<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5690</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:37:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BD5690</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2008-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">246698 / HA ZA 05-2233</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3982" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#meerdere afhandelingswijzen">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO3982, Meerdere afhandelingswijzen</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>IER 2008, 66</rdf:li>
          <rdf:li>Computerrecht 2008, 139 met annotatie van Ch.A. Alberdingk Thijm</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5690">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5690</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T02:55:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5690 Rechtbank 's-Gravenhage , 25-06-2008 / 246698 / HA ZA 05-2233</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5690:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Importeurs en/of fabrikanten van voorwerpen als bedoeld in artikel 16c lid 1 van de Auteurswet (blanco informatiedragers), die op grond van lid 2 van dat artikel een vergoeding verschuldigd zijn voor het reproduceren van auteursrechtelijk beschermde werken op de blanco informatiedragers (verder: de thuiskopievergoeding) willen door middel van deze procedure ten aanzien van een aantal aspecten van de verschuldigdheid en de hoogte van de thuiskopievergoeding duidelijkheid verkrijgen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5690:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>VONNIS</para>
    <para />
    <para>RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE</para>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 246698 / HA ZA 05-2233</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van 25 juni 2008</para>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>ACI ADAM B.V. gevestigd te Maastricht,</para>
      <para>2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>ADVANCED OPTICAL DISC HOLLAND B.V. gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>ALPHA INTERNATIONAL B.V. gevestigd te Lent,</para>
      <para>4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>AVC NEDERLAND B.V. gevestigd te Haarlemmermeer,</para>
      <para>5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>DAZY DIRECT B.V. gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>DESPEC B.V. gevestigd te Sneek,</para>
      <para>7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>DEXXON DATA MEDIA AND STORAGE B.V. gevestigd te Bodengraven,</para>
      <para>8. [eiser[naam],</para>
      <para>handelend onder de naam [naam] TRADING,</para>
      <para>wonende te Pijnacker,</para>
      <para>9. de rechtspersoon naar vreemd recht</para>
      <para>EMTEC CONSUMER MEDIA BENELUX N.V.-S.A.,</para>
      <para>gevestigd te Andelst, Belgie,</para>
      <para>10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>EUROGRAM INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Heerhugowaard,</para>
      <para>11. de rechtspersoon naar vreemd recht</para>
      <para>FUJI MAGNETICS NEDERLAND, gevestigd te Kleve, Duitsland,</para>
      <para>12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>IMATION EUROPE B.V., gevestigd te Rotterdam,</para>
      <para>13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>MAXELL BENELUX B.V., gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>MMORE INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Diemen,</para>
      <para>15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>NASHUA MEDIA PRODUCTS B.V., gevestigd te Almere,</para>
      <para>16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>PHILIPS CONSUMER ELECTRONICS B.V., gevestigd te Eindhoven,</para>
      <para>17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>RIMAFRA B.V., gevestigd te Hillegom,</para>
      <para>18. de rechtspersoon naar vreemd recht</para>
      <para>SKY MEDIA MANUFACTURING S.A., gevestigd te Yvonand, Zwitserland,</para>
      <para>19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>SONY BENELUX B.V., gevestigd te Badhoevedorp,</para>
      <para>20. de rechtspersoon naar vreemd recht</para>
      <para>VERBATIM GmbH, gevestigd te Eschborn, Duitsland,</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,</para>
      <para>advocaten mr. D.J.G. Visser en mr. A.C.M. Alkema te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. de stichting STICHTING DE THUISKOPIE,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procureur mr. E. Grabandt,</para>
      <para>advocaat mr. E.A.P. Engels te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. de stichting STICHTING ONDERHANDELINGEN</para>
      <para>THUISKOPIEVERGOEDING,</para>
      <para>gevestigd te ‘s-Gravenhage,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procureur mr. H.J.A. Knijff,</para>
      <para>advocaten mr. E.P.A. Keyzer en mr. M.E. Verwoert te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Gedaagden zullen hierna ook Thuiskopie en SONT genoemd worden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1. De procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van 12 juli 2005 en de daarbij behorende producties 1 tot en met 6;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord van Thuiskopie met een productie;</para>
      <para>- de incidentele conclusie van SONT, ertoe strekkende dat de rechtbank zich</para>
      <para>onbevoegd zal verklaren, althans tot niet-ontvankelijkheid van eisers, met </para>
      <para>producties 1 tot en met 6;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord in het incident van eisers, tevens inhoudende een</para>
      <para>voorwaardelijke vermeerdering van eis, met doorgenummerde producties 7 tot en</para>
      <para>met 10;</para>
      <para>- het incidentele vonnis van 8 februari 2006, waarin de rechtbank heeft geoordeeld</para>
      <para>dat zij bevoegd is op de vorderingen te beslissen;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord van SONT met doorgenummerde producties 7, 8 en 9;</para>
      <para>- de conclusie van repliek met doorgenummerde producties 11 tot en met 14;</para>
      <para>- de conclusie van dupliek van Thuiskopie met drie producties;</para>
      <para>- de conclusie van dupliek van SONT met productie 10;</para>
      <para>- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken: producties 15</para>
      <para>tot en met 27 van eisers, de producties genummerd 4 tot en met 7 van Thuiskopie,</para>
      <para>en de pleitnotities van partijen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Het vonnis is nader bepaald op heden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. De feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Eisers zijn importeurs en/of fabrikanten van voorwerpen als bedoeld in artikel 16c</para>
      <para>lid 1 Auteurswet (verder: Aw), hierna aan te duiden als blanco informatiedragers. Zij zijn op</para>
      <para>grond van lid 2 van dat artikel een vergoeding verschuldigd voor het reproduceren van</para>
      <para>auteursrechtelijk beschermde werken op de blanco informatiedragers (verder: de</para>
      <para>thuiskopievergoeding).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Thuiskopie is door de Minister van Justitie aangewezen als de rechtspersoon die</para>
      <para>belast is met de inning en verdeling van die vergoeding (artikel 16d lid 1 Aw).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. SONT is de door de Minister van Justitie aangewezen stichting die de hoogte van</para>
      <para>de thuiskopievergoeding vaststelt (artikel 16e Aw). In het bestuur van SONT is Thuiskopie</para>
      <para>met drie personen vertegenwoordigd en drie personen worden (indirect) benoemd door de</para>
      <para>FIAR: de Vereeniging van Fabrikanten, Importeurs en Agenten op Radiogebied. Deze</para>
      <para>bestuursleden oefenen volgens de statuten van SONT hun functie uit met last en</para>
      <para>ruggespraak. De Minister van Justitie benoemt de onafhankelijke voorzitter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4. Artikel 11 van de statuten van SONT luidt:</para>
      <para>Indien naar het oordeel van de voorzitter de reeds gedane voorstellen terzake van de hoogte</para>
      <para>van de vergoeding en/of de werkingsduur ervan zover uit elkaar liggen, dat bij hem de</para>
      <para>indruk is ontstaan dat er geen voorstel meer zal worden gedaan dat alsnog tot een</para>
      <para>bestuursbesluit zal leiden, is hij bevoegd een termijn te bepalen binnen welke het bestuur het</para>
      <para>desbetreffende besluit dient te hebben genomen, bij gebreke waarvan de voorzitter bevoegd</para>
      <para>is om met uitsluiting van de overige bestuursleden, een het gehele bestuur bindend besluit te</para>
      <para>nemen tot vaststelling van de hoogte van de vergoeding en/of ter bepaling van de</para>
      <para>werkingsduur van dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5. Omdat binnen het bestuur telkens geen overeenstemming kon worden bereikt, is de</para>
      <para>laatste jaren de hoogte van de thuiskopievergoeding vrijwel steeds vastgesteld bij besluit</para>
      <para>van de voorzitter van SONT. Dit is onder meer gebeurd bij besluit van 30 november 2004.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.6. Bij algemene maatregel van bestuur van 17 februari 2007, Staatsblad 2007, 75, zijn</para>
      <para>op grond van de in artikel 16c lid 6 Aw gegeven bevoegdheid de blanco informatiedragers</para>
      <para>aangewezen waarvoor de thuiskopievergoeding moet worden betaald. Dit besluit had</para>
      <para>gelding tot 1 januari 2008. Bij algemene maatregel van bestuur van 5 november 2007,</para>
      <para>Staatsblad 2007, 435, heeft opnieuw een dergelijke aanwijzing plaatsgevonden. Dit besluit</para>
      <para>heeft gelding tot 1 januari 2009.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. Het geschil</para>
    <para />
    <para>3.1. Eisers vorderen, na wijziging van hun eis:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>I. een verklaring voor recht dat bij de bepaling van de hoogte van de</para>
      <para>thuiskopievergoeding:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. wel rekening dient te worden gehouden met het feit dat uitsluitend een vergoeding</para>
      <para>is verschuldigd terzake van voorwerpen die bestemd zijn om een werk ten gehore te</para>
      <para>brengen, te vertonen of weer te geven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B. geen rekening dient te worden gehouden met kopieën die door de natuurlijke</para>
      <para>persoon voor een derde worden gemaakt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>C. geen rekening dient te worden gehouden met kopieën die voor commerciële</para>
      <para>doeleinden en piraterij worden gemaakt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D. geen rekening dient te worden gehouden met kopieën die door rechtspersonen</para>
      <para>worden gemaakt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>E. geen rekening dient te worden gehouden met het kopiëren van</para>
      <para>computerprogramma's en databanken;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>F. geen rekening dient te worden gehouden met kopieën van materiaal dat tot het</para>
      <para>publiek domein behoort;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>G. geen rekening dient te worden gehouden met de schade die het gevolg is van</para>
      <para>illegaal kopiëren (incl. downloaden) uit een illegale bron;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>H. geen rekening dient te worden gehouden met kopieerhandelingen waarvoor de</para>
      <para>rechthebbende reeds betaling in een andere vorm heeft ontvangen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>I. geen rekening dient te worden gehouden met kopieerhandelingen waarvoor de</para>
      <para>rechthebbende expliciet of impliciet toestemming heeft gegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>J. geen rekening dient te worden gehouden met reproducties die van eigen materiaal</para>
      <para>worden gemaakt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>K. geen rekening dient te worden gehouden met kopieerhandelingen waarbij de schade</para>
      <para>of het nadeel voor de rechthebbende minimaal is, zoals bij het kopiëren voor "timeshifting-</para>
      <para>purposes" en "porting";</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>L. wel rekening dient te worden gehouden met de beschikbaarheid van bescherming</para>
      <para>die thuiskopiëren kan voorkomen, niet slechts met het daadwerkelijke gebruik dat</para>
      <para>daarvan wordt gemaakt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>M. wel rekening dient te worden gehouden met de beschikbaarheid van DRMtechnologieën,</para>
      <para>niet slechts met het daadwerkelijke gebruik dat daarvan wordt</para>
      <para>gemaakt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>N. wel rekening dient te worden gehouden met de dreigende wanverhouding tussen de</para>
      <para>gemiddelde prijs van de betreffende blanco drager en de heffing;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>O. wel rekening dient te worden gehouden met de hoogte van de Thuiskopievergoeding</para>
      <para>in andere lidstaten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>P. met betrekking tot de DVD+RW geldt dat een nul-heffing geïndiceerd is, wegens</para>
      <para>de beschikbaarheid van doeltreffende technische beveiligingsvoorzieningen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II. primair: vaststelling van de hoogte van de thuiskopievergoeding voor blanco dragers</para>
      <para>op nul;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>subsidiair: de hoogte van de thuiskopievergoeding voor blanco dragers in goede justitie</para>
      <para>vast te stellen met inachtneming van de onder I A t/m P genoemde omstandigheden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>meer subsidiair: gedaagden te gebieden om met vertegenwoordigers van eisers in</para>
      <para>onderhandeling te treden teneinde de hoogte van de Thuiskopievergoeding vast te</para>
      <para>stellen, waarbij de onder I A t/m P genoemde omstandigheden volledig in acht dienen te</para>
      <para>worden genomen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis en veroordeling van gedaagden in de</para>
      <para>proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank zou oordelen dat vernietiging van</para>
      <para>enig besluit van SONT vereist is om van de vorderingen onder II kennis te nemen, vorderen</para>
      <para>eisers vernietiging van het besluit van SONT van 30 november 2004.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. Eisers menen dat gedaagden bij de vaststelling van de thuiskopievergoeding ten</para>
      <para>onrechte geen rekening houden met de randvoorwaarden en de reikwijdte van artikel 16c</para>
      <para>Aw, in het bijzonder die welke voortvloeien uit Richtlijn 2001/29/EG van het Europees</para>
      <para>Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten</para>
      <para>van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, verder: de</para>
      <para>Richtlijn, welke richtlijn door artikel 16c Aw (deels) wordt geïmplementeerd. Eisers willen</para>
      <para>door middel van deze procedure ten aanzien van een aantal aspecten van de</para>
      <para>verschuldigdheid en de hoogte van de thuiskopievergoeding duidelijkheid verkrijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover</para>
      <para>van belang, nader ingegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>4. De beoordeling</para>
    <para />
    <para>4.1. relevante regelgeving</para>
    <para />
    <para>Voor de beoordeling van het geschil is de navolgende regelgeving van belang.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>artikel 16b Auteurswet</para>
      <para>1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of</para>
      <para>kunst wordt niet beschouwd de verveelvoudiging welke beperkt blijft tot enkele</para>
      <para>exemplaren en welke uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de</para>
      <para>natuurlijke persoon die zonder direct of indirect commercieel oogmerk de</para>
      <para>verveelvoudiging vervaardigt of tot het verveelvoudigen uitsluitend ten behoeve</para>
      <para>van zichzelf opdracht geeft.</para>
      <para>(…)</para>
      <para>5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat voor de</para>
      <para>verveelvoudiging, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de maker of diens</para>
      <para>rechtverkrijgenden een billijke vergoeding is verschuldigd. Daarbij kunnen nadere</para>
      <para>regels worden gegeven en voorwaarden worden gesteld.</para>
      <para>6. Dit artikel is niet van toepassing op het reproduceren, bedoeld in artikel 16c,</para>
      <para>noch op het nabouwen van bouwwerken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>artikel 16c Auteurswet</para>
      <para>1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of</para>
      <para>kunst wordt niet beschouwd het reproduceren van het werk of een gedeelte ervan</para>
      <para>op een voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of</para>
      <para>weer te geven, mits het reproduceren geschiedt zonder direct of indirect</para>
      <para>commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van</para>
      <para>de natuurlijke persoon die de reproductie vervaardigt.</para>
      <para>2. Voor het reproduceren, bedoeld in het eerste lid, is ten behoeve van de maker of</para>
      <para>diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd. De verplichting tot</para>
      <para>betaling van de vergoeding rust op de fabrikant of de importeur van de</para>
      <para>voorwerpen, bedoeld in het eerste lid.</para>
      <para>3. Voor de fabrikant ontstaat de verplichting tot betaling van de vergoeding op het</para>
      <para>tijdstip dat de door hem vervaardigde voorwerpen in het verkeer kunnen worden</para>
      <para>gebracht. Voor de importeur ontstaat deze verplichting op het tijdstip van invoer.</para>
      <para>4. De verplichting tot betaling van de vergoeding vervalt indien de ingevolge het</para>
      <para>tweede lid betalingsplichtige een voorwerp als bedoeld in het eerste lid uitvoert.</para>
      <para>5. De vergoeding is slechts eenmaal per voorwerp verschuldigd.</para>
      <para>6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gegeven met</para>
      <para>betrekking tot de voorwerpen ten aanzien waarvan de vergoeding, bedoeld in het</para>
      <para>tweede lid, verschuldigd is. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts</para>
      <para>nadere regelen worden gegeven en voorwaarden worden gesteld ter uitvoering van</para>
      <para>het bepaalde in dit artikel met betrekking tot de hoogte, verschuldigdheid en vorm</para>
      <para>van de billijke vergoeding.</para>
      <para>7. Indien een ingevolge dit artikel toegelaten reproductie heeft plaatsgevonden,</para>
      <para>mogen voorwerpen als bedoeld in het eerste lid niet zonder toestemming van de</para>
      <para>maker of zijn rechtverkrijgenden aan derden worden afgegeven, tenzij de afgifte</para>
      <para>geschiedt ten behoeve van een rechterlijke of bestuurlijke procedure.</para>
      <para>8. Dit artikel is niet van toepassing op het verveelvoudigen van een met</para>
      <para>elektronische middelen toegankelijke verzameling als bedoeld in artikel 10, derde</para>
      <para>lid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>overweging 35 bij de Richtlijn</para>
      <para>Rechthebbenden dienen, in bepaalde uitzonderlijke gevallen, een billijke</para>
      <para>compensatie te ontvangen om hen naar behoren te compenseren voor het gebruik</para>
      <para>van hun beschermde werken of ander beschermd materiaal. Bij de bepaling van de</para>
      <para>vorm, de modaliteiten en het mogelijke niveau van die billijke compensatie moet</para>
      <para>rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van elk geval. Bij de</para>
      <para>beoordeling van deze omstandigheden zou een zinvol criterium worden gevormd</para>
      <para>door het mogelijke nadeel voor de rechthebbenden als resultaat van de betreffende</para>
      <para>handeling. In gevallen waarin de rechthebbenden reeds betaling in een andere</para>
      <para>vorm hebben ontvangen, bijvoorbeeld als onderdeel van een licentierecht, is</para>
      <para>eventueel geen specifieke of afzonderlijke betaling nodig. Bij de bepaling van het</para>
      <para>niveau van de billijke compensatie dient ten volle rekening te worden gehouden</para>
      <para>met de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de in deze richtlijn bedoelde</para>
      <para>technische voorzieningen. In bepaalde situaties waar de schade voor de</para>
      <para>rechthebbende minimaal zou zijn, is het mogelijk dat geen betalingsverplichting</para>
      <para>ontstaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>artikel 2 van de Richtlijn</para>
      <para>Reproductierecht</para>
      <para>De lidstaten voorzien ten behoeve van:</para>
      <para>a) auteurs, met betrekking tot hun werken,</para>
      <para>b) uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun</para>
      <para>uitvoeringen,</para>
      <para>c) producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,</para>
      <para>d) producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het</para>
      <para>origineel en de kopieën van hun films, en</para>
      <para>e) omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen,</para>
      <para>ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen</para>
      <para>per kabel of satelliet daaronder begrepen,</para>
      <para>in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of</para>
      <para>gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm</para>
      <para>ook, toe te staan of te verbieden.</para>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>artikel 5 van de Richtlijn</para>
      <para>Beperkingen en restricties</para>
      <para>(…)</para>
      <para>2. De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op het in artikel 2 bedoelde</para>
      <para>reproductierecht stellen ten aanzien van:</para>
      <para>(…)</para>
      <para>b) de reproductie, op welke drager dan ook, door een natuurlijke persoon voor</para>
      <para>privé-gebruik gemaakt, en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk,</para>
      <para>mits de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen waarbij rekening</para>
      <para>wordt gehouden met het al dan niet toepassen van de in artikel 6 bedoelde</para>
      <para>technische voorzieningen op het betrokken werk of het betrokken materiaal;</para>
      <para>(…)</para>
      <para>5. De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in</para>
      <para>bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt</para>
      <para>gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige</para>
      <para>belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2. beroep op niet-ontvankelijkheid</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.1. In haar incidentele conclusie heeft SONT zich op het standpunt gesteld dat de</para>
      <para>rechtbank niet bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen, althans dat eisers in de</para>
      <para>vorderingen niet-ontvankelijk zijn, op de navolgende gronden. Bij de opzet van de</para>
      <para>vaststelling van de thuiskopievergoeding is gekozen voor besluitvorming binnen SONT. Het</para>
      <para>besluit van de voorzitter moet op grond van artikel 11 van de statuten worden aangemerkt</para>
      <para>als een bindend advies. Dit bindend advies is alleen aan te tasten indien het naar maatstaven</para>
      <para>van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 7:904 B.W.). Eisers voeren niets</para>
      <para>aan om te concluderen dat het besluit van de voorzitter deze toets niet kan doorstaan. De</para>
      <para>rechtbank dient zich volgens SONT te beperken tot deze marginale toetsing. Voor ruimere</para>
      <para>toetsing zoals door eisers beoogd is geen plaats, te meer niet nu van de zijde van de</para>
      <para>voorzitter van SONT alle bereidheid bestaat om de onderhandelingen over de</para>
      <para>thuiskopievergoeding te leiden. Dit alles geldt ook wanneer wordt getoetst aan artikel 2:15</para>
      <para>lid 1 sub b juncto artikel 2:8 B.W.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.2. In het incidentele vonnis van 8 februari 2006 is geoordeeld dat de rechtbank</para>
      <para>bevoegd is van de vorderingen van eisers kennis te nemen. Hetgeen door SONT is</para>
      <para>aangevoerd kon daarbij (deels) onbeoordeeld blijven. In haar conclusie van antwoord heeft</para>
      <para>SONT haar stellingen in het kader van de ontvankelijkheid van de vorderingen herhaald,</para>
      <para>zodat daarop nu eerst moet worden ingegaan. Ook Thuiskopie stelt zich op het standpunt dat</para>
      <para>eisers jegens haar niet-ontvankelijk in hun vorderingen zijn omdat niet zij, Thuiskopie, de</para>
      <para>thuiskopievergoeding vaststelt maar SONT.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.3. De rechtbank verwerpt de stelling van SONT dat het besluit van de voorzitter tot</para>
      <para>vaststelling van de thuiskopievergoeding kan worden aangemerkt als een bindend besluit als</para>
      <para>bedoeld in artikel 7:900 lid 2 B.W. Dat die opvatting niet juist is volgt alleen al daaruit dat</para>
      <para>artikel 11 van de statuten geen overeenkomst als omschreven in lid 1 van artikel 7:900 B.W.</para>
      <para>inhoudt maar een statutaire bepaling over besluitvorming. De bepaling is dan ook niet</para>
      <para>gericht op vaststelling van wat rechtens zal gelden tussen bepaalde partijen en eisers zijn bij</para>
      <para>de totstandkoming van die regeling als zodanig niet betrokken geweest. Het besluit van de</para>
      <para>voorzitter kan als een besluit van een orgaan van een rechtspersoon slechts worden getoetst</para>
      <para>aan de in artikel 2:15 B.W. genoemde gronden voor vernietiging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.4. Eisers beogen echter niet vernietiging van enig in het verleden genomen besluit</para>
      <para>maar vaststelling van uitgangspunten die de betrokkenen bij toekomstige besluitvorming in</para>
      <para>aanmerking moeten nemen. Voor zover partijen met betrekking tot die uitgangspunten van</para>
      <para>mening verschillen, hebben eisers bij de onder I weergegeven vorderingen belang omdat</para>
      <para>mag worden aangenomen dat de betrokkenen bij toekomstige besluitvorming rekening</para>
      <para>zullen houden met hetgeen voor recht is verklaard om te vermijden dat het besluit in strijd</para>
      <para>komt met regelgeving die op dat besluit van toepassing is. Er is geen reden aan te nemen dat</para>
      <para>eisers niet bevoegd zijn op voorhand een uitspraak van de rechter te vragen. Vernietiging</para>
      <para>van enig in het verleden genomen besluit is daarvoor niet nodig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.5. Eisers zijn dan ook in beginsel ontvankelijk in hun onder I onder A, G, I, en K tot</para>
      <para>en met P vermelde vorderingen (hierna zal echter blijken dat eisers bij een aantal van die</para>
      <para>vorderingen om andere redenen geen belang hebben). Over de overige onder I vermelde</para>
      <para>uitgangspunten zijn partijen het eens zodat eisers in zoverre geen belang hebben bij een</para>
      <para>verklaring voor recht. De vordering onder I moet op die punten worden afgewezen. De</para>
      <para>omstandigheid dat, zoals eisers stellen, Thuiskopie eerder niet heeft willen bevestigen het</para>
      <para>met deze laatste uitgangspunten eens te zijn doet daaraan niet af. Dit geldt eveneens voor</para>
      <para>zover eisers stellen dat bij het vaststellen van de hoogte van de thuiskopievergoeding</para>
      <para>onvoldoende rekening wordt gehouden met deze overige criteria. De verzochte verklaringen</para>
      <para>voor recht zien immers niet op de mate waarin met deze criteria rekening zou moeten</para>
      <para>worden gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.6. De rechtbank deelt het standpunt van Thuiskopie en SONT dat de rechtbank niet de</para>
      <para>hoogte van de thuiskopievergoeding kan vaststellen omdat de Auteurswet die bevoegdheid</para>
      <para>bij SONT heeft neergelegd. Hetgeen onder II primair en subsidiair is gevorderd moet om die</para>
      <para>reden worden afgewezen. Bij hetgeen onder II als meer subsidiair is gevorderd hebben</para>
      <para>eisers geen belang. Er is geen reden aan te nemen dat Thuiskopie en SONT niet bereid</para>
      <para>zouden zijn over de thuiskopievergoeding te onderhandelen met inachtneming van hetgeen</para>
      <para>tussen partijen zal worden vastgesteld met betrekking tot de in acht te nemen</para>
      <para>uitgangspunten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. 	A. voorwerpen die bestemd zijn om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of</para>
      <para>weer te geven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3.1. Eisers en Thuiskopie zijn het er, mede op grond van de wetsgeschiedenis, over</para>
      <para>eens dat de thuiskopieregeling ziet op voorwerpen die bestemd of mede bestemd zijn om</para>
      <para>een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven. Het verschil van mening</para>
      <para>tussen partijen spitst zich toe op de nadere uitwerking van het begrip bestemming. Eisers</para>
      <para>menen dat in ieder geval apparaten zoals MP3-spelers, DVD-recorders en harde schijven</para>
      <para>van PC’s buiten de regeling vallen. Thuiskopie ziet dat anders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3.2. Gezien dit laatste hebben eisers bij de verklaring voor recht geen belang. De</para>
      <para>gevorderde verklaring voor recht ziet immers niet op de vraag wanneer een voorwerp</para>
      <para>bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen, of weer te geven. Ook bij</para>
      <para>toewijzing van het gevorderde wordt derhalve het werkelijke geschilpunt tussen eisers en</para>
      <para>Thuiskopie niet beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.  	G. geen rekening dient te worden gehouden met de schade die het gevolg is van</para>
      <para>illegaal kopiëren (incl. downloaden) uit een illegale bron</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.1. Partijen zijn het er over eens dat uit de wetsgeschiedenis van de</para>
      <para>implementatiewetgeving blijkt dat de opvatting van de wetgever is geweest dat artikel 16c</para>
      <para>Aw toestaat een thuiskopie te maken, ook indien een illegale kopie van het werk wordt</para>
      <para>gekopieerd, en dat bij vaststelling van de thuiskopievergoeding die (laatste)</para>
      <para>kopieerhandeling in aanmerking moet worden genomen. Het duidelijkst blijkt dit uit de</para>
      <para>navolgende, door partijen aangehaalde, passages:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van zowel de huidige als de voorgestelde wetgeving is het</para>
      <para>kopiëren van werken van letterkunde, wetenschap of kunst voor eigen</para>
      <para>oefening, studie of gebruik toegestaan. De Internetgebruiker die gebruik</para>
      <para>maakt van de mogelijkheden die Napster, KazaA en vergelijkbare peer-to peerdiensten</para>
      <para>bieden om werken van letterkunde, wetenschap of kunst te</para>
      <para>kopiëren voor privé-gebruik opereert over het algemeen genomen binnen</para>
      <para>de marges van het auteursrecht. Dat geldt ook wanneer een privé-kopie</para>
      <para>wordt gemaakt van een origineel dat illegaal, dat wil zeggen zonder</para>
      <para>toestemming van auteursrechthebbende, is openbaar gemaakt.</para>
      <para>Wanneer dezelfde Internetgebruiker vervolgens anderen in staat stelt van</para>
      <para>werken van letterkunde, wetenschap of kunst kennis te nemen en deze te</para>
      <para>kopiëren, is er sprake van een auteursrechtelijk relevante openbaarmaking</para>
      <para>in de zin van beschikbaar stellen aan het publiek. Een dergelijke openbaarmaking</para>
      <para>is, behoudens toestemming van rechthebbenden, niet toegestaan.</para>
      <para>Het ontbreken van de eis dat het origineel legaal moet zijn, kan er dus toe</para>
      <para>leiden dat van een illegale bron legale privé-kopieën worden gemaakt,</para>
      <para>voor zover de overige voorwaarden die artikel 16c stelt in acht worden</para>
      <para>genomen. De beperking inzake privé-kopiëren staat het niet toe dat zo’n</para>
      <para>kopie wordt afgegeven of wordt openbaar gemaakt. De term «witwassen»</para>
      <para>is dan ook enigszins misleidend, omdat die term lijkt te impliceren dat een</para>
      <para>rechtmatig gemaakte privé-kopie weer in omloop zou mogen worden</para>
      <para>gebracht.(1)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 16c verbindt aan het privé-kopiëren de voorwaarde dat een vergoeding</para>
      <para>wordt betaald. Die vergoeding is verschuldigd ongeacht of er sprake</para>
      <para>is van een legale of illegale bron en wordt geheven bij de producent of</para>
      <para>importeur en doorberekend aan de consument. Indien bij de vaststelling</para>
      <para>van de vergoeding de privé-kopie van een illegale bron niet in aanmerking</para>
      <para>zou worden genomen, dan zou de gebruiker die illegale werken kopieert</para>
      <para>in feite goedkoper uit zijn. De wet zou dan een premie zetten op gebruik</para>
      <para>van illegaal werk. Dat dat niet de bedoeling kan zijn verklaart dat ook de</para>
      <para>richtlijn niet de beperking stelt dat het moet gaan om een legale bron.(2)</para>
      <para>Dit standpunt is nog recent door de regering onderschreven.(3)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.2. Eisers menen echter dat deze uitleg van artikel 16 c Aw niet conform de Richtlijn</para>
      <para>is. Zij voeren daarvoor aan dat de thuiskopievergoeding moet worden gezien als een</para>
      <para>wettelijke licentie die niet van toepassing kan zijn op materiaal dat illegaal ter beschikking</para>
      <para>wordt gesteld door anderen dan de rechthebbende. Zij stellen verder dat de opvatting van de</para>
      <para>wetgever niet in overeenstemming is met de zogenaamde drie-stappen-toets, omdat met die</para>
      <para>toets niet te verenigen is dat het zonder toestemming van de rechthebbende aanbieden van</para>
      <para>beschermd materiaal verboden is, maar het kopiëren ervan door de thuiskopieregeling wordt</para>
      <para>toegelaten. Op deze manier geeft de Nederlandse regering, naar de mening van eisers,</para>
      <para>toestemming om illegaal ter beschikking gesteld materiaal te reproduceren. Thuiskopie en</para>
      <para>SONT bestrijden dit standpunt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.3. De rechtbank stelt voorop dat het maken van een privé-kopie van illegaal materiaal</para>
      <para>een illegale handeling is. Deze handeling valt niet onder de werkingssfeer van artikel 16c</para>
      <para>Aw. In de parlementaire geschiedenis zijn weliswaar aanknopingspunten te vinden voor een</para>
      <para>andere uitleg, maar de door de minister voorgestane en door de regering onderschreven</para>
      <para>uitleg, waarbij ervan wordt uitgegaan dat een privé-kopie van een illegale bron legaal is, is</para>
      <para>in strijd met de drie-stappen-toets van artikel 5 lid 5 van de Richtlijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.4. Met de door de rechtbank voorgestane uitleg van artikel 16c Aw is nog geen</para>
      <para>antwoord gegeven op de vraag of met het maken van deze illegale kopieën rekening mag</para>
      <para>worden gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de thuiskopievergoeding. De</para>
      <para>Richtlijn bepaalt in artikel 5 lid 2 sub b niet meer dan dat de rechthebbende bij een</para>
      <para>beperking van het auteursrecht een billijke compensatie moet ontvangen. De Richtlijn laat</para>
      <para>onverlet dat op nationaal niveau tevens wordt voorzien in compensatie van nadeel dat de</para>
      <para>rechthebbende lijdt door het maken van privé-kopieën van illegaal materiaal. De Richtlijn</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.5. De conclusie van het voorgaande is dat hetgeen eisers hebben aangevoerd</para>
      <para>ontoereikend is om tot toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht te komen. Deze</para>
      <para>vordering zal om die reden worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5.    	I. kopieerhandelingen waarvoor de rechthebbende expliciet of impliciet</para>
      <para>toestemming heeft gegeven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5.1. De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers aldus. Diende de voorheen</para>
      <para>bestaande thuiskopievergoeding mogelijk te worden aangemerkt als gebruiksvergoeding, na</para>
      <para>implementatie van de Richtlijn moet worden aangenomen dat de thuiskopievergoeding is</para>
      <para>bedoeld om de auteursrechthebbende te compenseren voor het nadeel dat hij door het</para>
      <para>thuiskopieren ondervindt. Dit blijkt uit overweging 35 bij de Richtlijn. Daaruit volgt dat</para>
      <para>indien de auteursrechthebbende expliciet, al dan niet tegen betaling, dan wel impliciet</para>
      <para>toestemming geeft voor het kopiëren van zijn werk de thuiskopievergoeding niet ziet op die</para>
      <para>kopieerhandelingen. Als voorbeeld van impliciete toestemming noemen eisers het met</para>
      <para>toestemming van de auteursrechthebbende op internet ter beschikking stellen van het werk</para>
      <para>of verspreiding van het werk zonder gebruik te maken van technische</para>
      <para>beveiligingsvoorzieningen, hoewel deze beschikbaar zijn.(4) Eisers wijzen in dit verband nog</para>
      <para>op de opvatting van de wetgever in de Nota naar aanleiding van het nadere verslag (5):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De leden van de PvdA-fractie vroegen welke voorwaarden worden gesteld</para>
      <para>bij het beoordelen of een voorwerp onder de thuiskopieregeling valt.</para>
      <para>De wettelijke regeling gaat ervan uit dat het allereerst aan de betrokken</para>
      <para>partijen is afspraken te maken over de voorwerpen waarop een vergoeding</para>
      <para>rust. De mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur voorwerpen</para>
      <para>aan te wijzen kan partijen stimuleren om daarbij ook daadwerkelijk</para>
      <para>tot resultaat te komen. Indien er onvoldoende zicht op overeenstemming</para>
      <para>bestaat kan de overheid voorwerpen aanwijzen. Van belang daarbij</para>
      <para>is uiteraard de ratio van de vergoeding voor privé-kopiëren. Het gaat erom</para>
      <para>rechthebbenden te compenseren voor het nadeel dat zij van kopiëren in</para>
      <para>een digitale omgeving ondervinden. Het is aan rechthebbenden dat</para>
      <para>nadeel aan te tonen. Overweging 35 van de richtlijn noemt in dit verband</para>
      <para>de mogelijkheid van een billijke compensatie voor rechthebbenden af te</para>
      <para>zien wanneer de schade minimaal is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5.2. Thuiskopie voert aan dat het bij de regeling gaat om een wettelijke licentie, waarbij</para>
      <para>het toestemmingsvereiste niet geldt, zodat die toestemming irrelevant is voor de</para>
      <para>verschuldigdheid van de thuiskopievergoeding (6). Thuiskopie meent ook dat eisers te snel</para>
      <para>impliciete toestemming willen aannemen. Zowel Thuiskopie als SONT is met eisers eens</para>
      <para>dat in ieder geval de thuiskopievergoeding niet verschuldigd is indien de rechthebbende al</para>
      <para>op andere wijze een vergoeding voor de kopie heeft ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5.3. Zoals hiervoor is overwogen laat de Richtlijn de lidstaten in beginsel vrij de</para>
      <para>omvang van de compensatie vast te stellen. Uit de door eisers aangehaalde passage uit de</para>
      <para>wetsgeschiedenis is af te leiden dat de Nederlandse wetgever ervan is uitgegaan dat de</para>
      <para>thuiskopievergoeding een compensatie moet zijn voor door de rechthebbende door de</para>
      <para>kopieerhandeling geleden nadeel. Compensatie is vanuit dat uitgangspunt niet aan de orde</para>
      <para>indien de rechthebbende – expliciet of impliciet – toestemming voor de kopieerhandeling</para>
      <para>heeft gegeven. De gevorderde verklaring voor recht kan dus worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. 	K. kopieerhandelingen waarbij de schade of het nadeel voor de rechthebbende</para>
      <para>minimaal is, zoals bij het kopiëren voor "time-shifting-purposes" en "porting"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6.1. Eisers leiden uit de laatste volzin van de hiervoor weergeven overweging 35 bij de</para>
      <para>Richtlijn af dat de redelijke compensatie nihil dient te zijn indien het nadeel voor de</para>
      <para>rechthebbende minimaal is, zoals in het geval van ‘time-shifting’ en ‘porting’. Onder timeshifting</para>
      <para>is dan te verstaan het maken van een kopie van een uitzending om dit op een later</para>
      <para>tijdstip te bekijken of te beluisteren, terwijl porting ziet op het maken van een kopie van</para>
      <para>legaal verkregen materiaal (bijvoorbeeld een cd) voor gebruik op andere apparatuur</para>
      <para>(bijvoorbeeld een mp3-speler). Eisers verwijzen in dit verband naar de opvatting van de</para>
      <para>Europese Commissie (vindplaats niet vermeld) inhoudende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>‘The Commission is of the view that no obligation for payment may arise regarding</para>
      <para>certain single temporary acts of copying a broadcast work or other subject matter</para>
      <para>which are undertaken solely for the purpose of enabling it to be viewed and/or</para>
      <para>listened to at a more convenient time (‘time-shifting’), provided that the conditions set</para>
      <para>out in Article 5.5 of this Directive are met.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze opvatting wordt ook aangehaald in het door eisers ingebrachte rapport van het Institute</para>
      <para>for Information Law te Amsterdam ‘The Future of Levies in a Digital Environment’ van</para>
      <para>prof. P.B. Hugenholtz, dr. L. Guibault en mr. S. van Geffen. Thuiskopie en SONT bestrijden</para>
      <para>deze opvatting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6.2. De rechtbank is met Thuiskopie en SONT van oordeel dat de door eisers getrokken</para>
      <para>conclusie niet uit overweging 35 kan worden afgeleid. De vrijheid die de lidstaten hebben</para>
      <para>bij de bepaling van de omvang van de compensatie blijkt nog eens uitdrukkelijk uit de</para>
      <para>laatste volzin van de overweging. Deze geeft aan dat het in voorkomend geval mogelijk is</para>
      <para>dat geen betalingsverplichting ontstaat (‘no obligation for payment may arise’ in de Engelse</para>
      <para>versie). De vraag is derhalve of de Nederlandse wetgever van deze mogelijkheid gebruik</para>
      <para>heeft gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6.3. De Nederlandse wetgever heeft blijkens de Memorie van Toelichting bij de</para>
      <para>Implementatiewet (7) juist met het oog op deze mogelijkheid een splitsing gemaakt tussen</para>
      <para>reproductiehandelingen waarvoor, gelet op de geringe betekenis van de handeling, in</para>
      <para>beginsel geen vergoeding verschuldigd is, bestreken door artikel 16b Aw, en die waarvoor</para>
      <para>dat wel het geval is, bestreken door artikel 16c Aw. Dit volgt uit onder meer de volgende</para>
      <para>passages:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(pagina 21) Op grond van overweging 35 van de richtlijn</para>
      <para>dienen rechthebbenden, in bepaalde gevallen, een billijke compensatie te</para>
      <para>ontvangen om hen naar behoren te compenseren voor het gebruik van</para>
      <para>hun beschermde werken of ander beschermd materiaal.(…)In</para>
      <para>bepaalde situaties waar de schade voor de rechthebbende minimaal zou</para>
      <para>zijn, is het mogelijk dat in het geheel geen betalingsverplichting ontstaat.</para>
      <para>Daarvan is onder de voorgestelde regeling inderdaad sprake. Voor</para>
      <para>sommige lidstaten maakte deze overweging het mogelijk akkoord te gaan</para>
      <para>met de voorwaarde van redelijke tegemoetkoming, omdat aldus voor een</para>
      <para>bepaalde nauwkeurig afgebakende handeling die binnen het gebied van</para>
      <para>een door de richtlijn bestreken beperking valt geen enkele vergoeding toe</para>
      <para>te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(pagina 23/24) …wordt een splitsing van de regels inzake</para>
      <para>privé-kopiëren voorgesteld. In artikel 16b van de Auteurswet 1912 wordt</para>
      <para>het auteursrecht beperkt door daarvan vrij te stellen de verveelvoudiging</para>
      <para>welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en welke uitsluitend dient tot</para>
      <para>eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die zonder</para>
      <para>commercieel oogmerk de verveelvoudiging vervaardigt of tot het verveelvoudigen</para>
      <para>uitsluitend ten behoeve van zichzelf opdracht geeft. In feite</para>
      <para>vormt het bestaande artikel 16b uitgangspunt voor het voorstel, waarin de</para>
      <para>betreffende richtlijnbepaling is verwerkt, teneinde de strekking van de</para>
      <para>bepaling nog duidelijker te maken en deze geheel in overeenstemming</para>
      <para>met de richtlijn te brengen. Voor de rechtmatigheid van deze verveelvoudiging</para>
      <para>is niet een redelijke tegemoetkoming vereist, maar de Minister van</para>
      <para>Justitie heeft de mogelijkheid daarover nadere regels te stellen. Onder</para>
      <para>deze bepaling valt onder meer het reprografisch verveelvoudigen voor</para>
      <para>privé-doeleinden, en het namaken, naknutselen of anderszins bewerken</para>
      <para>voor privé-doeleinden. Herhaald wordt dat hiermee ook rekening wordt</para>
      <para>gehouden met het onderscheid tussen reproduceren en het ruimere</para>
      <para>verveelvoudigen, dat reproduceren omvat, zodat artikel 16b ook van</para>
      <para>toepassing is op verveelvoudigingshandelingen die niet door de richtlijn</para>
      <para>worden bestreken. Tegelijkertijd omvat artikel 16b reproductiehandelingen</para>
      <para>waarvoor in beginsel redelijke tegemoetkoming is verschuldigd, maar</para>
      <para>waarvan op dit moment door de geringe betekenis en omvang niet aannemelijk</para>
      <para>is dat daarop ook aanspraak bestaat. Het gaat hier met name op het</para>
      <para>reprografisch verveelvoudigen voor privé-doeleinden. Het nieuwe vijfde</para>
      <para>lid van artikel 16b maakt evenwel mogelijk dat bij algemene maatregel</para>
      <para>van bestuur alsnog een billijke vergoeding voor dergelijk reproduceren is</para>
      <para>verschuldigd indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven. In</para>
      <para>artikel 16c wordt het auteursrecht beperkt ten behoeve van het reproduceren</para>
      <para>zonder commercieel oogmerk door een natuurlijke persoon door</para>
      <para>vastlegging van het werk op een voorwerp bestemd om het daarop vastgelegde</para>
      <para>werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven, mits</para>
      <para>deze verveelvoudiging geschiedt tot eigen oefening, studie of gebruik.</para>
      <para>Deze beperking is evenwel gebonden aan de voorwaarde van redelijke</para>
      <para>tegemoetkoming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(pagina 44) Artikel 5, tweede lid, sub b van de richtlijn stelt in het algemeen als</para>
      <para>voorwaarde voor het privé-reproduceren dat billijke compensatie (oftewel</para>
      <para>redelijke tegemoetkoming) wordt verleend aan rechthebbenden. In lijn</para>
      <para>met het advies van de commissie auteursrecht wordt voorgesteld een</para>
      <para>onderscheid te maken tussen:</para>
      <para>a. de verveelvoudiging welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en</para>
      <para>welke uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de</para>
      <para>natuurlijke persoon die zonder commercieel oogmerk de verveelvoudiging</para>
      <para>vervaardigt of tot het verveelvoudiging uitsluitend ten behoeve</para>
      <para>van zichzelf opdracht geeft; en</para>
      <para>b. de reproductie zonder commercieel oogmerk van het beschermd materiaal</para>
      <para>op een voorwerp dat bestemd is om dat materiaal ten gehore te</para>
      <para>brengen, te vertonen of weer te geven, mits deze reproductie uitsluitend</para>
      <para>dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke</para>
      <para>persoon die de reproductie vervaardigt.</para>
      <para>Artikel 16b betreft in het voorstel de eerste categorie van verveelvoudigingen,</para>
      <para>waarmee het bestaande regime voor een aantal typen verveelvoudigen</para>
      <para>wordt voortgezet. Het gaat hier, mede gelet op artikel 16c, negende</para>
      <para>lid, om bijvoorbeeld reprografisch verveelvoudigen, natekenen, nabreien,</para>
      <para>naknutselen en andere vormen van «handvaardigheid». Het privékopiëren</para>
      <para>in deze vorm is in beginsel niet aan een voorwaarde van redelijke</para>
      <para>tegemoetkoming gebonden. Daartoe laat de richtlijn de ruimte, zoals</para>
      <para>hierboven is uiteengezet.(8)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6.4. De gevorderde verklaring voor recht ziet op de in artikel 16c lid 2 Aw genoemde</para>
      <para>vergoeding en daarvoor geldt gezien het voorgaande het door eisers gestelde uitgangspunt</para>
      <para>niet. De vordering dient daarom in zoverre te worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7. 	L/M. de beschikbaarheid van bescherming die thuiskopieren kan voorkomen / de</para>
      <para>beschikbaarheid van DRM-technologieen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7.1. Artikel 5 lid 2 sub b van de Richtlijn bepaalt dat bij vaststelling van de</para>
      <para>compensatie rekening wordt gehouden met het al dan niet toepassen van technische</para>
      <para>voorzieningen die bestaan om ongeoorloofd kopiëren tegen te gaan. Eisers noemen in dit</para>
      <para>verband D(igital) R(ights) M(anagement)-systemen zoals i-Tunes, waarmee werken op een</para>
      <para>netwerk ter beschikking worden gesteld onder door de rechthebbende te bepalen</para>
      <para>voorwaarden. Volgens eisers gaat het er niet om of deze voorzieningen daadwerkelijk</para>
      <para>gebruikt worden, maar slechts om de beschikbaarheid. De thuiskopievergoeding mag naar</para>
      <para>zij menen geen bonus worden voor rechthebbenden die van deze voorzieningen geen</para>
      <para>gebruik willen maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7.2. Zoals gedaagden bij pleidooi nog eens uitdrukkelijk hebben herhaald,</para>
      <para>onderschrijven zij dat van belang is of technische voorzieningen beschikbaar zijn, niet</para>
      <para>slechts of ze worden toegepast. Het geschil tussen eisers en in het bijzonder Thuiskopie gaat</para>
      <para>om het antwoord op de vraag wanneer kan worden aangenomen dat technische</para>
      <para>voorzieningen beschikbaar zijn. Thuiskopie vindt namelijk dat daarvan pas sprake is</para>
      <para>wanneer de voorzieningen op economisch verantwoorde basis beschikbaar zijn, sprake is</para>
      <para>van standaardisatie, interoperabiliteit, haalbare integratie in businessmodellen aanwezig is,</para>
      <para>brede consumentenacceptatie bestaat en privacy-problemen zijn opgelost. De gevorderde</para>
      <para>verklaring voor recht is op dit verschil van inzicht niet gericht. Bij deze vordering hebben</para>
      <para>eisers gezien de overeenstemming tussen partijen geen belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8. 	N/O. wanverhouding tussen de gemiddelde prijs van de betreffende blanco drager</para>
      <para>en de heffing en de hoogte van de Thuiskopievergoeding in andere lidstaten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8.1. Eisers stellen dat een wanverhouding bestaat tussen de prijs van de blanco</para>
      <para>gegevensdrager en de thuiskopievergoeding. Volgens hen bedraagt de heffing op dit</para>
      <para>moment circa 40% van de verkoopprijs. De thuiskopievergoeding is volgens eisers</para>
      <para>bovendien een van de hoogste in Europa. Dit alles zou leiden tot ontduiking en illegale</para>
      <para>import en zou aanleiding moeten zijn de thuiskopievergoeding te verlagen tot hooguit het</para>
      <para>gemiddelde in Europa.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8.2. Hetgeen eisers aanvoeren geeft geen grond voor de gevorderde verklaringen voor</para>
      <para>recht. De door eisers geconstateerde wanverhouding van de thuiskopievergoeding ten</para>
      <para>opzichte van de prijs van de drager of ten opzichte van de thuiskopievergoeding elders in</para>
      <para>Europa betekent nog niet dat de thuiskopievergoeding daarmee in strijd met het recht zou</para>
      <para>zijn. Ook de omstandigheid dat er wat de hoogte van de thuiskopievergoeding tussen de</para>
      <para>lidstaten grote verschillen bestaan, hetgeen volgens eisers leidt tot parallelimport, maakt dit</para>
      <para>niet anders. Dit is inherent aan de keuze van de Europese regelgever om de hoogte van de</para>
      <para>thuiskopievergoeding niet te harmoniseren. Ook stelt Thuiskopie terecht dat in de rede ligt</para>
      <para>de thuiskopievergoeding te relateren aan de waarde van de daarop te kopiëren werken, niet</para>
      <para>aan de waarde van de drager.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9. 	P. met betrekking tot de DVD+RW geldt dat een nul-heffing geindiceerd is,</para>
      <para>wegens de beschikbaarheid van doeltreffende technische beveiligingsvoorzieningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9.1. Deze verklaring voor recht komt neer op vaststelling van de heffing. Zoals hiervoor</para>
      <para>is overwogen is de rechtbank daartoe niet bevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9.2. Het voorgaande voert tot de conclusie dat uitsluitend de gevorderde verklaring</para>
      <para>voor recht vermeld onder I moet worden toegewezen. Eisers moeten worden aangemerkt als</para>
      <para>de voornamelijk in het ongelijk gestelde partijen, zodat zij worden veroordeeld in de</para>
      <para>proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>5. 	De beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart voor recht dat bij de bepaling van de thuiskopievergoeding geen rekening dient te</para>
      <para>worden gehouden met kopieerhandelingen waarvoor de rechthebbende expliciet of impliciet</para>
      <para>toestemming heeft gegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>wijst het meer of anders gevorderde af;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van Thuiskopie en SONT begroot op elk</para>
      <para>€ 244,- aan verschotten en € 1.808,- aan salaris van de procureur;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>verklaart de proceskostenveroordeling ten gunste van SONT uitvoerbaar bij voorraad.(9)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, mr. P.G.J. de Heij en</para>
      <para>mr. P.W. van Straalen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(1) Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28432, nr. 5 p. 32/33</para>
      <para>(2) Nota naar aanleiding van het nadere verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28432, nr. 8 p. 13</para>
      <para>(3) Vergelijk het antwoord van de Minister van Justitie op de vragen met nummer 2256 van het kamerlid Gerkens,</para>
      <para>Tweede Kamer, vergaderjaar 2006-2007 en de brief van de ministers van Justitie, Economische Zaken en</para>
      <para>Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Tweede Kamer van 20 december 2007, Tweede Kamer,</para>
      <para>vergaderjaar 2007-2008, 29838, nr. 6 p. 12.</para>
      <para>ziet daar niet op, terwijl niet gezegd kan worden dat het rekening houden met privé-kopieën</para>
      <para>van illegaal materiaal tevens inhoudt dat die illegale handeling wordt toegestaan. Zonder</para>
      <para>nadere motivering - die ontbreekt - valt niet in te zien dat en waarom bij de vaststelling van</para>
      <para>de hoogte van de thuiskopievergoeding geen rekening mag worden gehouden met privékopieën</para>
      <para>van illegaal materiaal.</para>
      <para>(4) Zie ook cvr 57 ev.</para>
      <para>(5) Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28432, nr. 8 p. 13</para>
      <para>(6) Zie o.a. cvd p. 8/9</para>
      <para>(7) Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28482, nr. 3</para>
      <para>(8) In gelijke zin de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28482, nr. 5 p.</para>
      <para>30 en de Nota naar aanleiding van het nadere verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28482, nr. 8 p.</para>
      <para>12.</para>
      <para>(9) Thuiskopie heeft dat niet gevorderd.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>