<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:26:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO9495</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-11-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 10/37904</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9495">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:26:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-12-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9495 Rechtbank 's-Gravenhage , 12-11-2010 / AWB 10/37904</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9495:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring; nieuwe feiten en omstandigheden na opheffing eerdere inbewaringstelling; zicht op uitzetting</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Samenvatting:</para>
        <para>Het betoog geënt op de reden van opheffing van de eerdere inbewaringstelling kan geen doel treffen. De rechtbank stelt voorop dat er op de dag van de oplegging van de onderhavige maatregel twaalf maanden en een dag zijn verstreken sinds de opheffing van de vorige inbewaringstelling. In het licht van dit tijdsverloop behoeft, onverschillig de reden van die opheffing, verweerder in beginsel geen nieuwe aanknopingspunten aan te dragen om aan te kunnen nemen dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Eiser heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan dit in het onderhavige geval anders zou liggen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9495:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE </para>
    <para />
    <para>Sector Bestuursrecht</para>
    <para />
    <para>Zittinghoudende te Amsterdam</para>
    <para />
    <para>zaaknummer: AWB 10/37904</para>
    <para />
    <para>uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken</para>
    <para />
    <para>V-nr: 271.059.6914</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser]</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1990, van gestelde Afghaanse nationaliteit, eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.M.F.R. Ketwaru, advocaat te Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister voor Immigratie en Asiel,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.H. Kras, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <para>Op 29 oktober 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld. </para>
    <para />
    <para>Bij beroepschrift van 1 november 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    <para />
    <para>De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 9 november 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Overwegingen</para>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiser stelt dat het niet duidelijk is op welke grond de vorige inbewaringstelling door verweerder is opgeheven, en sluit niet uit dat dit is gebeurd vanwege een gebrek aan een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.  Eiser acht het niet relevant dat die vorige opheffing inmiddels meer dan een jaar geleden is, omdat een nieuwe presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten niet tot andere resultaten zal leiden. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder onzorgvuldig gehandeld heeft door niet alle relevante stukken uit vorige procedures bij het huidige dossier te voegen, en dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Eiser is dan ook van mening dat de maatregel dient te </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Verweerder stelt dat de eerdere inbewaringstelling is opgeheven na een belangenafweging, niet omdat er geen reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou zijn. Verweerder beschikt niet over nadere informatie maar acht het waarschijnlijk dat de belangenafweging in het kader van de duur van de maatregel toen in het voordeel van eiser is uitgevallen. Het verstrijken van een jaar sinds de laatste opheffing is volgens verweerder relevant. Voorts stelt verweerder dat er een reëel zicht op uitzetting is nu op 5 november 2010 een bij de Marokkaanse autoriteiten in te dienen laissez passer (LP) aanvraag door de LP-kamer is ontvangen en eiser zal worden gepresenteerd.</para>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>3. Allereerst constateert de rechtbank dat niet wordt betwist dat op 28 oktober 2009 de vorige inbewaringstelling van eiser is opgeheven door verweerder. </para>
    <para />
    <para>4. De omstandigheid dat een eerdere LP-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten niet heeft geleid tot afgifte van een LP, hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet te betekenen dat met medewerking van eiser een nieuwe aanvraag wederom niet zal leiden tot afgifte van een LP. </para>
    <para />
    <para>5. Het betoog geënt op de reden van opheffing van de eerdere inbewaringstelling kan geen doel treffen. De rechtbank stelt voorop dat er op de dag van de oplegging van de onderhavige maatregel twaalf maanden en een dag zijn verstreken sinds de opheffing van de vorige inbewaringstelling. In het licht van dit tijdsverloop behoeft, onverschillig de reden van die opheffing, verweerder in beginsel geen nieuwe aanknopingspunten aan te dragen om aan te kunnen nemen dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Eiser heeft geen omstandigheden gesteld op grond waarvan dit in het onderhavige geval anders zou liggen. </para>
    <para />
    <para>6. Voorts oordeelt de rechtbank, reeds gelet op hetgeen omtrent het tijdsverloop is overwogen, dat anders dan door eiser gesteld, er geen sprake is van handelen van verweerder in strijd met de Procesregeling bestuursrecht omdat stukken uit eerdere procedures ontbreken in het dossier.  </para>
    <para />
    <para>7. Na beoordeling van de door of namens eiser naar voren gebrachte beroepsgronden, concludeert de rechtbank dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.</para>
    <para />
    <para> </para>
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <para>-	verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para />
    <para>-	wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2010.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Afschrift verzonden op:</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Conc.: LvD</para>
      <para>Coll:</para>
      <para>D: B</para>
      <para>VK</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>