<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSHE:2009:BK7119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T06:27:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BK7119</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 08-3076</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Hertogenbosch</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:2009:BK7119">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:2009:BK7119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:39:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSHE:2009:BK7119 Rechtbank 's-Hertogenbosch , 09-12-2009 / AWB 08-3076</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSHE:2009:BK7119:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Indicatiestelling Awbz voor onder andere ondersteunende begeleiding. Uit artikel 2, eerste lid van het BZA kan niet worden afgeleid dat ondersteunende begeleiding pas mogelijk is als medische behandeling en activerende behandeling zijn afgerond. Vernietiging van het besluit wegens strijd met dit artikel. Verweerder heeft zijn standpunt ter zitting genuanceerd in die zin dat ondersteunende begeleiding eerst mogelijk is als voldoende is uitgekristalliseerd welke restbeperkingen er zijn ondanks geneeskundige behandeling en eventuele activerende begeleiding. Dit verdraagt zich niet met verweerders eigen Beleidsregels indicatiestelling Awbz. Geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand te laten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSHE:2009:BK7119:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH </para>
      <para>Sector bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Zaaknummer: AWB 08/3076</para>
    <para />
    <para>Uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2009</para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser],</para>
      <para>te [plaats],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigde mr. drs. M.P.A. Thoonen, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stichting Centrum indicatiestelling Zorg (CIZ),</para>
      <para>te Driebergen-Rijsenburg,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigden mr. J. Heuvelman, mr. N. Benedictus en drs. M. van Breemen, arts.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 12 december 2007 heeft verweerder besloten dat eiser geen recht heeft op zorg ingevolge de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz).</para>
    <para />
    <para>Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 17 juli 2008 deels gegrond verklaard. Aan eiser is alsnog een indicatie voor activerende begeleiding algemeen klasse 1 (0-1,9 uur) toegekend, zulks met ingang van 1 mei 2008 en voor een periode van maximaal 3 maanden.</para>
    <para />
    <para>Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De zaak is behandeld op de zitting van 7 oktober 2009, waar eiser is verschenen in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van een tolk. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. </para>
    <para />
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1. Aan de orde is de vraag of verweerder terecht en op goede gronden eisers aanvraag voor zorg ingevolge de Awbz slechts heeft toegewezen voor wat betreft activerende begeleiding gedurende 3 maanden vanaf 1 mei 2008, waarbij de aanvraag voor het overige is afgewezen. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank gaat uit van de navolgende relevante feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft op 24 juli 2007 een aanvraag ingediend voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding en persoonlijke verzorging ingevolge de Awbz. Het aanvraagformulier is ingevuld door eisers behandelaar, klinisch psycholoog H. Onat. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de indicatieadviseur CIZ op 12 november 2007 een onderzoek verricht. Uit dit onderzoek is de adviseur gebleken dat er bij eiser geen fysieke belemmeringen zijn om taken (gedoseerd) uit te voeren of activiteiten op te pakken. De adviseur ziet daarom geen aanleiding om persoonlijke verzorging te indiceren. De adviseur heeft wel vastgesteld dat eiser door zijn psychische gesteldheid wordt belemmerd in het dagelijks functioneren. Om hierbij geholpen te worden is het volgens de adviseur noodzakelijk dat er een behandelplan wordt opgesteld waarin wordt aangegeven hoe eiser meer betrokken kan worden bij zijn huishouden en het sociaal-maatschappelijk leven. Mogelijk kan dan de functie activerende begeleiding algemeen geïndiceerd worden in samenhang met de huidige behandeling. Daarna kan volgens de adviseur worden beoordeeld of er sprake kan zijn van de functie ondersteunende begeleiding. De adviseur stelt dat diverse pogingen zijn ondernomen om dit plan van aanpak ter inzage te krijgen, maar dat dit plan nooit door de behandelaar beschikbaar is gesteld. De adviseur stelt dat daarom geen positieve indicatie kan worden gesteld voor begeleidende hulp in de thuissituatie. De adviseur heeft de afwijzing van de indicatie mede gebaseerd op eisers geringe bereidheid veranderingen na te streven. </para>
    <para />
    <para>4. Naar aanleiding van het door eiser ingestelde bezwaar heeft er een nader onderzoek plaatsgevonden door de medisch adviseur bezwaarzaken CIZ. Deze is van mening dat er geen goede argumenten bestaan voor het toekennen van een indicatie voor persoonlijke verzorging. Eiser ondervindt weliswaar enige lichamelijke beperkingen, maar moet volgens de adviseur zeker in staat worden geacht zich lichamelijk te verzorgen. Ten aanzien van ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding heeft de adviseur opgemerkt dat het heel goed mogelijk is om dit ter ondersteuning van een therapeutische behandeling te indiceren, nu eiser inmiddels gemotiveerd zegt te zijn. Voorts stelt de adviseur dat er helaas geen onderbouwing middels een concreet behandelplan is, waardoor het op dit moment niet mogelijk is om tot indicatie over te gaan. De adviseur had voor zijn beoordeling de beschikking over het zorgplan van eiser, opgesteld door klinisch psycholoog H. Onat. De heer Onat heeft het volgende behandeldoel geformuleerd: verminderen van de symptomen, herkennen en hanteren van vroege tekenen van terugval, verbeteren van het persoonlijk functioneren van de patiënt, waardoor herhaling vermindert, opzetten of ondersteunen van een sociaal steunsysteem. </para>
    <para />
    <para>5. In het door verweerder opgestelde concept besluit op bezwaar wordt tijdelijk activerende begeleiding toegekend. Hiermee wordt ruimte gecreëerd om een gedragsdeskundige in te schakelen en een adequaat zorg/behandelplan op te stellen dat ondersteunend is aan de behandeling. Toekenning van activerende begeleiding algemeen klasse 1 met een duur van 3 maanden wordt met dit doel door verweerder adequaat geacht. Ten aanzien van ondersteunende begeleiding en persoonlijke verzorging is verweerder van oordeel dat de aanvraag hiertoe terecht is afgewezen. </para>
    <para />
    <para>6. Het concept besluit op bezwaar is conform artikel 58 van de Awbz voorgelegd aan het College voor zorgverzekeringen (Cvz). Het Cvz acht de beslissing van verweerder met betrekking tot de indicatie voor de functies persoonlijke verzorging en ondersteunende begeleiding juist. Het Cvz acht echter de toegekende indicatie met betrekking tot de functie activerende begeleiding niet juist. Het Cvz is van mening dat het in het dossier aanwezige zorgplan van klinisch psycholoog Onat geen individueel gespecificeerde doelen bevat die via een programmatische aanpak, volgens een door de beroepsgroep als effectief geaccepteerde methode gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast heeft het Cvz opgemerkt dat de CIZ-arts terecht aangeeft dat behandeling voorliggend is op de inzet van Awbz-zorg. Behandeling is weliswaar gestart, maar inmiddels al maanden gestopt vanwege vakantie en ziekte van de behandelaar, kennelijk zonder dat er overdracht heeft plaatsgevonden aan een vervanger. Dat moet volgens het Cvz tot de conclusie leiden dat er op dit moment geen adequate behandeling plaatsvindt, hetgeen een indicatie voor Awbz-zorg in de weg staat. Daarbij wijst het Cvz er op dat per 1 januari 2008 de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg is overgeheveld van de Awbz naar de Zorgverzekeringswet,  hetgeen ook geldt voor de geneeskundige activerende begeleiding. Verweerder is dan ook met ingang van 1 januari 2008 niet langer bevoegd om een indicatie af te geven voor geneeskundige activerende begeleiding. De niet-geneeskundige activerende begeleiding valt nog wel onder de Awbz en hiervoor is dus een indicatie vereist. Het Cvz is, mede gelet op het advies van de medisch adviseur, van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat eiser is aangewezen op niet-geneeskundige activerende begeleiding.  </para>
    <para />
    <para>7. Bij zijn besluit op bezwaar heeft verweerder het concept besluit op bezwaar ongewijzigd gehandhaafd. Eiser wordt niet geïndiceerd voor persoonlijke verzorging en voor ondersteunende begeleiding. Wel wordt in afwijking van het advies van het Cvz een indicatie toegekend voor activerende begeleiding klasse 1 gedurende drie maanden vanaf 1 mei 2008. Verweerder is het in principe eens met de motivering van het Cvz, maar ziet aanleiding om in eisers specifieke situatie hiervan af te wijken. De reden hiervoor is dat verweerder een dermate vertrouwen heeft opgewekt dat eiser voor activerende begeleiding in aanmerking zou komen, dat opvolging van het Cvz advies onredelijk zou zijn. </para>
    <para />
    <para>8. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit op bezwaar. Eiser stelt dat de primaire beslissing, alsook de beslissing op bezwaar dient te worden genomen met inachtneming van de geldende regels van vóór 1 januari 2008. Hiertoe heeft eiser aangegeven dat hij reeds op 24 juli 2007 een aanvraag voor een indicatie heeft ingediend, maar dat het meer dan 10 weken heeft geduurd voordat verweerder het dossier in behandeling nam. Daarnaast dateert het primaire besluit van 12 december 2007. </para>
    <para />
    <para>9. Ten aanzien van de indicatie voor activerende begeleiding die gericht is op herstel en voorkoming van verergering van de psychiatrische aandoening stelt eiser in beroep dat deze wel onder de Awbz valt en dat er derhalve geen sprake hoeft te zijn van een uitzonderlijke situatie. Voorts ziet verweerder, met de opmerking dat het door de behandelaar overgelegde behandelplan onvoldoende houvast biedt om Awbz-zorg te indiceren, volgens eiser het door de behandelaar opgestelde zorgplan, waarin de behandeldoelen wel degelijk zijn genoemd, over het hoofd. Eiser stelt dat verweerder in vergelijkbare gevallen wel een indicatie voor activerende begeleiding heeft afgegeven, zonder dat daarbij om een zorgplan, danwel behandelplan is verzocht. Volgens eiser handelt verweerder hiermee in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eiser verzoekt de rechtbank hem in de gelegenheid te stellen om de stukken waaruit dat blijkt in het geding te brengen. Eiser heeft voorts naar voren gebracht dat de veronderstelling van verweerder dat de behandeling na december 2007 is stil komen te liggen niet juist is. De heer Onat heeft ook gedurende zijn ziekte -indien hij daartoe in staat was- patiënten behandeld. Eiser stelt voorts dat geen sprake is van antirevaliderende werking. Los van het feit dat de periode van drie maanden op het moment van het besluit nagenoeg verstreken was, is eiser van mening dat de geïndiceerde periode om een adequaat behandelplan op te laten stellen, van veel te korte duur is. De behandelaar heeft volgens eiser wel degelijk voldoende informatie verstrekt om tot een goede indicatie te komen, getuige ook het feit dat verweerder in vergelijkbare gevallen wel tot een ruimere indicatie voor activerende begeleiding komt. </para>
    <para />
    <para>10. Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om een indicatie voor ondersteunende begeleiding heeft eiser in beroep aangevoerd dat hij kan aantonen dat verweerder in vergelijkbare gevallen wel tot een indicatie komt. In andere gevallen komt verweerder wel tot een indicatie ondersteunende begeleiding èn activerende begeleiding terwijl ook in die gevallen nog geen adequate therapeutische behandeling of activerende begeleiding heeft plaatsgevonden. Ook hier handelt verweerder volgens eiser in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien is de door verweerder verstrekte informatie volgens eiser misleidend. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de coördinerend medewerker bezwaarzaken CIZ, heeft aangegeven dat zonder behandelplan geen ondersteunende begeleiding kan worden geboden. Uit de beleidsregels indicatiestelling Awbz blijkt volgens eiser echter niet dat voor ondersteunende begeleiding een behandelplan nodig is. </para>
    <para />
    <para>11. Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om een indicatie voor persoonlijke verzorging heeft eiser in beroep naar voren gebracht dat verweerder heeft nagelaten het advies van de medisch adviseur aan hem te overleggen. Als gevolg hiervan is hij niet in staat zich hierover een oordeel te vormen en de gronden van zijn beroep met betrekking tot dit punt aan te vullen. Met het achterhouden van informatie, terwijl hiernaar door verweerder wel wordt verwezen en hieraan een voor eiser negatieve conclusie wordt verbonden, handelt verweerder volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser wenst dat de genoemde medische informatie hem alsnog ter hand wordt gesteld zodat hij hierover alsnog een oordeel kan geven. </para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>13. Ten aanzien van de vraag welk recht van toepassing is overweegt de rechtbank dat uitgangspunt is dat de heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) plaatsvindt aan de hand van het recht zoals dit luidt ten tijde van het besluit op bezwaar. Dit is slechts anders als uit overgangsrecht blijkt dat het voorheen vigerende recht dient te worden toegepast, hetgeen in casu niet het geval is. Blijkens het verweerschrift toetst verweerder bij de heroverweging in bezwaar in beginsel aan het op dat moment vigerende recht, tenzij dit ten nadele van de verzekerde werkt. De rechtbank begrijpt deze handelwijze aldus dat er kennelijk sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid, in die zin dat ook in bezwaar het voorheen nog vigerende recht wordt toegepast, indien dit voor betrokkene gunstiger is. Dienovereenkomstig heeft verweerder ten aanzien van eiser niet de eerst vanaf 1 januari 2008 geldende wet- en regelgeving toegepast. Hetgeen op dit punt in beroep is aangevoerd, mist dan ook feitelijke grondslag.</para>
    <para />
    <para>14. De rechtbank overweegt voorts als volgt ten aanzien van de activerende begeleiding. </para>
    <para />
    <para>15. Ingevolge het voor 1 januari 2008 vigerende recht, dat door verweerder in het geval van eiser is toegepast, bood de Awbz de mogelijkheid tot indicatiestelling ten behoeve van geneeskundige activerende begeleiding. Daarnaast biedt zowel de voorheen vigerende regelgeving als het ten tijde van het besluit op bezwaar geldende recht de mogelijkheid tot indicatiestelling voor niet geneeskundige activerende begeleiding. </para>
    <para />
    <para>16. Eisers behandelaar heeft te kennen gegeven dat hij de inzet van activerende begeleiding gedurende de behandeling ondersteunt en dat hij hierin mogelijkheden ziet voor verbetering van eisers functioneren. In een dergelijke situatie kan in beginsel activerende begeleiding worden toegekend als ondersteuning naast een lopende therapeutische behandeling. Bij het indiceren van activerende begeleiding is evenwel een vereiste dat er sprake is van een concreet behandeldoel. Uitgaand van een concreet behandeldoel kan activerende begeleiding ook worden ingezet om te komen tot een behandelplan. Daarbij is vereist een plan van aanpak waarin te behalen doelen, stappen en acties en de verwachte tijdsduur zijn omschreven. Er dient sprake te zijn van een programmatische aanpak volgens een door de beroepsgroep als effectief geaccepteerde methode gericht op het behalen van een specifiek van te voren vastgelegd doel. Tevens moeten de omvang en de frequentie van de zorginterventies aangegeven zijn, waarbij moet worden onderbouwd of het om individuele zorg dan wel om zorg in groepsverband gaat. </para>
    <para />
    <para>17. Vastgesteld moet worden dat verweerders besluitvorming uitsluitend is gebaseerd op het ongedateerde zorgplan van de klinisch psycholoog H. Onat. Namens eiser zou voorafgaand aan het besluit op bezwaar per gewone post ook nog een door Zorgia opgesteld zorgplan aan verweerder zijn ingezonden. Verweerder stelt echter dit tweede zorgplan nooit te hebben ontvangen, in verband waarmee alleen het ongedateerde zorgplan van H. Onat aan het besluit ten grondslag ligt. Nu krachtens vaste rechtspraak het risico van niet aangetekende verzending van stukken voor rekening van de verzender dient te blijven, kan niet aan verweerder worden tegengeworpen dat het tweede zorgplan van Zorgia niet bij de besluitvorming is betrokken. Uitgangspunt bij de beoordeling van het in beroep voorliggende besluit op bezwaar is dan ook uitsluitend het ongedateerde zorgplan van H. Onat. </para>
    <para />
    <para>18. De rechtbank stelt vast dat het zorgplan van H. Onat in zeer algemene termen is geformuleerd zowel ten aanzien van het behandeldoel als ten aanzien van de daarvoor vereiste stappen en acties. Daar komt bij dat een indicatie omtrent de verwachte tijdsduur in zijn geheel ontbreekt in dit zorgplan. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat het zorgplan geen individueel gespecificeerde doelen bevat, die via een programmatische aanpak, volgens een door de beroepsgroep als effectief geaccepteerde methode gerealiseerd kunnen worden. Derhalve moet met verweerder worden geconstateerd dat een concreet behandeldoel ontbreekt, ten gevolge waarvan geneeskundige activerende medische begeleiding niet kan worden geïndiceerd. </para>
    <para />
    <para>19. Voor zover eiser zou beogen om een indicatie te verkrijgen voor niet geneeskundige activerende begeleiding blijkt niet dat eiser hierop zou zijn aangewezen. </para>
    <para />
    <para>20. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder eiser zeker niet tekort heeft gedaan door hem in aanmerking te brengen voor activerende begeleiding klasse 1 gedurende  drie maanden. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard voor zover dit ziet op activerende begeleiding. </para>
    <para />
    <para>21. Het vorenstaande wordt niet anders doordat eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel. Immers, nog daargelaten dat namens verweerder ter zitting van de rechtbank is gesteld dat de door eiser aangehaalde gevallen wezenlijk anders zijn dan de situatie van eiser, de werking van het gelijkheidsbeginsel gaat niet zo ver dat verweerder gehouden zou zijn om een in het verleden genomen onjuiste beslissing te blijven herhalen ten aanzien van toekomstige gevallen. </para>
    <para />
    <para>22. De rechtbank komt thans toe aan de gevraagde indicatie voor ondersteunende begeleiding. </para>
    <para />
    <para>23. Verweerder heeft eiser ook niet in aanmerking gebracht voor ondersteunende begeleiding. In dat verband heeft verweerder zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat ondersteunende begeleiding, op basis van de grondslag psychische beperkingen, pas aan de orde is in een eindsituatie, nadat adequate therapeutische behandeling en indien nodig activerende begeleiding heeft plaatsgevonden. Eiser is zodoende niet aangewezen op ondersteunende begeleiding vanwege de psychiatrische problematiek. </para>
    <para />
    <para>24. Verweerder verwijst in het verweerschrift dienaangaande naar artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken Awbz (hierna: BZA), op basis waarvan verweerder het standpunt hanteert dat behandeling voorliggend is op Awbz-zorg.  </para>
    <para />
    <para>25. De rechtbank stelt vast dat artikel 2, eerste lid van het BZA  aangeeft op welke vormen van zorg de verzekerde aanspraak heeft, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling.</para>
    <para />
    <para>26. De rechtbank onderkent dat hiermee is bedoeld als uitgangspunt te hanteren dat geen Awbz-zorg wordt toegekend, indien er sprake is van een voorliggende voorziening in die zin dat de gevraagde zorg op zichzelf bezien onder een andere wettelijke regeling valt. Indien betrokkene op grond van een andere wettelijke regeling aanspraak kan maken op de gevraagde ondersteunende begeleiding, doet zich een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het BZA voor. Echter, uit deze bepaling valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat ondersteunende begeleiding in de zin van de Awbz eerst kan worden geïndiceerd, indien medische behandeling en activerende begeleiding reeds geheel zijn afgerond. </para>
    <para />
    <para>27. Nu verweerder desalniettemin zijn weigering om een indicatie voor ondersteunende begeleiding toe te kennen op dit onjuiste uitgangspunt heeft gebaseerd, komt het bestreden besluit op dit onderdeel in aanmerking voor vernietiging wegens een onjuiste toepassing van artikel 2, eerste lid, van het BZA. </para>
    <para />
    <para>28. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard voor zover dit ziet op ondersteunende begeleiding.</para>
    <para />
    <para>29. Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van het indiceren van ondersteunende begeleiding genuanceerd in die zin dat van ondersteunende begeleiding eerst sprake kan zijn op het moment dat voldoende is uitgekristalliseerd welke restbeperkingen er zijn ondanks de geneeskundige behandeling en de eventuele activerende begeleiding. </para>
    <para />
    <para>30. De rechtbank stelt vast dat in bijlage 6 bij de Beleidsregels indicatiestelling Awbz onder punt 2.1. is vermeld dat de functie ondersteunende begeleiding (deels) kan zijn aangewezen als is vastgesteld dat behandeling of activerende begeleiding geen adequate oplossing biedt om de zelfredzaamheid en integratie in de samenleving van de verzekerde te bevorderen of te handhaven. Als verbetering van de beperkingen door behandeling en/of activerende begeleiding mogelijk is, is de verzekerde daarop in eerste instantie aangewezen. Daarbij is  expliciet vermeld dat tijdens die behandeling, in overleg met de behandelaar, zonodig tijdelijk ondersteunende begeleiding kan worden geïndiceerd. </para>
    <para />
    <para>31. Nu de weigering om ondersteunende begeleiding te indiceren blijkens het besluit op bezwaar is gebaseerd op de overweging dat er ten aanzien van eiser geen sprake is van een eindsituatie nadat behandeling en activerende begeleiding hebben plaatsgevonden, heeft verweerder miskend dat blijkens zijn eigen beleidsregels ondersteunende begeleiding ook tijdelijk kan worden geïndiceerd gelijktijdig met behandeling en eventuele activerende begeleiding. Op dit punt zal verweerder zich alsnog een inhoudelijk oordeel dienen te vormen bij een nieuw besluit op bezwaar, zodat de nuancering van verweerders standpunt ter zitting geen aanleiding kan zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar in stand te laten. </para>
    <para />
    <para>32. Ten aanzien van de weigering van verweerder om eiser te indiceren voor persoonlijke verzorging overweegt de rechtbank dat niet genoegzaam is aangetoond dat verweerders standpunt, inhoudend dat eiser geen zodanige fysieke beperkingen heeft dat indicatiestelling op dit punt noodzakelijk is, onjuist zou zijn. Door verweerder is erkend dat het medisch advies van 18 april 2008 in het kader van de besluitvorming niet aan eiser ter hand is gesteld. Verweerder hanteert de gedragslijn dat dit advies slechts aan betrokkenen wordt verstrekt, indien daarom expliciet wordt gevraagd. De rechtbank stelt vast dat dit medisch advies deel uitmaakt van de gedingstukken in beroep en als zodanig bij eiser volledig bekend is. Nu eiser in beroep, desgewenst, alsnog volledig kan reageren op de inhoud van het medisch advies, is hij door deze gang van zaken niet zodanig in zijn belangen geschaad dat uitsluitend in verband hiermee dient te worden geconcludeerd tot vernietiging van het besluit op bezwaar voor zover dit ziet op de persoonlijke verzorging. Ook in zoverre dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>33. Het vorenstaande betekent dat het beroep gegrond wordt verklaard voor zover het besluit op bezwaar betrekking heeft op ondersteunende begeleiding, terwijl het beroep voor het overige ongegrond wordt verklaard.  </para>
    <para />
    <para>34. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de ondersteunende begeleiding. </para>
    <para />
    <para>35. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade, nu eiser zijn verzoek niet nader heeft onderbouwd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>36. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:</para>
      <para>• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;</para>
      <para>• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;</para>
      <para>• waarde per punt € 322,00;</para>
      <para>• wegingsfactor 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>37. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 39,00 dient te worden vergoed.</para>
    <para />
    <para>38. Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op de functie ondersteunende begeleiding;</para>
      <para>- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar in zoverre;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;</para>
      <para>- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 39,00;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;</para>
      <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als voorzitter en mr. A.H.N. Kruijer en mr. E.H.B.M. Potters als leden in tegenwoordigheid van R.G. van der Korput als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009.</para>
    <para />
    <para />
    <para>&amp;lt;i&amp;gt;Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.&amp;lt;/i&amp;gt;</para>
    <para />
    <para>Afschriften verzonden:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>