<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3888</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:02:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3888</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Awb 99/3893 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:15">Algemene wet bestuursrecht 6:15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:81">Algemene wet bestuursrecht 8:81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 1999, 152</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/237 met annotatie van Karianne Albers</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3888">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3888</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3888 Rechtbank 's-Hertogenbosch , 30-06-1999 / Awb 99/3893 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3888:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3888:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
      <para>Justex nieuwsbriefnummer 496</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>--------------------------------</para>
      <para>Uitspraak</para>
      <para>--------------------------------</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Awb 99/3893 VV</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene </para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, wonende te B, verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde mr. P.M.E.C. Bertens-van Kuijk, advocaat te Eindhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>Zorgkantoor Zuidoost-Brabant.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 april 1999 heeft verweerder aan verzoekster voor de</para>
      <para>periode van 1 april 1999 tot en met 31 december 1999 een</para>
      <para>persoonsgebonden budget (hierna: pgb) toegekend op grond van de</para>
      <para>Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring persoonsgebonden budget 1999,</para>
      <para>voor 3 uur en 20 minuten verpleging, 3½ uur verzorging, 14 uur ADL</para>
      <para>(Algemene dagelijkse verrichtingen) en 12 uur HDL (huishoudelijke</para>
      <para>dagelijkse verrichtingen) per week.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoekster op 3 mei 1999 een bezwaarschrift</para>
      <para>ingediend bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 21 mei 1999 heeft verzoekster de president van de rechtbank</para>
      <para>vervolgens verzocht een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81</para>
      <para>van de Awb te treffen, inhoudende dat het hogere aantal uren dat in</para>
      <para>aanmerking was genomen bij het aan eiseres over de periode vóór 1 april</para>
      <para>1999 toegekende pgb ook na 1 april tot uitgangspunt moet worden</para>
      <para>genomen bij de vaststelling van haar pgb, totdat in de hoofdzaak over het</para>
      <para>besluit van 21 april 1999 is beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 juni 1999, waar verzoekster is</para>
      <para>verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder </para>
      <para>heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan indien tegen een besluit bij de</para>
      <para>rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk</para>
      <para>beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is</para>
      <para>ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in</para>
      <para>de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien</para>
      <para>onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts</para>
      <para>aanleiding bestaan, indien het in de bodemprocedure bestreden besluit</para>
      <para>naar voorlopig oordeel onrechtmatig is te achten en om die reden</para>
      <para>vermoedelijk zal worden vernietigd, terwijl tevens voldoende spoedeisend</para>
      <para>belang aanwezig is.</para>
      <para>Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in het geding zijnde besluit zal</para>
      <para>moeten worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond</para>
      <para>bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van</para>
      <para>de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen te worden</para>
      <para>afgewogen tegen het belang dat wordt gediend met onmiddellijke</para>
      <para>uitvoering van het besluit.</para>
      <para>Voorzover de beslissing over het al dan niet treffen van een voorlopige</para>
      <para>voorziening met zich meebrengt dat een oordeel moet worden gegeven</para>
      <para>over het geschil in de bodemprocedure, heeft dat oordeel een voorlopig</para>
      <para>karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing in de</para>
      <para>bodemprocedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval heeft verzoekster aangevoerd dat het aantal uren</para>
      <para>zorgbehoefte, waarop haar pgb bij het bestreden besluit met ingang van 1</para>
      <para>april 1999 is gebaseerd, om onduidelijke redenen aanmerkelijk lager is dan</para>
      <para>het aantal uren zorgbehoefte waarop haar pgb in de periode vóór 1 april</para>
      <para>1999 was gebaseerd. Verzoekster heeft daarbij benadrukt dat het thans tot</para>
      <para>uitgangspunt genomen aantal uren zorg ontoereikend is voor haar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van verweerder is als meest verstrekkende verweer</para>
      <para>aangevoerd dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat</para>
      <para>haar bezwaren zich in feite niet richten tegen het besluit van 21 april 1999,</para>
      <para>waarbij alleen maar is vastgesteld hoe hoog haar pgb moet zijn uitgaande</para>
      <para>van een eerder vastgestelde zorgbehoefte, maar tegen het aan de</para>
      <para>vaststelling van het pgb voorafgaande indicatiebesluit, waarbij haar</para>
      <para>zorgbehoefte is vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De president overweegt dienaangaande als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere</para>
      <para>Ziektekosten (AWBZ) hebben verzekerden aanspraken op zorg ter</para>
      <para>voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige</para>
      <para>behandeling, verpleging en verzorging. Voorts is in dit artikelonderdeel</para>
      <para>bepaald dat de aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak</para>
      <para>bestaat, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt geregeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter uitvoering daarvan is het Besluit zorgaanspraken bijzondere</para>
      <para>ziektekostenverzekering vastgesteld (Besluit van 20 november 1991, Stb.</para>
      <para>1991, 590, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 4 november 1998, Stb. 1998,</para>
      <para>626, hierna: Besluit zorgaanspraken). Ingevolge artikel 2 van dit besluit</para>
      <para>hebben de verzekerden aanspraak op de zorg zoals omschreven in - voor</para>
      <para>zover hier van belang - artikel 15 van dit besluit. Ingevolge artikel 15 bestaat </para>
      <para>een aanspraak op thuiszorg, aldaar nader omschreven als:</para>
      <para>a.      verpleging, verzorging, begeleiding of voorlichting in verband met</para>
      <para>ziekte, herstel, invaliditeit of ouderdom;</para>
      <para>b.      hulp van huishoudelijke, persoonlijke of begeleidende aard in</para>
      <para>verband met ziekte, herstel, invaliditeit, ouderdom, overlijden of een</para>
      <para>psychosociaal probleem, die of dat leidt of dreigt te lijden tot het</para>
      <para>disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde</para>
      <para>dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort;</para>
      <para>c.      (...).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ dienen Burgemeester en</para>
      <para>wethouders erin te voorzien dat ten behoeve van de inwoners van hun</para>
      <para>gemeente er in hun gemeente een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam</para>
      <para>is, dat kosteloos beoordeelt of een inwoner in aanmerking komt voor een</para>
      <para>van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.</para>
      <para>Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ kunnen verzekerden hun</para>
      <para>aanspraken op vormen van zorg, als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, pas</para>
      <para>tot gelding brengen, indien zij een advies hebben overgelegd van het in dat</para>
      <para>artikel bedoelde orgaan, waaruit blijkt dat zij op die zorg zijn aangewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 2 van het zogeheten Zorgindicatiebesluit (KB van 2 oktober 1997,</para>
      <para>Stb. 1997, 447) is als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid,</para>
      <para>van de AWBZ - voor zover hier van belang - aangewezen de thuiszorg als</para>
      <para>bedoeld in artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken. Voor deze thuiszorg</para>
      <para>geldt derhalve dat verzekerden hun aanspraken daarop pas tot gelding</para>
      <para>kunnen brengen indien zij een advies hebben overgelegd van het in artikel</para>
      <para>9a, eerste lid, van de AWBZ bedoelde indicatieorgaan, waaruit blijkt dat zij</para>
      <para>op die zorg zijn aangewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Zorgindicatiebesluit zijn voorts nadere regels gesteld over onder</para>
      <para>meer het onderzoek dat het indicatieorgaan dient te verrichten nadat door</para>
      <para>een verzekerde een aanvraag om een indicatiebesluit is gedaan. Ingevolge</para>
      <para>artikel 12 van het Zorgindicatiebesluit dient het indicatieorgaan voorts</para>
      <para>binnen zes weken na de indiening van de aanvraag een indicatiebesluit</para>
      <para>vast te stellen. In dat indicatiebesluit dient op grond van artikel 13 van het</para>
      <para>Zorgindicatiebesluit te worden aangegeven in welke omvang de verzekerde</para>
      <para>in aanmerking komt voor zorg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betreffende zorg wordt vervolgens op grond van artikel 10 van de</para>
      <para>AWBZ in beginsel in natura verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de beoordeling van het onderhavige geschil is voorts het bepaalde in</para>
      <para>artikel 39, derde lid, aanhef en onder h van de Wet financiering</para>
      <para>volksverzekeringen (WFV) van belang. Ingevolge dat artikelonderdeel</para>
      <para>worden uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten betaald: de</para>
      <para>uitgaven voor andere door de Ziekenfondsraad aan te geven doeleinden,</para>
      <para>verband houdende met de algemene verzekering bijzondere ziektekosten</para>
      <para>of met de volksgezondheid in het algemeen. Op grond van dit</para>
      <para>artikelonderdeel is het Besluit regeling Ziekenfondsraad subsidiëring</para>
      <para>persoonsgebonden budget 1999 (hierna: Besluit ZFR PGB 1999)</para>
      <para>vastgesteld. Op grond van deze regeling kan aan verzekerden, die zijn</para>
      <para>aangewezen op de thuiszorg als omschreven in artikel 15, eerste lid,</para>
      <para>aanhef en onder a en b, van het Besluit zorgaanspraken, op hun verzoek in</para>
      <para>plaats van zorg in natura een persoonsgebonden budget worden</para>
      <para>toegekend, waarmee door de verzekerde zelf ingekochte zorg kan worden</para>
      <para>betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Besluit ZFR PGB 1999 geldt ook</para>
      <para>ten aanzien van een pgb dat daarvoor alleen in aanmerking komt de</para>
      <para>verzekerde ten aanzien van wie een indicatiebesluit als bedoeld in artikel</para>
      <para>9a en 9b van de AWBZ is afgegeven waaruit volgt dat de verzekerde op</para>
      <para>deze thuiszorg is aangewezen. Voorts is in artikel 7, eerste lid, van het</para>
      <para>Besluit ZFR PGB 1999 - voor zover hier van belang - bepaald dat</para>
      <para>toekenning van het pgb plaats heeft met inachtneming van het</para>
      <para>indicatiebesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het hiervoor weergegeven samenstel van regelingen volgt naar het</para>
      <para>voorlopig oordeel van de president dat het op grond van artikel 9a van de</para>
      <para>AWBZ ingestelde indicatieorgaan een bestuursorgaan is in de zin van</para>
      <para>artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Voorts moet op grond van de artikelen</para>
      <para>9a en 9b van de AWBZ en op grond van het op die artikelen gebaseerde</para>
      <para>Zorgindicatiebesluit worden vastgesteld dat een besluit van het</para>
      <para>indicatieorgaan, waarin is vastgesteld in welke omvang de verzekerde</para>
      <para>aanspraak heeft op zorg, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid,</para>
      <para>van de Awb. Een dergelijk besluit is immers gericht op publiekrechtelijk</para>
      <para>rechtsgevolg. De omvang van de zorgaanspraak van de verzekerde wordt</para>
      <para>erdoor vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens volgt uit het voorgaande dat verweerder bij de vaststelling van een</para>
      <para>pgb geen ruimte meer heeft voor een eigen beoordeling of aanpassing van</para>
      <para>de indicatiestelling. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit ZFR PGB</para>
      <para>1999 dient toekenning van het pgb immers plaats te vinden met</para>
      <para>inachtneming van het indicatiebesluit. Ook in de nota van toelichting bij het</para>
      <para>Zorgindicatiebesluit is een dergelijke taakverdeling uitdrukkelijk</para>
      <para>beschreven: het indicatieorgaan dient te bepalen of iemand voor zorg in</para>
      <para>aanmerking komt, de verzekeraars (zoals verweerder) zijn er</para>
      <para>verantwoordelijk voor dat de verzekerde zijn wettelijke aanspraken op zorg</para>
      <para>tot gelding kan brengen (zorgtoewijzing) en zorgverleners zijn</para>
      <para>verantwoordelijk voor de zorgverlening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder moet dan ook worden gevolgd in de vaststelling dat de</para>
      <para>bezwaren van verzoekster zich niet richten tegen de wijze waarop</para>
      <para>verweerder de door het indicatie-orgaan vastgestelde zorgaanspraken</para>
      <para>heeft omgerekend naar een aan verzoekster toegekend pgb, maar</para>
      <para>uitsluitend tegen de omvang van de zorgaanspraak die door het indicatie-</para>
      <para>orgaan is vastgesteld bij het zich bij de gedingstukken bevindende besluit</para>
      <para>van 16 maart 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag welke gevolgen dit moet hebben voor</para>
      <para>het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn</para>
      <para>nog de navolgende omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president stelt vast dat het door het indicatie-orgaan genomen</para>
      <para>indicatiebesluit d.d. 16 maart 1999 in meerdere opzichten niet voldoet aan</para>
      <para>de in de Awb gestelde eisen. In strijd met artikel 3:47, eerste lid, van de</para>
      <para>Awb is de motivering van het besluit niet vermeld. In strijd met artikel 3:47,</para>
      <para>tweede lid, van de Awb is niet vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift</para>
      <para>het besluit is genomen. Uit het dossier blijkt voorts niet of het</para>
      <para>indicatiebesluit op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze aan</para>
      <para>verzoekster bekend is gemaakt, waardoor de vraag rijst of het</para>
      <para>indicatiebesluit wel overeenkomstig artikel 3:40 van de Awb in werking is</para>
      <para>getreden. Bovendien is in strijd met het bepaalde in artikel 3:45 van de</para>
      <para>Awb geen bezwaarclausule onder het indicatiebesluit vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft verzoekster een afschrift overgelegd van een bij</para>
      <para>verweerder ingediend bezwaarschrift d.d. 17 maart 1999, waarin zij</para>
      <para>protesteerde tegen de verlaging van haar zorgbehoefte waarvan zij van de</para>
      <para>indicatiesteller inmiddels had begrepen dat die zou plaatsvinden. Gelet op</para>
      <para>het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb</para>
      <para>moet dit bezwaarschrift, dat is ingediend ná de totstandkoming van het</para>
      <para>indicatiebesluit van 16 maart 1999 maar vóór de officiële bekendmaking</para>
      <para>van dat besluit aan verzoekster, ontvankelijk worden geacht. Niet gebleken</para>
      <para>is dat verweerder dit bezwaarschrift, zoals vereist ingevolge artikel 6:15,</para>
      <para>eerste lid, van de Awb, ter behandeling heeft doorgezonden aan het</para>
      <para>indicatieorgaan. Wel bevindt zich bij de gedingstukken een faxbericht van</para>
      <para>14 april 1999 waaruit blijkt dat het indicatieorgaan op verzoek van</para>
      <para>verweerder het indicatiebesluit "opnieuw heeft bekeken", en heeft besloten</para>
      <para>het indicatiebesluit te handhaven. Dit faxbericht kan naar het oordeel van</para>
      <para>de president niet als beslissing op bezwaar worden aangemerkt, reeds</para>
      <para>omdat hierbij de meest elementaire vormvoorschriften voor de</para>
      <para>bezwaarschriftprocedure niet zijn nageleefd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu eiseres tegen het indicatiebesluit van 16 maart 1999 een bezwaarschrift</para>
      <para>heeft ingediend dat met toepassing van artikel 6:10 van de Awb</para>
      <para>ontvankelijk moet worden geacht, en gebleken is dat eiseres inmiddels de</para>
      <para>beschikking heeft gekregen over dat indicatiebesluit, moet er naar het</para>
      <para>voorlopig oordeel van de president van uit worden gegaan dat het</para>
      <para>indicatiebesluit in werking is getreden. Verweerder zal het bezwaarschrit</para>
      <para>echter alsnog onverwijld moeten doorzenden naar het indicatieorgaan,</para>
      <para>waarna het indicatieorgaan alsnog voortvarend, en met inachtneming van</para>
      <para>de in de Awb gestelde eisen, moeten beslissen op het bezwaarschrift van</para>
      <para>verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien het instellen van bezwaar ingevolge het bepaalde in artikel 6:16</para>
      <para>van de Awb niet de werking schorst van het besluit waar het tegen is</para>
      <para>gericht, moet in het onderhavige geval vooralsnog worden uitgegaan van</para>
      <para>de juistheid van het indicatiebesluit van 16 maart 1999, welk besluit op</para>
      <para>zichzelf in de onderhavige procedure niet kan worden beoordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat, uitgaande van het indicatiebesluit van 16 maart 1999, het</para>
      <para>bezwaarschrift van verzoekster tegen het besluit van 21 april 1999 tot</para>
      <para>toekenning van een pgb waarschijnlijk niet-ontvankelijk of ongegrond zal</para>
      <para>worden verklaard. Voor het treffen van de gevraagde voorlopige</para>
      <para>voorziening bestaat in de onderhavige procedure tussen verzoekster en</para>
      <para>verweerder dan ook geen aanleiding. De door verzoekster gevraagde</para>
      <para>voorlopige voorziening, het handhaven van de eerder vastgestelde</para>
      <para>zorgbehoefte, zou alleen kunnen worden toegewezen in een procedure</para>
      <para>waarin het indicatieorgaan als verwerende partij optreedt. De president zal</para>
      <para>het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dan</para>
      <para>ook afwijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van</para>
      <para>artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de</para>
      <para>door verzoekster gemaakte proceskosten. De president heeft daarbij in</para>
      <para>aanmerking genomen dat verweerder in strijd met artikel 6:15, eerste lid,</para>
      <para>van de Awb heeft nagelaten het door verzoekster ingediende</para>
      <para>bezwaarschrift door te zenden naar het indicatie-orgaan, onder gelijktijdige</para>
      <para>mededeling daarvan aan verzoekster. Indien verweerder deze verplichting</para>
      <para>wel was nagekomen, was het verzoekster duidelijk geweest dat zij haar</para>
      <para>verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening had moeten richten</para>
      <para>tegen het niet als zodanig herkenbare besluit d.d. 16 maart 1999 van het</para>
      <para>indicatieorgaan, en was de onderhavige tegen verweerder gerichte</para>
      <para>procedure niet gevoerd.</para>
      <para>De president zal de proceskosten van verzoekster met toepassing van het</para>
      <para>Besluit proceskosten bestuursrecht te begroten op  f 1.420,-- wegens door</para>
      <para>een derde verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoekschrift en 1</para>
      <para>punt voor de behandeling ter zitting, maal wegingsfactor 1, waarde per</para>
      <para>punt f 710,--).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot zal de president verweerder met toepassing van artikel 8:82, vierde</para>
      <para>lid, van de Awb gelasten aan verzoekster het door haar betaalde</para>
      <para>griffierecht te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt als volgt beslist.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De president,</para>
    <para />
    <para>I. Wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>II. Veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster,</para>
      <para>begroot op  f 1.420,-- en te voldoen aan de griffier;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>III. Gelast verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht</para>
      <para>te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. I.B.N. Keizer als fungerend president in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr. A.A. Autar als griffier en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar d.d. 30 juni 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften verzonden:</para>
      <para>NB</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>