<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3704</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:31:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3704</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8632</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Utrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Utrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">105038 KG ZA 99/940</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002614&amp;artikel=6&amp;g=1999-10-29">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002614&amp;artikel=9a&amp;g=1999-10-29">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 9a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002614&amp;artikel=9b&amp;g=1999-10-29">Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 9b</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005283&amp;artikel=15&amp;g=1999-10-29">Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering 15</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>KG 2000, 29</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 1999, 192</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1999/326 met annotatie van A. van Eijs</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/295</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3704">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3704</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3704 Rechtbank Utrecht , 29-10-1999 / 105038 KG ZA 99/940</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3704:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBUTR:1999:AA3704:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>470 / K.G. nummer 105038</para>
      <para>KG ZA 99/940 mr 29 oktober 1999</para>
      <para>Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht in het kort geding van:</para>
      <para>1. A te B,</para>
      <para>2. C te D,</para>
      <para>3. E te D,</para>
      <para>4. F te G,</para>
      <para>eiseressen,</para>
      <para>procureur: mr. L.A.M. van Kippersluis,</para>
      <para>advocaat: mr. A.H. Wijnberg te Groningen,</para>
      <para>-tegen-</para>
      <para>de onderlinge waarborgmaatschappij ANOVA ZORGVERZEKERINGEN,</para>
      <para>Zorgkantoor Utrecht, gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procureur: mr. J.J.W. Remme,</para>
      <para>advocaat: mr. H.P. Utermark te 's-Gravenhage.</para>
      <para>1. Het verloop van het geding</para>
      <para>1.1. Eiseressen hebben de gedaagde, verder ook te noemen: het</para>
      <para>Zorgkantoor, in kort geding doen dagvaarden. Op de dienende</para>
      <para>dag, 19 oktober 1999, hebben eiseressen van eis geconcludeerd</para>
      <para>overeenkomstig de inhoud van het exploit van dagvaarding,</para>
      <para>waarvan een fotocopie aan dit vonnis is gehecht.</para>
      <para>1.2. Eiseressen hebben hun vordering bij monde van mr. Wijnberg</para>
      <para>toegelicht mede aan de hand van een overgelegde pleitnota en</para>
      <para>producties.</para>
      <para>1.3. Het Zorgkantoor heeft daarop bij monde van mr. Utermark</para>
      <para>verweer gevoerd mede aan de hand van overgelegde</para>
      <para>(pleit)aantekeningen en producties.</para>
      <para>1.4. Na voortgezet debat hebben partijen de stukken overgelegd</para>
      <para>voor het wijzen van vonnis.</para>
      <para>1.5. Bij brief van 21 oktober 1999 heeft mr. Wijnberg, op</para>
      <para>verzoek van de president en nadat ter zitting door (de raadsman</para>
      <para>van) het Zorgkantoor was verklaard daartegen  geen bezwaar te</para>
      <para>hebben, alsnog in kopie het procesdossier van het kort geding</para>
      <para>bij de president, alsmede een kopie van het procesdossier van het</para>
      <para>daartegen ingestelde hoger beroep aan de president doen</para>
      <para>toekomen. Aan mr. Utermark, raadsman van het Zorgkantoor, heeft</para>
      <para>mr. Wijnberg per gelijke post dezelfde stukken doen toekomen.</para>
      <para>2. De vaststaande feiten</para>
      <para>2.1. Eiseressen zijn verzekerden overeenkomstig de bepalingen</para>
      <para>van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna te noemen:</para>
      <para>AWBZ).</para>
      <para>2.2. De aanspraken van de verzekerden ingevolge de AWBZ vloeien</para>
      <para>voort uit art. 6 AWBZ jo. artikel 15 van het daarop</para>
      <para>gebaseerde besluit zorgaanspraken bijzondere</para>
      <para>ziektekostenverzekering.</para>
      <para>2.3. De te verlenen thuiszorg valt uiteen in zeven categorieën,</para>
      <para>te weten:</para>
      <para>- alphahulp,</para>
      <para>- huishoudelijke hulp,</para>
      <para>- verzorging,</para>
      <para>- algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL),</para>
      <para>- verpleging,</para>
      <para>- gespeçialiseerde verzorging,</para>
      <para>- gespecialiseerde verpleging.</para>
      <para>2.4. De indicatie welke bepalend is voor de vraag of</para>
      <para>de verzekerde aanspraak op thuiszorg heeft en, zo ja, op welke</para>
      <para>categorie en in welke omvang wordt sedert 1 januari 1998</para>
      <para>gesteld door een (onafhankelijk) Regionaal Indicatie Orgaan</para>
      <para>(RIO) als bedoeld in artikel 9a AWBZ.</para>
      <para>2.5. Eiseressen beschikken allen over een advies van het RIO,</para>
      <para>waaruit zij op thuiszorg zijn aangewezen.</para>
      <para>2.6. Eiseressen zijn door de hen betreffende instelling van</para>
      <para>thuiszorg op een wachtlijst geplaatst. Zíj ontvangen derhalve</para>
      <para>niet de hulp waarop zij, krachtens het advies van het RIO,</para>
      <para>aanspraak hebben.</para>
      <para>2.7. De uitvoeringorganen dienen, blijkens artikel 42 AWBZ,</para>
      <para>(met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 AWBZ)</para>
      <para>overeenkomsten te  sluiten met personen en instellingen die één</para>
      <para>of meer van de vormen van zorg krachtens de AWBZ kunnen</para>
      <para>verlenen. In de praktijk is deze taak door alle</para>
      <para>uitvoeringsorganen AWBZ gemandateerd aan één uitvoeringskantoor</para>
      <para>AWBZ per regio, te weten het Zorgkantoor.</para>
      <para>2.8. Het zorgkantoor heeft met de betrokken thuiszorg-</para>
      <para>instellingen, onder meer, afgesproken dat lichamelijke zorg</para>
      <para>(verpleging, ADL en gespecialiseerde verpleging) te allen tijde</para>
      <para>direct moet worden geboden, zo nodig ten koste van andere</para>
      <para>vormen van zorg indien het budget niet toereikend is, alsmede</para>
      <para>dat de thuiszorginstellingen de mate van urgentie dienen te</para>
      <para>bepalen en dat zij wachtlijsten dienen te beheren zulks op</para>
      <para>basis van deugdelijke criteria.</para>
      <para>2.9. Het Zorgkantoor heeft periodiek overleg met alle</para>
      <para>thuiszorginstellingen in zijn regio. Daarbij wordt onder meer</para>
      <para>getoetst of door de thuiszorginstelling is voldaan aan de met</para>
      <para>da thuiszorginstelling gemaakte produktie afspraak, en met name</para>
      <para>of de diverse categorieën van zorg in de afgesproken aantallen</para>
      <para>zijn geleverd. Het Zorgkantoor heeft daarbij geconstateerd dat</para>
      <para>er in zijn regio volledig wordt voldaan aan de</para>
      <para>produktieafspraken, dat de lichamelijke zorg in ieder geval</para>
      <para>binnen een redelijjke termijn wordt geboden doch dat er</para>
      <para>wachtlijsten bestaan voor Alphahulp en HDL.</para>
      <para>2.10. Bij kort gedingvonnis van 18 december 1998 heeft de</para>
      <para>president van de arrondisementsrechtbank te ‘s-Gravenhage de</para>
      <para>vordering van een aantal in vergelijkbare omstandigheden met</para>
      <para>eiseressen verkerende personen tegen de Staat der Nederlanden</para>
      <para>afgewezen. In voormeld vonnis heeft de president te</para>
      <para>‘s-Gravenhage onder meer overwogen dat de Staat zich terecht op</para>
      <para>het standpunt had gesteld dat niet zij maar de verschillende</para>
      <para>verzekeraars c.q. thuiszorginstellingen, aansprakelíjk dienen</para>
      <para>te worden gesteld voor het niet daadwerkelijk honoreren van de</para>
      <para>positieve indicatiestelling van de betrokken eisers. Voorts</para>
      <para>houdt het vonnis van de president te ‘s-Gravenhage het volgende</para>
      <para>in:</para>
      <para>" 3.4. Dat de zorgverzekeraars een beroep zouden kunnen</para>
      <para>doen op overmacht vanwege een tekort aan financiële</para>
      <para>middelen ligt niet in de rede. De uit de wet</para>
      <para>voortvloeiende zorgverplichting, die als</para>
      <para>resultaatsverbintenis moet worden gekwalificeerd, staat</para>
      <para>immens geheel los van het - voor het vervullen van deze</para>
      <para>verplichting - benodigde budget.</para>
      <para>3.5. Overigens staat nog niet vast dat de situatie</para>
      <para>waarvan eisers de dupe zijn het gevolg is van een</para>
      <para>tekort aan financiële middelen. Uit het door gedaagde</para>
      <para>overgelegde Quick-Scan-rapport kan immers afgeleid</para>
      <para>worden dat de oorzaken van de wachtlijstproblematíek</para>
      <para>divers zijn. Aanvulling van de financiële middelen van</para>
      <para>de verzekeraars door gedaagde garandeert bovendien niet</para>
      <para>dat deze - extra - financiën zullen worden aangewend</para>
      <para>voor het verlenen van thuiszorg; het staat de</para>
      <para>verzekeraars immers vrij om het hun door de COTG</para>
      <para>toegewezen (individuele) budget te besteden op de wijze</para>
      <para>die hen goeddunkt."</para>
      <para>2.11. Tegen het hiervoor onder 2.10 genoemde kort gedingvonnis</para>
      <para>is hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>2.12. De circulaire van de Ziekenfondsraad gericht aan de</para>
      <para>uitvoeringsorganen AWBZ van 3 februari 1999 (circulairenummer</para>
      <para>AWBZ/7/99 met als onderwerp „uitkomst van overleg overeenkomst</para>
      <para>zorgverzekeraar – instelling voor thuiszorg„ houdt onder meer</para>
      <para>het volgende in:</para>
      <para>„Uitkomst overleg</para>
      <para>Tussen zorgverzekeraars Nederland (ZN en de</para>
      <para>Kontaktcommissie Publiekrechtelijke</para>
      <para>Ziektekostenregelingen voor Ambtenaren (PKZ) enerzijds</para>
      <para>en anderzijds de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg</para>
      <para>(LVT) is overeenstemming bereikt over een uitkomst van</para>
      <para>overleg voor de overeenkomst tussen een zorgverzekeraar</para>
      <para>en een instelling voor thuiszorg.</para>
      <para>(…).</para>
      <para>Systeem zorgkantoren</para>
      <para>Partijen hebben afgesproken om de contractering en</para>
      <para>uitvoering van de overeenkomst over te laten aan de</para>
      <para>verbindingskantoren. Het verbindingskantoor wordt in de</para>
      <para>uitkomst van overleg aangeduid als zorgkantoor. Ik wijs</para>
      <para>u erop dat u het zorgkantoor zult moeten mandateren</para>
      <para>voor de uitoefening van de wettelijke bevoegdheden en</para>
      <para>machtigen ten aanzien van privaatrechtelijke</para>
      <para>bevoegdheden. Op grond van de wettelijke bepalingen</para>
      <para>rust op de uitvoeringsorganen vooralsnog</para>
      <para>verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de AWBZ.</para>
      <para>(…).</para>
      <para>2.13. Artikel 10 van de overeenkomst Zorgkantoor –</para>
      <para>Thuiszorginstelling luidt onder meer als volgt:</para>
      <para>„financiering</para>
      <para>1. Het zorgkantoor zal de thuiszorginstelling van de</para>
      <para>terzake door de thuiszorginstelling verleende hulp,</para>
      <para>zoals bedoeld onder artikel 1 sub d (=hulp, zoals</para>
      <para>omschreven in artikel 15 Besluit Zorgaanspraken, toev.</para>
      <para>president), zorg, waarop verzekerden als zodanig</para>
      <para>aanspraak hebben, betalen overeenkomstig het tarief</para>
      <para>zoals dat laatstelijk krachtens de WTG is goedgekeurd</para>
      <para>dan wel vastgesteld, met inachtneming van een bij of</para>
      <para>krachtens de AWBZ vastgestelde toegangsbijdrage in de</para>
      <para>kosten van de verstrekking, te betalen door</para>
      <para>verzekerden.</para>
      <para>2. Financiering vindt plaats door bevoorschotting op</para>
      <para>basis van de COTG-rekenstaat.</para>
      <para>(…).</para>
      <para>2.14. Eiseressen sub 1, 2, en 4 hebben bij brief van hun</para>
      <para>raadsman van 25 juni 1999 het Zorgkantoor gesommeerd tot het</para>
      <para>treffen van zodanige maatregelen dat de zorginstellingen in</para>
      <para>staat zijn met onmiddellijke ingang de geïndiceerde thuiszorg</para>
      <para>aan hen te verlenen.</para>
      <para>2.15. Het zorgkantoor heeft bij brief van 15 juli 1999 aan (de</para>
      <para>raadsman van) eiseressen bericht dat hij niet aan de sommatie</para>
      <para>kan voldoen, aangezien de diverse thuiszorginstellingen,</para>
      <para>gehouden aan produktieafspraken, onvoldoende budget hebben</para>
      <para>om de zorg op afzienbare termijn te leveren.</para>
      <para>3. Het geschil</para>
      <para>3.1. Voor de volledige inhoud en de grondslagen van de</para>
      <para>vordering van eiseressen wordt verwezen naar het aan dit vonnis</para>
      <para>gehechte exploit van dagvaarding. Kort weergegeven strekt de</para>
      <para>vordering van eiseressen ertoe het Zorgkantoor, op verbeurte</para>
      <para>van een dwangsom, te bevelen om binnen een week na de</para>
      <para>betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis zodanige</para>
      <para>maatregelen te treffen dat de desbetreffende instellingen de</para>
      <para>gevraagde zorg daadwerkelijk aan eiseressen kunnen verlenen,</para>
      <para>een en ander met veroordeling van het Zorgkantoor in de kosten</para>
      <para>van deze procedure.</para>
      <para>3.2. Eiseressen eggen aan hun vordering ten grondslag dat het</para>
      <para>Zorgkantoor onrechtmatig jegens hen handelt doordat zij de</para>
      <para>uitvoeringsinstellingen (instellingen voor thuiszorg) niet in</para>
      <para>staat stelt hun aan de wet ontleende aanspraken te honoreren,</para>
      <para>als gevolg van welk onrechtmatig handelen zij, eiseressen,</para>
      <para>schade lijden. Voorts stellen eiseressen dat zij een</para>
      <para>spoedeisend belang hebben bij hun vordering, aangezien zij nu</para>
      <para>de zorg behoeven waarop zij krachtens de AWBZ recht hebben.</para>
      <para>3.3. Het Zorgkantoor bepleit afwijzing van de vordering. Hij</para>
      <para>stelt dat het vonnis van de president te ’s-Gravenhage van 18</para>
      <para>december 1998 als onjuist moet worden beschouwd en dat de</para>
      <para>verwachting gerechtvaardigd is dat dit vonnis, althans wat</para>
      <para>betreft de motivering, in hoger beroep zal worden vernietigd.</para>
      <para>Verder voert het Zorgkantoor aan dat hij het niet in zijn macht</para>
      <para>heeft om een oplossing voor de problemen met betrekking tot de</para>
      <para>wachtlijsten te bewerkstelligen en dat eiseressen met hun</para>
      <para>vordering bij hem aan het verkeerde adres zijn. Het zorgkantoor</para>
      <para>heeft verder aangevoerd dat het in zijn algemeenheid niet aan</para>
      <para>hem is zich uit te laten over de vraag in welke gevallen een</para>
      <para>wachttijd aanvaardbaar is en hoe lang deze mag zijn. Voorts</para>
      <para>stelt het Zorgkantoor dat eiseressen, die zich niet zelf tot</para>
      <para>hem hebben gewend, niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een</para>
      <para>dringend belang hebben bij de voor hen geïndiceerde zorg. Ook</para>
      <para>een belangenafweging noopt, aldus het Zorgkantoor, tot</para>
      <para>afwijzing van de vordering van eiseressen. Ten slotte stelt het</para>
      <para>Zorgkantoor dat het primaire gevolg van een toewijzing van de</para>
      <para>vordering van eiseressen zou zijn dat zij bij voorrang zorg</para>
      <para>zouden moeten krijgen hetgeen, aldus het Zorgkantoor, volstrekt</para>
      <para>onverantwoord zou zijn nu eiseressen in dat geval voorrang</para>
      <para>zouden verkrijgen boven alle andere personen wier positie in</para>
      <para>dit kort geding niet aan de orde is geweest of kon zijn.</para>
      <para>4. De beoordeling van het geschil</para>
      <para>4.1. Centraal in dit kort geding staan de vragen of er ten deze</para>
      <para>sprake is van niet (tijdig) verleende thuiszorg, waarop</para>
      <para>krachtens de AWBZ aanspraak bestaat, en zo ja, of de</para>
      <para>zorgverzekeraar daarvoor kan worden aangesproken.</para>
      <para>Eiseressen stellen dat hun aanspraak op verlening van thuiszorg</para>
      <para>vaststaat en zij zijn van oordeel, mede gelet op de inhoud van</para>
      <para>het in onderdeel 2.10 genoemde kort gedingvonnis, dat de</para>
      <para>zorgverzekeraar, in casu het Zorgkantoor, aansprakelijk is voor</para>
      <para>het niet tijdig verlenen van deze zorg. Eiseressen hebben in</para>
      <para>dit verband aangevoerd dat de desbetreffende</para>
      <para>thuiszorginstellingen wel bereid zijn de gevraagde zorg te</para>
      <para>verlenen, maar dat zij door gebrek aan middelen daartoe niet in</para>
      <para>staat zijn. Het Zorgkantoor is, aldus eiseressen, bij machte de</para>
      <para>thuiszorginstellingen die middelen te verschaffen. Door dit na</para>
      <para>te laten handelt het zorgkantoor volgens eiseressen</para>
      <para>onrechtmatig jegens hen.</para>
      <para>4.2. Het Zorgkantoor daarentegen is van mening dat eiseressen</para>
      <para>met hun vordering bij hem aan het verkeerde adres zijn, nu de</para>
      <para>onderhavige problematiek moet worden toegeschreven aan een</para>
      <para>duidelijke kloof tussen de vraag naar thuiszorg en het daarvoor</para>
      <para>beschikbare budget. Hij voert daartoe aan dat de spanning die</para>
      <para>zicht thans voordoet het gevolg is van het feit dat de Overheid</para>
      <para>enerzijds, in casu in de AWBZ, in volume onbeperkte rechten</para>
      <para>toekent en dat dezelfde Overheid anderzijds niet alleen geen</para>
      <para>open-eind-financiering aanvaardt maar bovendien, in het kader</para>
      <para>van zijn streven om de kosten van de gezondheidszorg te</para>
      <para>beperken slechts beperkte middelen ter beschikking stelt. Het</para>
      <para>Zorgkantoor is van mening dat het niet in het vermogen van de</para>
      <para>uitvoeringsorganen AWBZ ligt om de onderhavige problematiek op</para>
      <para>te lossen en dat dit ook niet van hen kan worden gevergd. Hij</para>
      <para>voert daartoe aan dat de zorgkantoren nauwelijks de</para>
      <para>mogelijkheid hebben beleid te voeren en dat ook de door de COTG</para>
      <para>vastgestelde tarieven geen speelruimte bieden. Verder heeft het</para>
      <para>Zorgkantoor gesteld dato ook in de brief van de Staatssecretaris</para>
      <para>van Volksgezondheid Welzijn en Sport aan de voorzitter van de</para>
      <para>Tweede Kamer van 18 juni 1999 met de daarbij gevoegde notitie</para>
      <para>„Zicht op Zorg„(Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999</para>
      <para>nummer 26631, nr. 1) steun valt te vinden voor zijn standpunt</para>
      <para>dat eiseressen zich tot de Staat moeten wenden.</para>
      <para>4.3. heft verweer van het Zorgkantoor dat hij niet aansprakelijk</para>
      <para>is voor het feit dat aan eiseressen, ondanks hun positieve</para>
      <para>indicatiestelling, geen thuiszorg krachtens de AWBZ wordt</para>
      <para>verleend wordt verworpen, op grond van het navolgende.</para>
      <para>4.4. Op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 1 AWBZ hebben</para>
      <para>verzekerden aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekte ten ter</para>
      <para>voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en</para>
      <para>verzorging. Deze aanspraken zijn ander uitgewerkt in het</para>
      <para>Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering. Op</para>
      <para>grond van artikel 15 van dit Besluit behoort thuiszorg tot de</para>
      <para>verstrekkingen waarop op grond van de AWBZ recht bestaat. Een</para>
      <para>aanspraak op de vestrekkingen ontstaat wanneer voor een</para>
      <para>bepaalde verzekerde een positieve indicatie is gesteld op grond</para>
      <para>van het bepaalde in artikel 9a en 9b AWBZ. Als onweersproken</para>
      <para>staat vast dat eiseressen alleen een dergelijke positieve</para>
      <para>indicatie hebben.</para>
      <para>4.5 In artikel 6 lid 1 AWBZ is voorts bepaald dat de</para>
      <para>ziekenfondsen en de ziektekostenverzekeraars en uitvoerende</para>
      <para>organen ervoor zorg dienen te dragen dat de bíj hen</para>
      <para>ingeschreven verzekerden hun aanspraak op zorg tot gelding</para>
      <para>kunnen brengen. Uit deze bepaling volgt onmiskenbaar, dat een</para>
      <para>persoon , die een positieve indicatie heeft voor een bepaalde</para>
      <para>verstrekking jegens de zorgverzekeraar het recht heeft op het</para>
      <para>realiseren van die verstrekking. De stelling van het</para>
      <para>Zorgkantoor, dat aan de zorgplicht van de zorgverzekeraar reeds</para>
      <para>is voldaan door het enkele feit van het sluiten van</para>
      <para>(raam)overeenkomsten met 'thuiszorginstellingen en dat er geen</para>
      <para>rechtsverhouding bestaat tussen de verzekerde en de zorg-</para>
      <para>verzekeraar, wordt verworpen. Voor die stelling valt in de AWBZ</para>
      <para>geen steun te vinden.</para>
      <para>4.6. De AWBZ noemt geen termijn, waarbinnen met de te verlenen</para>
      <para>thuiszorg een aanvang moet worden gemaakt, doch het ligt in de</para>
      <para>rede dat hierbij een redelijke termijn, die van geval tot geval</para>
      <para>kan verschillen, in acht moet worden genomen. Een kort-</para>
      <para>gedingprocedure is niet geëigend om daartoe voor alle gevallen</para>
      <para>geldende termijnregels te stellen. Het is echter voldoende</para>
      <para>aannemelijk geworden dat deze termijn ten aanzien van ieder van</para>
      <para>eiseressen ruimschoots is overschreden. Als niet, althans</para>
      <para>onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat de</para>
      <para>indicatie voor thuiszorg van eiseres sub 1 dateert van 11 maart</para>
      <para>1999 en van eiseres sub 2 van 18 mei 1999. Ook ten aanzien van</para>
      <para>eiseressen sub 3 en 4 heeft te gelden dat zij al te lang op</para>
      <para>(enige vorm van) thuiszorg moeten wachten. Uit het vorenstaande</para>
      <para>volgt dat voldoende aannemelijk is dat het Zorgkantoor</para>
      <para>tekortschiet jegens eiseressen, nu de desbetreffende</para>
      <para>thuiszorginstellingen niet, althans slechts ten dele, aan</para>
      <para>eiseressen de thuiszorg verstrekken, waarop ieder van hen</para>
      <para>krachtens de AWBZ recht heeft.</para>
      <para>4.7. het Zorgkantoor heeft voorts gesteld dat hem niet kan</para>
      <para>worden toegerekend dat eiseressen niet de hen krachtens het</para>
      <para>advies van het RIO toekomende thuiszorg krijgen, nu het aan hem</para>
      <para>daartoe door de Staat respectievelìjk het COTG verstrekte</para>
      <para>budget ontoereikend is. Of het aan het Zorgkantoor verstrekte</para>
      <para>budget ontoereikend is valt in dit kort geding niet met</para>
      <para>zekerheid vast te stellen. Daartoe zou een nader onderzoek van</para>
      <para>de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden nodig</para>
      <para>zijn, waarvoor in dit geding geen plaats is. Echter, indien</para>
      <para>wordt aangenomen, dat het budget niet toereikend is, kan het</para>
      <para>Zorgkantoor zich daarop jegens eiseressen niet beroepen.</para>
      <para>Ten eerste kan betwijfeld of het Zorgkantoor geen enkel</para>
      <para>verwijt treft met betrekking tot de omvang van de budgettaire</para>
      <para>mogelijkheden, aangezien de zorgverzekeraar tegen de door het</para>
      <para>COTG toegepaste verdeling van (het door de Staat voor thuiszorg</para>
      <para>uitgetrokken) macro-budget en de daarbij gehanteerde tarieven,</para>
      <para>bezwaren heeft kunnen uiten. Niet is echter gesteld of gebleken</para>
      <para>of daarvan gebruik is gemaakt.</para>
      <para>Voorts, aangenomen dat ook een dergelijk bezwaar onvoldoende</para>
      <para>budgettaire ruimte heeft kunnen bieden dat wel bij voorbaat</para>
      <para>zinloos zou zijn geweest, aangezien het tekort uitsluitend te</para>
      <para>wijten is aan het door de Staat voor thuiszorg beschikbaar</para>
      <para>gestelde bedrag, zal de zorgverzekeraar de Staat zelf dienen</para>
      <para>aan te spreken. Immers, op beiden rust de verantwoordelijkheid</para>
      <para>voor een adequate uitvoering van de AWBZ.</para>
      <para>Reeds geruime tijd – zo stelt het Zorgkantoor – is het macro-</para>
      <para>budget van de Staat voor thuiszorg te gering.</para>
      <para>Het Zorgkantoor cq de gezamenlijke zorgverzekeraars zullen</para>
      <para>mitsdien toereikende budgetten cq aanvulling van budgettekorten</para>
      <para>van d Staat dienen te verlangen, teneinde in staat te zijn de</para>
      <para>zorgplicht jegens de verzekerden te kunnen nakomen.</para>
      <para>Niet kan worden aangenomen, dat de Staat, met de vaststelling</para>
      <para>van het macro-budget voor thuiszorg heeft beoogd de rechten van</para>
      <para>de AWBZ-verzekerden te bekorten. Wijziging van die rechten zal</para>
      <para>overigens slechts kunnen geschieden door middel van een wijzi-</para>
      <para>ging van de AWBZ zelf. Bovendien zal de Staat zich niet op</para>
      <para>financiële onmacht kunnen beroepen. In ieder geval kan, gelet</para>
      <para>op het zorgkarakter van de AWBZ, een mogelijk budgettair tekort</para>
      <para>niet worden afgewenteld op degenen die de zorg nodig hebben.</para>
      <para>4.8. Het  vorenstaande betekent in concreto, dat voorzover er</para>
      <para>sprake is van onvoldoende budget om aan eiseressen de zorg te</para>
      <para>verlenen, waarop zij krachtens hun indicatiestelling recht</para>
      <para>hebben, dit (in de relatie van eiseressen tot hun zorgverzeke-</para>
      <para>raar) voor rekening komt van de zorgverzekeraar.</para>
      <para>4.9. Het Zorgkantoor heeft niet betwist, dat eiseressen over-</para>
      <para>eenkomstig de bepalingen van de AWBZ bij hem (Anova Zorgverze-</para>
      <para>keringen) verzekerd zijn. Nu voorts vaststaat, dat eiseressen</para>
      <para>nog niet de zorgverstrekking ontvangen waarop zij ingevolge de</para>
      <para>indicatiestelling van het RIO recht hebben, handelt het</para>
      <para>Zorgkantoor in strijd met zijn uit de AWBZ voortvloeiende</para>
      <para>verplichting.</para>
      <para>4.10. Het verweer van het Zorgkantoor, dat bij toewijzing van</para>
      <para>de vordering eiseressen ten onrechte voorrang krijgen boven</para>
      <para>anderen, wordt verworpen. Indien er anderen zijn, die in</para>
      <para>gelijke omstandigheden verkeren als eiseressen, zullen ook zij</para>
      <para>jegens het Zorgkantoor recht hebben op het tot gelding brengen</para>
      <para>van hun aanspraak.</para>
      <para>4.11. Ook de overige door het Zorgkantoor in dit geding</para>
      <para>aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen niet tot een ander</para>
      <para>oordeel leiden. De door eiseressen gevraagde voorzieningen zijn</para>
      <para>derhalve toewijsbaar. Wel zijn termen aanwezig de te verbeuren</para>
      <para>dwangsom te matigen. Voorts zal worden bepaald dat de dwangsom</para>
      <para>vatbaar is voor matiging, voorzover handhaving daarvan naar</para>
      <para>maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou</para>
      <para>zijn, zulks mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de</para>
      <para>veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate</para>
      <para>van verwijtbaarheid daarvan. Ten slotte zal de gevorderde</para>
      <para>uitvoerbaarverklaring op de minuut worden afgewezen, nu</para>
      <para>eiseressen, voor wie terstond na de uitspraak van dit vonnis</para>
      <para>een grosse beschikbaar zal zijn, daarbij geen belang hebben.</para>
      <para>4.12. Het Zorgkantoor zal, als de in het ongelijk gestelde</para>
      <para>partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.</para>
      <para>5. De beslissing</para>
      <para>De president:</para>
      <para>5.1. Veroordeelt het Zorgkantoor om binnen een week na de</para>
      <para>betekening van dit vonnis zodanige maatregelen te treffen dat</para>
      <para>de desbetreffende thuiszorginstelling en de gevraagde zorg</para>
      <para>daadwerkelijk aan ieder van eiseressen kan verlenen, een en</para>
      <para>ander op verbeurte van een dwangsom van f 100,-- per dag, voor</para>
      <para>ieder van eisereSsen afzonderlijk, dat het Zorgkantoor in</para>
      <para>strijd met deze veroordeling handelt.</para>
      <para>Bepaalt dat de hiervoor bedoelde dwangsom vatbaar is voor mati-</para>
      <para>ging door de rechter, voorzover handhaving daarvan naar maat-</para>
      <para>steven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn,</para>
      <para>zulks mede in aanmerking genomen de te waarin aan de</para>
      <para>veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate</para>
      <para>van verwijtbaarheid van de overtreding.</para>
      <para>5.2. Veroordeelt het Zorgkantoor in de kosten van dit geding,</para>
      <para>tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseressen begroot op</para>
      <para>f 1.550,-- voor salaris van hun procureur en op f 462,33 voor</para>
      <para>verschotten.</para>
      <para>5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para>5.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schepen, en uitgesproken</para>
      <para>ter openbare terechtzitting van 29 oktober 1999.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>