorbereiding van</para>
      <para>een nadere uitspraak over het verzoek om vergoeding van schade van</para>
      <para>eiser te heropenen als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (verder te noemen: de Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat de raadsman van eiser diverse malen te kennen had gegeven dat</para>
      <para>partijen met elkaar in overleg waren teneinde tot een oplossing te komen,</para>
      <para>zijn de gedingen op 23 september 1997 ter zitting van de rechtbank,</para>
      <para>enkelvoudige kamer, behandeld, alwaar eiser in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr J.L.J. Leijendekker, advocaat en procureur te Wijk bij</para>
      <para>Duurstede. Verweerder heeft zich aldaar laten vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr P.J. Schaap, werkzaam bij het Centraal Adviesbureau voor Publiek</para>
      <para>Recht en Administratie te Zwolle.</para>
      <para>Aangezien ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is</para>
      <para>geweest, is het onderzoek ingevolge artikel 8:68 van de Awb heropend.</para>
      <para>In dat kader is de raadsman van eiser bij brief van 9 februari 1998</para>
      <para>verzocht een gespecificeerde opgave te verstrekken van hetgeen naar</para>
      <para>zijn oordeel als schadevergoeding aan eiser dient te worden toegekend.</para>
      <para>Bij schrijven van 9 maart 1998, met bijlagen, heeft de raadsman van eiser</para>
      <para>aan dat verzoek voldaan. Vervolgens heeft verweerder zijn standpunt</para>
      <para>dienaangaande bij schrijven van 31 maart 1998 kenbaar heeft gemaakt.</para>
      <para>Vervolgens zijn de gedingen op 25 juni 1998 ter zitting van de rechtbank,</para>
      <para>meervoudige kamer, behandeld, alwaar eiser in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr J.L.J. Leijendekker voornoemd. Verweerder heeft zich</para>
      <para>toen niet laten vertegenwoordigen.</para>
      <para>Aangezien ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is</para>
      <para>geweest, is het onderzoek ingevolge artikel 8:68 van de Awb heropend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn vervolgens behandeld ter openbare zitting van 24 juni</para>
      <para>1999, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr J.L.J.</para>
      <para>Leijendekker voornoemd.</para>
      <para>Verweerder heeft zich aldaar laten vertegenwoordigen door mr P.J.</para>
      <para>Schaap voornoemd en E.J. Woerkens, personeelsfunctionaris bij</para>
      <para>verweerders gemeente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de voorhanden gedingstukken blijkt dat partijen gedurende geruime tijd</para>
      <para>hebben gecorrespondeerd omtrent de door eiser gewenste</para>
      <para>schadevergoeding naar aanleiding van de door de rechtbank vernietigde</para>
      <para>besluiten van verweerder.</para>
      <para>Uiteindelijk heeft de raadsman van eiser bij brief van 9 maart 1998 het</para>
      <para>verzoek om schadevergoeding als volgt toegelicht cq gespecificeerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Directe schade:                      eiser stelt dat hij gedurende zijn</para>
      <para>schorsing cq zijn ontslag geen vakantiedagen heeft kunnen opnemen,</para>
      <para>ook niet die dagen die hij nog tegoed had voorafgaande aan zijn</para>
      <para>schorsing; eiser heeft in dat verband gesteld nog 191,5 dagen tegoed te</para>
      <para>hebben, welke dagen hij uitbetaald wenst te zien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Wettelijke rente:                    eiser verzoekt vergoeding van</para>
      <para>wettelijke rente over de aan hem nabetaalde bezoldiging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Immateriële schadevergoeding:        naar het oordeel van eiser blijft hij</para>
      <para>de smet van de gebeurtenissen rond zijn schorsing en ontslag met zich</para>
      <para>meedragen, zowel op de werkplek als in het maatschappelijk leven;</para>
      <para>eiser acht in dat kader een vergoeding van f 50.000,-- op zijn plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van verweerder is omtrent bovenvermelde schadeposten</para>
      <para>onder meer het volgende aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Directe schade:                      van de zijde van verweerder wordt</para>
      <para>betwist dat eiser een tegoed zou hebben van 191,5 vakantiedagen; ter</para>
      <para>zitting van 24 juni 1999 is van de zijde van verweerder toegezegd, dat</para>
      <para>eiser in de gelegenheid zal worden gesteld de hem toekomende</para>
      <para>vakantiedagen, welke naar het oordeel van verweerder ongeveer 40</para>
      <para>dagen bedragen, binnen redelijke termijn op te nemen; verweerder is niet</para>
      <para>bereid de eiser toekomende verlofdagen af te kopen cq uit te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Wettelijke rente:                    namens verweerder is ter zitting van</para>
      <para>24 juni 1999 toegezegd dat eiser alsnog wettelijke rente over de nabe</para>
      <para>taalde bezoldiging zal worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Immateriële schadevergoeding:        verweerder acht geen reden</para>
      <para>aanwezig voor vergoeding van immateriële schade, nu er na eisers</para>
      <para>terugkeer op het veer geen sprake was van een in ongunstige zin afwij</para>
      <para>kende behandeling van eiser ten opzichte van zijn collegae.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    <para />
    <para>Ad 1. Directe schade.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt allereerst op dat eiser ingaande 23 maart 1992 door</para>
      <para>verweerder de toegang tot het veer en het veerkantoor is ontzegd, welke</para>
      <para>ontzegging nadien is gevolgd door schorsing en ontslag. Eiser heeft</para>
      <para>derhalve vanaf 23 maart 1992 geen werkzaamheden als</para>
      <para>veermatroos/kaartverkoper bij de afdeling veerzaken van verweerders</para>
      <para>gemeente verricht.</para>
      <para>De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers tegoed aan</para>
      <para>verlofdagen ten tijde van de ontzegging van de toegang tot de dienst niet</para>
      <para>191,5 dagen bedroeg, doch slechts 40,5. Eiser had immers op dat</para>
      <para>moment over 1991 nog een tegoed van 31,5 verlofdagen, welke dagen</para>
      <para>vermeerderd dienen te worden met de dagen waarop eiser over 1992</para>
      <para>recht had. Nu eiser in 1992 slechts tot eind maart werkzaamheden heeft</para>
      <para>verricht, heeft hij gedurende dat jaar slechts 9 verlofdagen opgebouwd,</para>
      <para>zijnde 3/12 deel van het totaal van 36 dagen, waarop hij jaarlijks recht</para>
      <para>had. In de periode van eind maart 1992 tot augustus 1995 heeft eiser niet</para>
      <para>gewerkt. Ingevolge artikel D 7 van het Algemeen Ambtenarenreglement is</para>
      <para>door eiser over die periode geen vakantie opgebouwd.</para>
      <para>De zogeheten ADV-dagen laat de rechtbank buiten beschouwing, nu deze</para>
      <para>dagen in beginsel de strekking hebben dat de gemiddelde arbeidsduur</para>
      <para>wordt verkort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft deze verlofdagen vanaf het moment van de ontzegging van de</para>
      <para>toegang tot het het veer/veerkantoor tot het moment waarop hij weer is</para>
      <para>gaan werken niet kunnen opnemen en wenst dat verweerder tenminste dit</para>
      <para>aantal verlofdagen aan hem uitbetaalt. In dat verband heeft eiser onder</para>
      <para>meer gewezen op de krappe bezetting op het veer, die het opnemen van</para>
      <para>verlof sterk bemoeilijkt.</para>
      <para>Van de zijde van verweerder is aangevoerd dat er geen aanleiding</para>
      <para>bestaat de door eiser opgebouwde verlofdagen, zijnde in totaal 40,5</para>
      <para>dagen, uit te betalen, nu daarvoor een wettelijke basis ontbreekt. Voorts</para>
      <para>is ter terechtzitting van 24 juni 1999 van de zijde van verweerder</para>
      <para>toegezegd dat eiser, die inmiddels zijn werkzaamheden op het veer heeft</para>
      <para>hervat, door zijn werkgever binnen redelijke termijn (daarbij is een</para>
      <para>periode van twee à drie jaar genoemd) in de gelegenheid zal worden</para>
      <para>gesteld zijn verlofdagen op te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het ten aanzien van eiser genomen ontslagbesluit is vernietigd en</para>
      <para>blijkens het bepaalde in artikel D 7, lid 5, van meergenoemd Algemeen</para>
      <para>Ambtenarenreglement het verlenen van een vergoeding voor de</para>
      <para>ambtenaar toekomende, doch niet verleende vakantiedagen slechts</para>
      <para>mogelijk is bij verlening van ontslag, kan de rechtbank niet anders</para>
      <para>concluderen dan dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd die</para>
      <para>vakantiedagen aan eiser uit te betalen.</para>
      <para>Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op er van uit te gaan, dat</para>
      <para>verweerder, gelijk de toezegging van diens gemachtigde ter zitting van 24</para>
      <para>juni 1999, eiser in de gelegenheid zal stellen de hem toekomende</para>
      <para>verlofdagen binnen redelijke termijn (twee à drie jaar) op te nemen. Mocht</para>
      <para>het bij nader inzien om redenen van dienstbelang niet mogelijk blijken te</para>
      <para>zijn voormelde toezegging na te komen, dan geeft de rechtbank</para>
      <para>verweerder uitdrukkelijk in overweging alsnog tot uitbetaling van de eiser</para>
      <para>toekomende verlofdagen over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ad 2. Wettelijke rente.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zowel in de namens verweerder aan de raadsman van eiser verzonden</para>
      <para>brief van 16 maart 1995 als ter zitting van 24 juni 1999 is van de zijde van</para>
      <para>verweerder medegedeeld, dat verweerder bereid is de wettelijke rente</para>
      <para>over de nabetaalde bezoldiging, blijkens het schrijven van verweerder van</para>
      <para>13 maart 1995 betrekking hebbend op de periode van mei 1992 tot en</para>
      <para>met februari 1995, aan eiser te vergoeden. Gebleken is evenwel dat</para>
      <para>verweerder hiertoe nog niet is overgegaan.</para>
      <para>Onder verwijzing naar onder meer een tweetal uitspraken van de Centrale</para>
      <para>Raad van Beroep, gepubliceerd in JB 1995/314 en JB 1998/244, is de</para>
      <para>rechtbank van oordeel dat verweerder wettelijke rente is verschuldigd over</para>
      <para>het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto bezoldiging. De eerste</para>
      <para>dag waarop verweerder wettelijke rente verschuldigd is, dient, uitgaande</para>
      <para>van het feit dat verweerder vanaf mei 1992 bezoldiging dient na te</para>
      <para>betalen, vastgesteld te worden op 1 juni 1992.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts moet worden geoordeeld dat deze rente is verschuldigd tot aan de</para>
      <para>dag der algehele voldoening toe, waarbij geldt dat telkens na afloop van</para>
      <para>een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend dient te</para>
      <para>worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ad 3. Immateriële schade.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het namens eiser gedane verzoek om vergoeding van immateriële</para>
      <para>schade vat de rechtbank op als een verzoek op de voet van artikel 6:106,</para>
      <para>eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (verder te</para>
      <para>noemen: BW).</para>
      <para>Met betrekking tot de grondslag voor de onderhavige vordering tot</para>
      <para>schadevergoeding en beoordelingscriteria in deze wijst de rechtbank</para>
      <para>allereerst naar de terzake door deze rechtbank in een uitspraak van 8 mei</para>
      <para>1995 (JB 1995/151) geformuleerde uitgangspunten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het BW heeft de</para>
      <para>benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op</para>
      <para>een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de</para>
      <para>benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer en goede naam</para>
      <para>is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.</para>
      <para>Uit de geschiedenis van de totstandkoming van vorenbedoeld ar</para>
      <para>tikelonderdeel moet worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft</para>
      <para>gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op</para>
      <para>andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank gaat er in navolging van de Hoge Raad (arrest van 13</para>
      <para>januari 1995, gepubliceerd in RvdW 1995, 29 c) van uit dat in gevallen</para>
      <para>als het onderhavige in de regel wel sprake zal zijn van meer of minder</para>
      <para>sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het</para>
      <para>onrechtmatige besluit van het bestuursorgaan.</para>
      <para>Ook in dit geval acht de rechtbank aannemelijk dat bij eiser dergelijke</para>
      <para>gevoelens zijn ontstaan als gevolg van verweerders besluiten, doch die</para>
      <para>omstandigheid op zichzelf levert naar het oordeel van de rechtbank niet</para>
      <para>op dat sprake is van een psychisch leed dat dient te worden aangemerkt</para>
      <para>als een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid</para>
      <para>onder b van het BW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval acht de rechtbank wel aannemelijk dat eiser</para>
      <para>door de, inmiddels, vernietigde besluiten van verweerder, en dan met</para>
      <para>name gelet op de gronden waarop die besluiten berustten, in zijn eer en</para>
      <para>goede naam is aangetast.</para>
      <para>De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat eisers schorsing</para>
      <para>en ontslag in een kleine gemeenschap als B grote</para>
      <para>gevolgen voor hem heeft gehad, zowel in de privésfeer als in werksfeer.</para>
      <para>Vorenstaande geldt temeer nu verweerder eisers schorsing uitsluitend</para>
      <para>heeft gebaseerd op een aangifte van een passagier van het veer en</para>
      <para>daarna geen nieuwe feiten bekend zijn geworden, verkregen uit nader</para>
      <para>onderzoek, die de verdenking een deugdelijke basis konden geven.</para>
      <para>Ondanks deze slechts op die betreffende aangifte gebaseerde verdenking</para>
      <para>jegens eiser heeft verweerder volhard in zijn weigering eiser de toegang</para>
      <para>tot het veer te verlenen als gevolg waarvan eiser onnodig lang zijn</para>
      <para>werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank miskent</para>
      <para>daarbij niet dat eisers beroep tegen verweerders besluit van 19 oktober</para>
      <para>1992 tot ontzegging van de toegang tot de dienst bij uitspraak van de</para>
      <para>rechtbank van 27 december 1994 ongegrond is verklaard. Die omstandig</para>
      <para>heid kan de rechtbank echter niet tot een ander oordeel leiden, nu het in</para>
      <para>verweerders macht lag de betreffende ontzegging van de toegang te</para>
      <para>beëindigen. In dat verband wijst de rechtbank ook nog op de uitspraak</para>
      <para>van 27 december 1994, in welke uitspraak ten overvloede is overwogen</para>
      <para>dat de gehanteerde rechterlijke toetsing slechts het besluit van 19 oktober</para>
      <para>1992 betrof en niet het gedurende lange tijd achterwege laten van een</para>
      <para>beëindiging van die ontzegging.</para>
      <para>Gelet op vorenweergegeven omstandigheden is er naar het oordeel van</para>
      <para>de rechtbank voldoende grond om de door eiser gestelde schade te</para>
      <para>vergoeden.</para>
      <para>Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de door eiser geleden schade</para>
      <para>gedeeltelijk door hemzelf gedragen dient te worden, nu deze schade</para>
      <para>mede een gevolg is van omstandigheden die in de zin van artikel 6:101</para>
      <para>van het BW mede aan eiser kunnen worden toegerekend, waarbij de</para>
      <para>rechtbank onder meer doelt op het, inmiddels in rechte vaststaande,</para>
      <para>gegeven dat eiser regelmatig fooien aannam en regelmatig een trage en</para>
      <para>minder adequate werkwijze volgde met betrekking tot de afrekening van</para>
      <para>de veergelden.</para>
      <para>Gelet voorts op de terughoudendheid waarmee artikel 6:106 van het BW</para>
      <para>in het algemeen wordt toegepast, is de rechtbank van oordeel dat met</para>
      <para>een toekenning van een schadevergoeding aan eiser van f 6.000,= netto</para>
      <para>de omvang van eisers schade in de gegeven omstandigheden volgens</para>
      <para>een redelijke verdeling heeft plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te</para>
      <para>veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit</para>
      <para>beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.</para>
      <para>Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten</para>
      <para>bestuursrecht begroot op f 1.775,-- als kosten van verleende</para>
      <para>rechtsbijstand (0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke</para>
      <para>inlichtingen, 1 punt voor het verschijnen ter</para>
      <para>zitting en 2 x 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting) en op</para>
      <para>f 41,25 als reiskosten.</para>
      <para>Het geheel overziende leidt de rechtbank tot de volgende uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De arrondissementsrechtbank te Utrecht,</para>
    <para />
    <para>recht doende,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de gemeente B om aan eiser te betalen een vergoeding van</para>
      <para>f 6.000,=, te vermeerderen met het bedrag dat eiser blijkens de</para>
      <para>vaststelling door de bevoegde fiscale autoriteiten terzake daarvan over</para>
      <para>het jaar van uitbetaling van de genoemde som aan belasting verschuldigd</para>
      <para>zal zijn,</para>
      <para>veroordeelt de gemeente B tot betaling van wettelijke</para>
      <para>rente als hiervoor in de rubriek Overwegingen onder ad 2 is aangegeven,</para>
      <para>wijst het overigens door en namens eiser gevorderde af,</para>
      <para>veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage</para>
      <para>van f. 1.816,25, te betalen door de gemeente B.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr P.B.M.J. van der Beek-Gillessen als voorzitter</para>
      <para>en mrs G.M.T. Berkel-Kikkert en M. ter Brugge als leden, en in het</para>
      <para>openbaar uitgesproken op 13 september 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier:                                    de voorzitter van de</para>
      <para>meervoudige kamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>W.B. Lakeman                            P.B.M.J. van der Beek-Gillessen</para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van</para>
      <para>bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>