<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3004</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T18:44:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ3004</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">381819 - FA RK 10-9706</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JPF 2012/170</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3004">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3004</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:05:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3004 Rechtbank 's-Gravenhage , 20-04-2011 / 381819 - FA RK 10-9706</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3004:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Internationale Kinderontvoering en gezagsuitoefening</para>
        <para>- Nederlandse rechter onbevoegd ten aaanzien van het verzoek tot teruggeleiding minderjarigen van Duitsland naar Nederland (artikel 12 HKOV)</para>
        <para>- Nederlandse rechter onbevoegd ten aanzien van het verzoek inzake gezag, hoofdverblijfplaats en inschrijving op Nederlandse school (artikel 8 Brussel IIbis)</para>
        <para>- afwijzing verzoek om behandelplaats van Duitsland te wijzigen naar Nederland (tav bij Duitse rechter ingediend verzoekschrift) (artikel 15 Brussel IIbis)</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3004:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE</para>
    <para />
    <para>Sector familie- en jeugdrecht</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige Kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rekestnummer: FA RK 10-9706</para>
      <para>Zaaknummer: 381819</para>
      <para>Datum beschikking: 20 april 2011</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Internationale kinderontvoering en gezagsuitoefening </para>
    <para />
    <para>Beschikking op het op 15 november 2010 bij de rechtbank Assen ingekomen verzoek van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de vader],</para>
      <para>de vader,</para>
      <para>wonende te [woonplaats A],</para>
      <para>advocaat: mr. I. Wagenaar te Groningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Als belanghebbende wordt aangemerkt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[de moeder],</para>
      <para>de moeder, </para>
      <para>wonende te [woonplaats B], Duitsland,</para>
      <para>advocaat: mr. J.J.L.M. Johannink te Coevorden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procedure</para>
      <para>De vader heeft bij de rechtbank Assen op 15 november 2010 een verzoekschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Assen heeft zich bij beschikking van 24 november 2010 aanstonds relatief </para>
      <para>onbevoegd verklaard om van dit verzoek kennis te nemen en heeft de zaak in de stand </para>
      <para>waarin deze zich bevond doorverwezen naar de rechtbank 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voormelde stukken zijn ingekomen bij deze rechtbank. Deze rechtbank heeft voorts </para>
      <para>onder meer kennis genomen van de volgende stukken:</para>
      <para>- de brief van 6 december 2010, met bijlagen, van de zijde van de vader;</para>
      <para>- het aanvullend verzoekschrift;</para>
      <para>- het faxbericht van 5 januari 2011 van de zijde van de moeder;</para>
      <para>- de brief van 6 januari 2011, met bijlagen, van de zijde van de vader;</para>
      <para>- de brief van 10 januari 2011, met bijlagen, van de zijde van de moeder;</para>
      <para>- het faxbericht van 7 februari 2011, met bijlagen, van de zijde van de vader;</para>
      <para>- het verweerschrift;</para>
      <para>- de brief van 11 maart 2011, met bijlagen, van de zijde van de moeder;</para>
      <para>- de brief van 17 maart 2011, met bijlagen, van de zijde van de moeder;</para>
      <para>- het faxbericht van 22 maart 2011, met bijlagen, van de zijde van de vader;</para>
      <para>- het faxbericht van 22 maart 2011 van de zijde van de vader, inhoudende een  aanvullend verzoekschrift, alsmede een verzoekschrift wijziging behandelplaats;</para>
      <para>- het faxbericht van 22 maart 2011, met bijlage, van de zijde van de moeder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minderjarige [de minderjarige B], heeft zich schriftelijk uitgelaten over de verzoeken. </para>
      <para>Op 23 maart 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen met hun advocaten. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoek en verweer</para>
      <para>De vader heeft op 15 november 2010 primair verzocht te bepalen dat de moeder wordt </para>
      <para>gelast de na te noemen minderjarigen [de minderjarige C], [de minderjarige D], [de minderjarige E] en [de minderjarige F] in te schrijven op de</para>
      <para>[basisschool] te [woonplaats A] en de na te noemen minderjarige [de minderjarige B] in te schrijven </para>
      <para>op scholengemeenschap [scholengemeenschap] te [plaats C], en voor zover dit niet binnen de </para>
      <para>gestelde termijn is geschied, subsidiair de vader vervangend te machtigen tot inschrijving;</para>
      <para>een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij heeft op 27 december 2010 zijn verzoek gewijzigd en heeft primair verzocht [de minderjarige B], [de minderjarige C], </para>
      <para>[de minderjarige D], [de minderjarige E] en [de minderjarige F] terug te geleiden naar Nederland en af te geven op het woonadres van de </para>
      <para>vader in [woonplaats A] en uit te schrijven op het woonadres van de moeder in [woonplaats B], </para>
      <para>Duitsland en subsidiair [de minderjarige C], [de minderjarige D], [de minderjarige E] en [de minderjarige F] in te schrijven op de [basisschool] te </para>
      <para>[woonplaats A] en [de minderjarige B] in te schrijven op scholengemeenschap [scholengemeenschap] te </para>
      <para>[plaats C], en voor zover dit niet binnen de gestelde termijn is geschied, meer subsidiair de </para>
      <para>vader vervangend te machtigen tot inschrijving; een en ander voor zover mogelijk met </para>
      <para>uitvoerbaarverklaring bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De vader heeft op 22 maart 2011 aanvullend verzocht om te bepalen dat hij met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige B], [de minderjarige C], [de minderjarige D], [de minderjarige E] en [de minderjarige F] wordt belast, alsmede dat deze minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.</para>
    <para />
    <para>Tot slot heeft hij op 23 maart 2011 bij separaat ingediend verzoekschrift nog verzocht om de behandelplaats van het verzoekschrift betreffende het gezag en de hoofdverblijfplaats zoals dat op 18 maart 2011 bij het Amtsgericht Nordhorn, Duitsland, is ingediend, te wijzigen in die zin dat dit verzoekschrift bij de rechtbank 's-Gravenhage zal worden behandeld, alsmede om voornoemd verzoekschrift te voegen met de onderhavige procedure, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.</para>
    <para />
    <para>De moeder heeft verweer gevoerd. Zij heeft zich voor alle weren beroepen op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter en voorts inhoudelijk verweer gevoerd, welke verweren hierna - voor zover nodig - zullen worden besproken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten</para>
      <para>-	Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1991 met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is op [datum omzetting] 2007 omgezet in een geregistreerd partnerschap.</para>
      <para>-	Bij convenant van [datum beëindiging] 2007 hebben partijen de gevolgen van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap geregeld.</para>
      <para>-	Uit voornoemd huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:</para>
      <para>- [de minderjarige A], geboren op [geboortedatum minderjarige A] 1994 te [geboorteplaats minderjarige A],</para>
      <para>- [de minderjarige B], geboren op [geboortedatum minderjarige B] 1997 te [geboortedatum minderjarige B],</para>
      <para>- [de minderjarige C], geboren op [geboortedatum minderjarige C] 1999 te [geboortedatum minderjarige C],</para>
      <para>- [de minderjarige D], geboren op [geboortedatum minderjarige D] 2001 te [geboortedatum minderjarige D],</para>
      <para>- [de minderjarige E], geboren op [geboortedatum minderjarige E] 2003 te [geboortedatum minderjarige E], en</para>
      <para>- [de minderjarige F], geboren op [geboortedatum minderjarige F] 2004 te [geboortedatum minderjarige F].</para>
      <para>-	De minderjarige [de minderjarige A] verblijft thans bij de vader in [woonplaats A] en de overige minderjarigen verblijven thans bij de moeder.</para>
      <para>-	Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.</para>
      <para>-	Partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.</para>
      <para>-	De moeder is in december 2009 met de vijf bij haar woonachtige minderjarigen en met haar nieuwe partner naar [woonplaats B], Duitsland, verhuisd. Zij staan daar sinds 28 december 2009 ingeschreven.</para>
      <para>-	De plaatsen [woonplaats A] en [woonplaats B] liggen beide in de grensstreek Nederland-Duitsland.</para>
      <para>-	Bij vonnis in kort geding van 7 januari 2011 van de rechtbank 's-Gravenhage heeft de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaard om van de vorderingen van de vader - betreffende de inschrijving van de minderjarigen op hun voormalige Nederlandse scholen - kennis te nemen. </para>
      <para>-	Op 18 maart 2011 heeft de vader bij het Amtsgericht Nordhorn, Duitsland een verzoekschrift ingediend dat ertoe strekt dat hij wordt belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige B], [de minderjarige C], [de minderjarige D], [de minderjarige E] en [de minderjarige F], danwel hem het recht te geven de hoofdverblijfplaats van deze minderjarigen te bepalen en voorts dat deze procedure naar Nederland zal worden verwezen ter verdere beslissing.  De beslissing op deze verzoeken is aangehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teruggeleiding</para>
      <para>Ingevolge artikel 12 van het Haags Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 dient de rechter van de staat waar het kind zich bevindt te beslissen op een verzoek tot teruggeleiding. Aangezien de vijf bij de moeder woonachtige minderjarigen zich in Duitsland bevinden, is het niet aan de Nederlandse rechter om over het verzoek tot teruggeleiding te oordelen. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren om hiervan kennis te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezag, hoofdverblijfplaats en inschrijving op Nederlandse scholen</para>
      <para>Uit de eigen verklaring van de vader ter zitting en de stellingname in zijn verzoekschrift van 15 november 2010 in combinatie met de volgorde van indiening van de in deze zaak ter beoordeling staande verzoeken, volgt genoegzaam dat de vader in de verhuizing van de vijf bij de moeder woonachtige minderjarigen naar [woonplaats B], Duitsland, heeft berust. De vader had geen bezwaar tegen de verhuizing naar Duitsland omdat het ging om een verhuizing binnen de grensstreek Nederland-Duitsland en de minderjarigen zo op korte afstand van hem woonachtig zouden blijven. Feitelijk zou er daarom voor hem weinig veranderen. Wel had hij bezwaar tegen het besluit van de moeder om - anders dan aanvankelijk het geval was - de minderjarigen eind 2010 ook in Duitsland naar school te laten gaan. Dit brengt mee dat de minderjarigen al ruim voorafgaand aan de indiening van de verzoeken inzake het gezag, de hoofdverblijfplaats en de schoolinschrijving hun gewone verblijfplaats in Duitsland hebben verkregen, zodat ingevolge artikel 8 van de</para>
      <para>EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (hierna: Brussel IIbis) de Duitse rechter dienaangaande bevoegd is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijziging behandelplaats</para>
      <para>Ter terechtzitting heeft de vader verduidelijkt dat zijn verzoek er op is gericht dat de Nederlandse rechter contact zal opnemen met de Duitse rechter om hem te verzoeken de bevoegdheid ten aanzien van het bij hem ingediende verzoekschrift aan de Nederlandse rechter (deze rechtbank) over te dragen op de voet van het bepaalde in artikel 15</para>
      <para>Brussel IIbis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 15, eerste lid en onder b, Brussel IIbis kunnen de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen. </para>
    <para />
    <para>Blijkens het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is lid 1 onder meer van toepassing op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, overeenkomstig lid 3.  Dit kan slechts plaatsvinden indien de verwijzing door tenminste één van de partijen wordt aanvaard.</para>
    <para />
    <para>Op grond van het vijfde lid van dit artikel kunnen de gerechten van de andere lidstaat, wanneer dit, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, in het belang van het kind is, binnen zes weken nadat de zaak op grond van lid 1, onder a of b, bij hen aanhangig is gemaakt, de bevoegdheid aanvaarden. Het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, ziet in dit geval af van het uitoefenen van zijn bevoegdheid.</para>
    <para />
    <para>In dit geval is evident dat de vijf bij de moeder woonachtige minderjarigen een bijzondere band hebben met Nederland. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit, zij hebben tot december 2009 in Nederland gewoond en hun vader, die mede belast is met het gezag, is hier te lande woonachtig. Een eventuele verwijzing naar deze rechtbank wordt door de vader verzocht en dus aanvaard. </para>
    <para />
    <para>Echter, de rechtbank acht zich op dit moment niet beter dan de Duitse rechter in staat om de verzoeken inzake het gezag en de hoofdverblijfplaats te behandelen, nu de minderjarigen inmiddels alweer geruime tijd met hun moeder en haar nieuwe partner in Duitsland wonen. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding de bevoegde Duitse rechter te verzoeken zijn bevoegdheid aan haar over te dragen. Daarbij is meegewogen het betoog van de vader dat het voor hem financieel niet mogelijk is een  procedure in Duitsland te voeren, maar dit betoog leidt - gelet op het in artikel 15 neergelegde toetsingscriterium - niet tot een ander oordeel. </para>
    <para />
    <para>Dit brengt mee dat het verzoek wijziging behandelplaats zal worden afgewezen en dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de verzoeken betreffende het gezag, de hoofdverblijfplaats en de inschrijving op de Nederlandse scholen kennis te nemen.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Beslissing </para>
      <para>De rechtbank:      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>* verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen;</para>
    <para />
    <para>* verklaart zich eveneens onbevoegd ten aanzien van de verzoeken inzake het gezag, de hoofdverblijfplaats en de inschrijving op Nederlandse scholen;</para>
    <para />
    <para>* wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, kinderrechter, bijgestaan door mr. G. Kolkman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2011.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>