<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T07:15:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY3325</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 12-15475</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3325">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:08:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3325 Rechtbank 's-Gravenhage , 01-11-2012 / AWB 12-15475</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3325:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser (18jaar) en zijn moeder hebben de Colombiaanse nationaliteit. Het halfzusje van eiser (5 jaar) heeft de Spaanse nationaliteit en is dus Unieburger. Aan moeder is als familielid van haar dochter op basis van de Verblijfsrichtlijn een verblijfsstatus verleend. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw, voor verblijf bij zijn moeder.</para>
      <para />
      <para>Voor ligt de vraag of eiser, als familielid van zijn moeder, ook rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. In artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn is uitdrukkelijk vastgelegd op wie deze richtlijn van toepassing is en eiser valt daar niet onder. Dit artikel biedt geen aanknopingspunten voor de door eiser betoogde interpretatie dat de richtlijn evenzeer van toepassing is op familieleden van begunstigde familieleden die niet in het bezit zijn van de nationaliteit van een EU-land. Dit is slechts anders indien het begunstigd familielid de echtgenoot of partner van een Unieburger is en het familielid zijn rechtstreekse bloedverwant in neergaande of opgaande lijn en aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan (artikel 2, tweede lid, onder c en d), maar daarvan is hier geen sprake. Uit de considerans blijkt ook niet dat is bedoeld het recht van verblijf te verlenen aan familieleden van een begunstigd familielid van de Unieburger. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 8.7 van het Vb, waarin het hiervoor genoemde toepassingsbereik is neergelegd, in overeenstemming met het doel en de strekking van de Verblijfsrichtlijn. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3325:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK 's-GRAVENHAGE</para>
    <para />
    <para>Nevenzittingsplaats Haarlem </para>
    <para />
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer: AWB 12/15475 </para>
    <para />
    <para>uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 november 2012 in de zaak tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[naam eiser],</para>
      <para>geboren op [geboortedatum], van Colombiaanse nationaliteit, </para>
      <para>eiser,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Groen, advocaat te Wassenaar),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.H. Tjokrojoso, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te </para>
      <para>’s-Gravenhage).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procesverloop</para>
      <para>Bij besluit van 19 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1.	De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser is de zoon van [naam moeder] (hierna te noemen: moeder), die net als eiser de Colombiaanse nationaliteit heeft. In 2001 is eiser samen met zijn moeder in Nederland aangekomen. [naam half zus] (hierna te noemen: [naam half zus]), geboren op [geboortedatum] en van Spaanse nationaliteit, is de dochter van eisers moeder en de halfzus van eiser. Aan eisers moeder is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “verblijf bij kind [naam halfzus]” verleend, geldig van 17 mei 2010 tot 23 maart 2015. Op 5 april 2011 heeft eiser de voorliggende aanvraag ingediend om verblijf bij zijn moeder te bewerkstelligen.</para>
    <para />
    <para>2.	Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het EU-recht, omdat zijn moeder niet de nationaliteit bezit van een EU-land, hetgeen is vereist om een geslaagd beroep te doen op artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
    <para />
    <para>3.	Eiser heeft het volgende aangevoerd. De moeder van eiser heeft een verblijfsstatus op grond van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Verblijfsrichtlijn). Eiser heeft op grond van artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn als familielid van zijn moeder een afgeleid recht op verblijf hier te lande. Dit volgt ook uit de considerans van de Verblijfsrichtlijn, waarin staat dat het doel van deze richtlijn is dat het gezin als geheel het recht heeft in een lidstaat te verblijven. Eiser gaat naar de havo en staat onder toezicht van het Bureau Jeugdzorg, dat het ook in het belang van eiser acht dat hij bij zijn moeder en zusje in Nederland kan blijven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1	Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw verschaft verweerder, voor zover thans van belang, aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2º, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.                                               </para>
      <para>Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, onder 1º, van de Vw wordt verstaan onder gemeenschapsonderdanen: onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven. Op grond van deze bepaling, onder 2º, wordt ook onder gemeenschapsonderdanen verstaan: familieleden van de onder 1º genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven.</para>
      <para>Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.2	In artikel 2, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn is bepaald dat voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder “burger van de Unie”: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. In het tweede lid is de definitie van “familielid” gegeven. Hieronder wordt – voor zover in deze zaak van belang – ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, verstaan de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn.</para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3	De Verblijfsrichtlijn is omgezet in nationaal recht in paragraaf 2 (de artikelen 8.7 en verder) van het Vb. </para>
      <para>Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vb is deze paragraaf van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven dan wel in Nederland verblijven. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, is deze paragraaf eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn, van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, of van diens echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 21 jaar of ten laste is van die echtgenoot of geregistreerd partner. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4	Niet in geschil is dat aan de moeder van eiser, in bezit van de Colombiaanse nationaliteit, als familielid van haar dochter [naam half zus] (een burger van de Unie) een verblijfsstatus is verleend op basis van de Verblijfsrichtlijn. Voor ligt de vraag of eiser, als familielid van zijn moeder, ook rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. In artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn is vastgelegd op wie deze richtlijn van toepassing is. Dit zijn kort gezegd iedere burger van de Unie die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en diens familieleden, als genoemd in artikel 2, tweede lid (de begunstigde familieleden). In artikel 2, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn zijn als familieleden van de burger van de Unie aangemerkt (a) de echtgenoot, (b) de partner, (c) de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot en de partner, beneden de 21 jaar of die te hunnen laste zijn en (d) de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn alsmede die van de echtgenoot en de partner, die te hunnen laste zijn. Artikel 3 van de Verblijfsrichtlijn biedt geen aanknopingspunten voor de door eiser betoogde interpretatie dat de richtlijn evenzeer van toepassing is op familieleden (in dit geval: eiser) van begunstigde familieleden die niet in bezit zijn van de nationaliteit van een EU-land (in dit geval: moeder). Dit is slechts anders indien het begunstigd familielid de echtgenoot of partner van een burger van de Unie is en het familielid zijn of haar rechtstreekse bloedverwant in neergaande of opgaande lijn is en aan de overige daarvoor geldende voorwaarden voldaan is (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c en d, van de Verblijfsrichtlijn). Daarvan is in het voorliggende geval geen sprake.  De andere artikelen van de Verblijfsrichtlijn bieden evenmin grond voor het oordeel dat een familielid van een begunstigd familielid dat niet in bezit is van de nationaliteit van een EU-land rechten kan ontlenen aan de richtlijn. </para>
      <para>Uit de considerans bij de Verblijfsrichtlijn blijkt ook niet dat is bedoeld dat het recht van verblijf op het grondgebied van de lidstaten dient te worden verleend aan familieleden van een begunstigd familielid van de Unieburger, zoals eiser heeft bepleit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 8.7 van het Vb, waarin bovenbeschreven toepassingsbereik is neergelegd, dan ook in overeenstemming met het doel en de strekking van de Verblijfsrichtlijn. </para>
    <para />
    <para>3.5	Nu eisers moeder niet in het bezit is van de nationaliteit van een EU-land, voldoet eiser niet aan de in artikel 8.7 van het Vb gestelde voorwaarden. De aspecten die eiser over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft gebracht kunnen aan dat oordeel niet afdoen. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als een gemeenschapsonderdaan die rechtmatig verblijf hier te lande heeft. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen.</para>
    <para> </para>
    <para>4.	Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para>Beslissing</para>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van E. Heemsbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2012.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>griffier						rechter</para>
    <para />
    <para />
    <para>afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    <para />
    <para />
    <para>Coll:</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel</para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>