<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3830</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:52:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY3830</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">430835 - FA RK 12-8465</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656">Burgerlijk Wetboek Boek 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656&amp;artikel=253a">Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>EB 2013/21</rdf:li>
          <rdf:li>JPF 2013/76 met annotatie van mr. dr. I. Curry-Sumner</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3830">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3830</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:09:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3830 Rechtbank 's-Gravenhage , 09-11-2012 / 430835 - FA RK 12-8465</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3830:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek van moeder tot vervangende toestemming voor de afgifte van een paspoort ten behoeve van haar in Marokko verblijvend minderjarig kind. - De rechtbank overweegt allereerst dat het verzoek naar zijn aard is aan te merken als een verzoek inzake de gezamenlijke gezagsuitoefening in de zin van artikel 1:253a BW. Vanaf december 2005 is de minderjarige met toestemming van de moeder bij de vader in Duitsland gaan wonen. Volgens de stelling van de moeder heeft de vader de minderjarige zonder haar toestemming in 2006 bij oma in Marokko ondergebracht. De minderjarige heeft vanuit Marokko contact opgenomen met moeder en medegedeeld te zijn weggelopen bij de vader. Moeder en minderjarige verblijven thans in een via de ambassade verkregen appartement in Marokko. Op basis van de aangedragen gegevens concludeert de rechtbank dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Marokko is. Aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 dient bezien te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om kennis te nemen van het verzoek van de moeder. De rechtbank oordeelt dat geen rechtsmacht kan worden aangenomen op grond van artikel 5 van het verdrag, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet in Nederland is gelegen, en ook niet op grond van artikel 7 van het verdrag, nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige vóór de overbrenging naar Marokko niet in Nederland was gelegen, maar in Duitsland. De rechtbank laat daarbij in het midden of de stelling van de moeder dat de overbrenging van de minderjarige naar Marokko in strijd met het gezagsrecht heeft plaatsgevonden juist is in het midden. De rechtbank oordeelt voorts dat het verdrag overigens ook geen handvatten biedt voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De rechtbank verklaart zich absoluut onbevoegd om van het verzoekschrift kennis te nemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3830:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE</para>
    <para />
    <para>Sector familie- en jeugdrecht</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige Kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rekestnummer: FA RK 12-8465</para>
      <para>Zaaknummer: 430835</para>
      <para>Datum beschikking: 9 november 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Paspoortwet</para>
    <para />
    <para>Beschikking op het op 8 november 2012 bij deze rechtbank ingekomen verzoek van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de moeder]</para>
      <para>de moeder,</para>
      <para>wonende te [woonplaats moeder],</para>
      <para>advocaat: mr. R.H.I. Degens te Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Als belanghebbende wordt aangemerkt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de vader],</para>
      <para>de vader,</para>
      <para>verblijvende zonder bekende woon- of verblijfplaats in Marokko,</para>
      <para>advocaat: mr. --.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procedure</para>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:</para>
      <para>-	de beschikking d.d. 30 oktober 2012 van de rechtbank Maastricht;</para>
      <para>- het verzoekschrift;</para>
      <para>-	de brief d.d. 7 november 2012 van de zijde van de moeder, met als bijlage een 	afschrift van genoemde beschikking van de rechtbank Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank Maastricht heeft zich bij genoemde beschikking relatief onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor de afgifte van een paspoort ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de kinderrechter te 's-Gravenhage. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten</para>
      <para>De rechtbank verwijst voor de feiten naar genoemde beschikking van de rechtbank Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beoordeling</para>
      <para>De rechtbank overweegt allereerst dat het verzoek van de moeder naar zijn aard is aan te merken als een verzoek inzake de gezamenlijke gezagsuitoefening in de zin van artikel 1:253a BW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beoordeeld dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek. </para>
      <para>Vaststaat dat de minderjarige vanaf december 2005 met toestemming van de moeder bij de vader in Duitsland is gaan wonen. De moeder heeft in haar verzoekschrift gesteld dat de vader de minderjarige in 2006 zonder haar toestemming bij oma in Marokko heeft ondergebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In bovengenoemde brief van de zijde van de moeder is naar voren gebracht dat de minderjarige vanuit Marokko contact heeft opgenomen met de moeder en heeft medegedeeld onlangs te zijn weggelopen bij de vader en dat de moeder en de minderjarige thans in een appartement, verkregen via de ambassade, in Marokko verblijven.  </para>
    <para />
    <para>Op basis van de gegevens die de moeder heeft aangedragen neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de minderjarige sedert 2006 in Marokko verblijft. Derhalve dient er in het kader van deze procedure dan ook van uit te worden gegaan dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige thans in Marokko is gelegen. Nu Marokko, evenals Nederland, is aangesloten bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (hierna: het Verdrag) dient aan de hand van de regels van het Verdrag bezien te worden of de Nederlandse rechter in deze rechtsmacht toekomt.</para>
    <para />
    <para>Krachtens artikel 5, lid 1, van het Verdrag zijn de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of vermogen, waaronder begrepen beslissingen in gezagsgeschillen. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet in Nederland is gelegen, kan de Nederlandse rechter niet op grond van dit artikel rechtsmacht aannemen.</para>
    <para />
    <para>Voor zover de moeder zich op het standpunt stelt dat de overbrenging van de minderjarige naar Marokko in 2006 in strijd met haar gezagsrecht heeft plaatsgevonden kan dat haar niet baten. Immers, zo dat al juist zou zijn, kan de Nederlandse rechter evenmin rechtsmacht aannemen op grond van artikel 7 van het Verdrag, nu vaststaat dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige vóór de overbrenging naar Marokko niet in Nederland was gelegen, maar in Duitsland. </para>
    <para />
    <para>Nu het Verdrag ook overigens geen handvatten biedt voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoekschrift van de moeder en zal zij zich aanstonds onbevoegd verklaren en afzien van het bepalen van een nadere behandeling ter terechtzitting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing</para>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>verklaart zich absoluut onbevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2012.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>