<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T10:20:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3733</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_'s-Hertogenbosch" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Hertogenbosch</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-04-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Awb 99/1878 VV, Awb 99/2696 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005321&amp;artikel=45&amp;g=1999-04-29">Bouwbesluit 45</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005181&amp;artikel=44&amp;g=1999-04-29">Woningwet 44</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3733">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3733 Rechtbank 's-Hertogenbosch , 29-04-1999 / Awb 99/1878 VV, Awb 99/2696 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3733:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3733:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>435 / Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch  Sector Bestuursrecht</para>
    <para />
    <para>Uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Awb 99/1878 VV</para>
      <para>Awb 99/2696 VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel</para>
      <para>8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil</para>
      <para>tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, wonende te B, verzoeker sub I,</para>
      <para>gemachtigde mr. W.H.E. Parlevliet, medewerker van de DAS-</para>
      <para>rechtsbijstand te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>C, wonende te B, verzoeker sub II,</para>
      <para>gemachtigde mr. E.T.W.M. van Leeuwen, medewerker van de SRK</para>
      <para>te Zoetermeer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Veldhoven, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 maart 1999 heeft verweerder aan D een</para>
      <para>bouwvergunning verleend voor het veranderen van een woning op</para>
      <para>het perceel kadastraal bekend gemeente B, sectie [...],</para>
      <para>nummer [...], plaatselijk bekend [...], te B.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 22 maart 1999 heeft verzoeker sub I een</para>
      <para>bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 3 maart 1999 bij</para>
      <para>verweerder ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 9 april 1999 heeft verzoeker sub II een</para>
      <para>bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 3 maart 1999 bij</para>
      <para>verweerder ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens hebben verzoekers zich bij schrijven van respectievelijk 22</para>
      <para>maart 1999 en 12 april 1999 tot de president gewend met</para>
      <para>verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening als</para>
      <para>bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoeken zijn gezamenlijk behandeld ter zitting van 15 april</para>
      <para>1999, waar verzoeker sub I in persoon is verschenen, bijgestaan</para>
      <para>door zijn gemachtigde. Verzoeker sub II heeft zich laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich</para>
      <para>laten vertegenwoordigen door mr. S. Brand-Borghaerts, ambtenaar</para>
      <para>der gemeente. Voorts is vergunninghouder de heer D</para>
      <para>verschenen, alsmede zijn echtgenote mevrouw E.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien</para>
      <para>voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is</para>
      <para>gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan</para>
      <para>worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening</para>
      <para>treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen,</para>
      <para>dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorzover toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium met</para>
      <para>zich brengt dat een beoordeling van het geschil in de</para>
      <para>bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de</para>
      <para>president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend</para>
      <para>in die procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is de aan D verleende bouwvergunning voor het</para>
      <para>veranderen van zijn woning. De verandering bestaat uit een</para>
      <para>uitbreiding van de zolderetage, waardoor een extra verdieping zal</para>
      <para>ontstaan. Het bouwplan voorziet in een verdraaiing van het dak met</para>
      <para>een kwartslag. De nokhoogte wordt verhoogd en het dak zal</para>
      <para>worden voorzien van twee dakkapellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 44 van de Woningwet, mag alleen en moet een</para>
      <para>bouwvergunning worden geweigerd indien:</para>
      <para>a.              het bouwplan in strijd is met het bouwbesluit;</para>
      <para>b.              het bouwplan in strijd is met de bouwverordening;</para>
      <para>c.      het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van</para>
      <para>welstand;</para>
      <para>d.      het bouwplan in strijd is met het vigerende</para>
      <para>bestemmingsplan;</para>
      <para>e.      voor de realisering van het bouwplan</para>
      <para>monumentenvergunning is vereist en deze niet is afgegeven.</para>
      <para>Uit het dwingend bepaalde in dit artikel volgt dat een</para>
      <para>bouwvergunning dient te worden geweigerd indien zich één of meer</para>
      <para>van de in het artikel omschreven weigeringsgronden voordoen,</para>
      <para>doch dat de vergunning moet worden verleend indien zulk een</para>
      <para>weigeringsgrond ontbreekt. Bij de toepassing van dit stelsel, dat</para>
      <para>veelal als imperatief-limitatief wordt aangeduid, komt men aan</para>
      <para>onderzoek en afweging van de bij de bouwvergunning betrokken</para>
      <para>belangen niet toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge de plankaart van het vigerende bestemmingsplan</para>
      <para>"Hoogepatse Akkers" rust op het onderhavige perceel de</para>
      <para>bestemming eensgezinshuizen in 2 bouwlagen in de klasse E2 G.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 4.A.1.b. onder 2 van de planvoorschriften is ten aanzien</para>
      <para>van de bebouwingsklasse E2 G onder meer bepaald dat twee</para>
      <para>woonlagen gerealiseerd mogen worden; dat de maximale</para>
      <para>goothoogte van de voorgevel in de naar de weg gekeerde</para>
      <para>bebouwingszone 6 meter is en de maximale bebouwingshoogte 10</para>
      <para>meter. De inhoud van de woning bedraagt maximaal 550 m3.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 1 onder i van de begripsbepalingen van het</para>
      <para>bestemmingsplan is het begrip bouwlaag als volgt gedefinieerd:</para>
      <para>een begane grond en/of een hoger gelegen verdieping. Het begrip</para>
      <para>woonlaag is niet gedefinieerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het vergunde</para>
      <para>bouwplan voorziet in een derde woonlaag. Verzoekers zijn dan ook</para>
      <para>van mening dat de bouwvergunning niet overeenstemt met de</para>
      <para>genoemde voorwaarden in het bestemmingsplan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ruimtes op</para>
      <para>de zolderverdieping vanwege de afmetingen geen verblijfsruimtes</para>
      <para>kunnen zijn zodat de zolderverdieping niet als een extra woonlaag</para>
      <para>kan worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president ziet zich geplaatst voor de vraag of er in het</para>
      <para>onderhavige bouwplan sprake is van het realiseren van een derde</para>
      <para>woonlaag.</para>
      <para>Verweerder heeft ter invulling van het in de planvoorschriften niet</para>
      <para>gedefinieerde begrip "woonlaag" aansluiting gezocht bij het wel</para>
      <para>gedefinieerde begrip "bouwlaag". Ter nadere invulling van</para>
      <para>laatstgenoemd begrip is vervolgens aansluiting gezocht bij de eisen</para>
      <para>die het Bouwbesluit bevat ten aanzien van verblijfsruimtes.</para>
      <para>Verweerder verwijst ter ondersteuning van zijn opvatting naar een</para>
      <para>uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van</para>
      <para>State van 8 augustus 1996 (H01.95.0548) waarin is overwogen dat</para>
      <para>pas gesproken kan worden van een bouwlaag indien de verdieping</para>
      <para>zodanige afmetingen en vorm heeft dat de daardoor ontstane</para>
      <para>ruimte zonder ingrijpende voorzieningen geschikt kan worden</para>
      <para>gemaakt voor woonfuncties en daarmee gelijke</para>
      <para>gebruiksmogelijkheden biedt als de daaronder gelegen bouwlagen.</para>
      <para>Om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van 'zodanige</para>
      <para>afmetingen en vorm' heeft de Afdeling een koppeling gelegd met</para>
      <para>het begrip 'verblijfsruimte' in het Bouwbesluit.</para>
      <para>De Afdeling acht tevens van belang of er al dan niet bouwkundige</para>
      <para>voorzieningen worden getroffen die de verdieping geschikt maken</para>
      <para>voor woonfuncties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 45, tweede lid, van het Bouwbesluit is bepaald dat een</para>
      <para>verblijfsruimte een vloeroppervlakte moet hebben van tenminste 5</para>
      <para>m2, waarvan de breedte tenminste 1,8 meter moet bedragen en de</para>
      <para>bouwhoogte 2,4 meter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de bouwtekening behorend bij het onderhavige bouwplan</para>
      <para>bedraagt de bouwhoogte van de zolderetage 2,4 meter over een</para>
      <para>breedte van 1,53 meter. Voorts is de etage voorzien van twee</para>
      <para>dakkapellen, waarin de bouwhoogte 2,3 meter bedraagt. De ruimte</para>
      <para>wordt verdeeld in afzonderlijke ruimtes. Vergunninghouder heeft ter</para>
      <para>zitting verklaard dat deze ruimtes, evenals op de bouwtekening is</para>
      <para>aangegeven, zullen worden gebruikt als berging en hobbyruimte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Overwogen wordt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president acht het op zichzelf niet onjuist dat verweerder ter</para>
      <para>invulling van het begrip "woonlaag" aanknoopt bij het in het</para>
      <para>bestemmingsplan gedefinieerde begrip "bouwlaag" en vervolgens</para>
      <para>aansluiting zoekt bij artikel 45 van het Bouwbesluit. Naar het</para>
      <para>voorlopig oordeel van de president betekent dit echter niet dat elke</para>
      <para>afwijking van de maatvoering die het bouwbesluit vereist moet</para>
      <para>leiden tot de vaststelling dat geen sprake is van een bouwlaag in de</para>
      <para>zin van het bestemmingsplan.</para>
      <para>Vast staat dat in casu niet geheel wordt voldaan aan de afmetingen</para>
      <para>die het Bouwbesluit vereist om te kunnen spreken van een</para>
      <para>'verblijfsruimte'. De president is vooralsnog van oordeel dat dit in</para>
      <para>het onderhavige geval niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt</para>
      <para>dat geen sprake is van een bouwlaag in de zin van het</para>
      <para>bestemmingsplan. Bij de beoordeling van de vraag of er een</para>
      <para>bouwlaag zal ontstaan kan naar het oordeel van de president niet</para>
      <para>voorbij worden gezien aan de aard en de functionaliteit van de op</para>
      <para>de zolderverdieping te realiseren ruimtes en de uiterlijke</para>
      <para>verschijningsvorm van de zolder. In aanmerking genomen dat de</para>
      <para>zolderruimte door middel van vaste tussenmuren zal worden</para>
      <para>verdeeld in afzonderlijke kamers, er twee dakkapellen zullen</para>
      <para>worden aangebracht en één van de kamers zal worden gebruikt als</para>
      <para>hobbyruimte, kan naar het oordeel van de president niet worden</para>
      <para>volgehouden dat de verdieping niet geschikt zou zijn voor</para>
      <para>woonfuncties. Daarbij heeft de president tevens in aanmerking</para>
      <para>genomen dat de in het Bouwbesluit vereiste hoogtemaat van 2,4</para>
      <para>meter weliswaar niet over een breedte van 1,8 meter gehaald</para>
      <para>wordt, maar dat deze, gelet op de aansluitende bouwhoogte in de</para>
      <para>dakkapellen, over een breedte van meer dan 1,8 meter de hoogte</para>
      <para>2,3 meter bedraagt, hetgeen slechts in beperkte mate lager is dan</para>
      <para>de vereiste 2,4 meter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de</para>
      <para>president gerede twijfel omtrent de vraag of het onderhavige</para>
      <para>bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien er op basis van de redenering van verweerder evenwel van</para>
      <para>zou worden uitgegaan dat er geen strijd met het bestemmingsplan</para>
      <para>is omdat er geen sprake is van een derde woonlaag aangezien er</para>
      <para>gelet op de afmetingen geen sprake is van een verblijfsruimte, dan</para>
      <para>wordt het volgende overwogen. De president constateert dat het</para>
      <para>onderhavige bouwplan voorziet in realisering van een hobbyruimte.</para>
      <para>Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat deze ruimte niet als</para>
      <para>verblijfsruimte aangemerkt kan worden. Dit zou anders zijn indien</para>
      <para>deze ruimte als slaapkamer gebruikt zou worden, aldus verweerder.</para>
      <para>De president vermag echter niet in te zien waarom (een</para>
      <para>slaapkamer wel en) een hobbyruimte niet als verblijfsruimte kan</para>
      <para>worden aangemerkt, aangezien ook in een hobbyruimte mensen</para>
      <para>gedurende langere tijd kunnen verblijven en de ruimte derhalve een</para>
      <para>woonfunctie niet ontzegd kan worden. Vast staat dat niet geheel</para>
      <para>wordt voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot de</para>
      <para>maatvoering, die ten aanzien van een verblijfsruimte in het</para>
      <para>Bouwbesluit wordt gesteld, zodat er alsdan reden is om te twijfelen</para>
      <para>of het onderhavige bouwplan in overeenstemming is met het</para>
      <para>Bouwbesluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu er op grond van het bovenstaande een redelijke kans bestaat</para>
      <para>dat het bestreden besluit bij de beslissing op het bezwaarschrift niet</para>
      <para>in stand zal blijven, zal de voorlopige voorziening worden</para>
      <para>toegewezen en zal het bestreden besluit worden geschorst tot zes</para>
      <para>weken na de beslissing op het bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden</para>
      <para>veroordeeld in de proceskosten.</para>
      <para>Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten</para>
      <para>bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage per verzoeker</para>
      <para>begroot op in totaal ? 1.420,-- voor kosten van door een derde</para>
      <para>beroepsmatig verleende rechtsbijstand:</para>
      <para>* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;</para>
      <para>* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;</para>
      <para>* waarde per punt ? 710,--;</para>
      <para>* wegingsfactor 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens zal de president bepalen dat door verweerder aan</para>
      <para>verzoekers het door hen gestorte griffierecht dient te worden</para>
      <para>vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De president.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>I.      Wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige</para>
      <para>voorziening toe;</para>
      <para>II.     Schorst het bestreden besluit tot zes weken</para>
      <para>nadat op de bezwaarschriften is beslist;</para>
      <para>III.    Veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte</para>
      <para>proceskosten vastgesteld op ? 1.420,-- per verzoeker, te betalen</para>
      <para>door de gemeente Veldhoven;</para>
      <para>IV.     Gelast dat het door verzoekers ieder</para>
      <para>afzonderlijk betaalde griffierecht ad f 225,-- door de gemeente</para>
      <para>Veldhoven aan verzoekers wordt vergoed;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden als fungerend</para>
      <para>president in tegenwoordigheid van mr. V.N. Sluiter als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 29 april 1999.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>