<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T15:24:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BD5409</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2008-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">288476 / HA ZA 07-1728</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5409">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T02:54:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5409 Rechtbank 's-Gravenhage , 18-06-2008 / 288476 / HA ZA 07-1728</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5409:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executiegeschil over handelsrechtelijk deel van een vonnis.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5409:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>VONNIS</para>
    <para />
    <para />
    <para>RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE</para>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 288476 / HA ZA 07-1728</para>
    <para />
    <para>Vonnis van 18 juni 2008</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>[X]-BOUW B.V.,</para>
      <para>gevestigd te [P],</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>procureur mr. E. de Jongh,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[RX],</para>
      <para>wonende te [P],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procureur mr. P.S.M. van den Enden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen zullen worden aangeduid als “[X]-Bouw” respectievelijk “[R]”.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1. De procedure</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Bij exploot van 15 mei 2007 heeft [X]-Bouw [R] gedagvaard om</para>
      <para>op 6 juni 2007 ter openbare terechtzitting van de rechtbank ‘s-Gravenhage te verschijnen.</para>
      <para>[X]-Bouw heeft haar dagvaarding vergezeld doen gaan van</para>
      <para>vijftien producties. [R] heeft een conclusie van antwoord overgelegd met daarbij</para>
      <para>negen producties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Bij tussenvonnis van 29 augustus 2007 heeft de rechtbank een comparitie van partijen</para>
      <para>gelast. De comparitie van partijen heeft op 13 november 2007 plaatsgevonden.</para>
      <para>Bij gelegenheid van deze comparitie hebben partijen gespecificeerde opgaven</para>
      <para>van hun proceskosten overgelegd. De genoemde stukken alsmede het procesverbaal</para>
      <para>van de comparitie van partijen behoren tot het procesdossier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. De feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. [X]-Bouw is actief in de bouwbranche. De vader van [R] (hierna te</para>
      <para>noemen: “[X]”) is statutair directeur en enig aandeelhouder van [X]-Bouw. </para>
      <para>[R] was oorspronkelijk werkzaam bij zijn vader in [X]-Bouw. </para>
      <para>Nadat zij uiteen zijn gegaan is [R] als zelfstandige zonder per-</para>
      <para>soneel voor zichzelf begonnen onder de naam [Y] Bouw.</para>
      <para>Zowel [R] als [X] is werkzaam in de bouwbranche.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Het uiteengaan heeft tot een procedure tussen vader en zoon geleid. Op 23 november</para>
      <para>2006 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in de zaak tussen [X]-</para>
      <para>Bouw als eiseres en [R] als gedaagde. In deze procedure waren tal van</para>
      <para>kwesties aan de orde, waaronder de vraag of [R] de handelsnaam [Y] Bouw</para>
      <para>mocht gebruiken naast het (oudere) gebruik van de handelsnaam [X]-</para>
      <para>Bouw. De kantonrechter heeft het gebruik door [R] van de naam [Y] Bouw</para>
      <para>als inbreuk op het handelsnaamrecht van [X]-Bouw gekwalificeerd en</para>
      <para>te dien aanzien een verbod tot het gebruik van de handelsnaam [Y] Bouw opgelegd.</para>
      <para>De kantonrechter heeft met betrekking tot het verbod als volgt beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	2. verbiedt gedaagde het gebruik van de handelsnaam [Y] Bouw respectievelijk</para>
      <para>	een logo waarin die is verwerkt, ingaande een maand na betekening van dit</para>
      <para>	vonnis en op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag, een gedeelte</para>
      <para>	daarvan voor een hele gerekend gedurende welke gedaagde nalatig blijft</para>
      <para>	hieraan te voldoen, met dien verstande dat geen dwangsom wordt verbeurd boven</para>
      <para>	€ 250.000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.3. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	5. Resteert de door [R] gebruikte handelsnaam en het logo op zijn briefpapier.</para>
      <para>	Onvoldoende aanleiding wordt gezien terug te komen op het eerder dienaangaande</para>
      <para>	overwogenene. Toewijsbaar is een verbod aan [R] om te gebruiken</para>
      <para>	naam of afkorting van “[X]-Bouw” respectievelijk een logo waarin</para>
      <para>	een en ander is verwerkt. [R] zal een maand de tijd worden gegund om zijn</para>
      <para>	briefpapier aan te passen. Overigens zal aan de dwangsom een maximum worden</para>
      <para>	verbonden. De toewijzing van dit deel van de conventionele vordering zal</para>
      <para>	echter niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Tenslotte wordt vanwege</para>
      <para>	de familierelatie tussen de directeur/grootaandeelhouder van [X]</para>
      <para>	en [R] alle aanleiding gezien de proceskosten te laten voor rekening van</para>
      <para>	de partij die ze maakte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.4. Het vonnis van 23 november 2006 is op 28 november 2006 aan [R] betekend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5. [R] heeft in het vonnis van de kantonrechter berust. Hij heeft conform het vonnis</para>
      <para>betalingen gedaan en zaken afgegeven en voorts binnen de gestelde termijn zijn</para>
      <para>briefpapier aangepast en zijn handelsnaam in het handelsregister bij de Kamer van</para>
      <para>Koophandel Haaglanden per 19 december 2007 gewijzigd in [Z] Bouw. Op 27</para>
      <para>december 2006 heeft [R] telefonisch contact gehad met zijn webhost Hostway</para>
      <para>met het verzoek de website met domeinnaam [Y].nl te beëindigen. Hostway</para>
      <para>heeft op 27 december 2006 aan [R] een e-mail gestuurd met de mededeling dat</para>
      <para>ter effectuering van deze opzegging een formulier moet worden gedownload en per</para>
      <para>fax dan wel per post aan Hostway moet worden gestuurd. [R] heeft dit formulier</para>
      <para>nog dezelfde dag ingevuld en per fax aan Hostway gezonden. Op dit formulier</para>
      <para>heeft [R] aangegeven de website met domeinnaam [Y].nl per 27 december</para>
      <para>2007 te willen opheffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.6. [R] heeft tot en met 19 januari 2007 een website met domeinnaam [Y].nl</para>
      <para>in de lucht gehad. De website omvatte een vermelding van de handelsnaam [Y]</para>
      <para>Bouw, het daarbij behorende logo en de adresgegevens van [R]. De deurwaarder</para>
      <para>heeft een proces-verbaal van constatering en een bevel tot betaling van de verbeurde</para>
      <para>dwangsommen ten bedrage van € 21.000,- aan [R] betekend. Op 19 januari</para>
      <para>2007 is de website uit de lucht gehaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.7. [R] heeft (mede) naar aanleiding van de gevorderde dwangsommen een kort</para>
      <para>geding aanhangig gemaakt. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage</para>
      <para>heeft onder meer het volgende overwogen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	4.4. Zodoende moet worden beoordeeld of [R] in ernst kon betwijfelen, mede gelet</para>
      <para>	op de gronden waarop het verbod werd gegeven, dat zijn opzegging aan zijn</para>
      <para>	provider Hostway voor afloop van de termijn van één maand als vervat in het</para>
      <para>	verbod, een overtreding van het verbod zou opleveren. Bij dit een en ander zal</para>
      <para>	er met partijen vanuit worden gegaan dat het voeren van de domeinnaam</para>
      <para>	www.[Y].nl als zodanig inderdaad gebruik als handelsnaam vormt. Anders</para>
      <para>	gezegd,de in dit executiegeschil te beantwoorden vraag is of [R] ervan</para>
      <para>	uit mocht gaan dat wat hij had gedaan om de website te beëindigen voldoende</para>
      <para>	nakoming van het verbod opleverde. De voorzieningenrechter acht dat het geval,</para>
      <para>	waarbij de volgende omstandigheden in aanmerking zijn genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. Het geschil</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1. [X]-Bouw vordert – zakelijk weergegeven – de veroordeling van</para>
      <para>[R] tot betaling van € 22.889,02 (€ 21.000 plus kosten) vermeerderd met de</para>
      <para>wettelijke rente vanaf 18 januari 2007 alsmede de veroordeling van [R] in de</para>
      <para>proceskosten. Ter comparitie heeft [X]-Bouw aangegeven dat de vordering</para>
      <para>betrekking heeft op de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2. [R] voert verweer en vordert ter comparitie de veroordeling van [X]-</para>
      <para>Bouw in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Op de stellingen van</para>
      <para>partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>4. De beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen</para>
      <para>zijn verbeurd omdat een verbod niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter</para>
      <para>niet tot taak de door de kantonrechter bij vonnis van 23 november 2006 besliste</para>
      <para>rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te</para>
      <para>beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te</para>
      <para>toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden</para>
      <para>vastgesteld. Bij deze uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot</para>
      <para>richtsnoer te worden genomen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt</para>
      <para>dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Verder is het de rechter vrij bij</para>
      <para>deze uitleg maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Het verbod is door de kantonrechter in algemene termen geformuleerd. Met betrekking</para>
      <para>tot de afbakening van de reikwijdte van zo een in algemene termen vervat</para>
      <para>verbod geldt dat de draagwijdte van zo een verbod niet beperkt behoeft te zijn tot</para>
      <para>de herhaling van de handelingen die aanleiding vormden voor de eerdere procedure</para>
      <para>(i.e. de procedure voor de kantonrechter), maar zich ook kan uitstrekken tot toekomstige</para>
      <para>handelingen, met dien verstande evenwel dat voor zover het betreft toekomstige</para>
      <para>handelingen, als maatstaf heeft te gelden dat de draagwijdte van het verbod</para>
      <para>beperkt is te achten tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld</para>
      <para>dat zij, mede op gronden waarop het verbod is gegeven, inbreuken als door de</para>
      <para>rechter verboden opleveren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. De rechtbank merkt op dat het geschil tussen partijen niet primair is gelegen in de</para>
      <para>afbakening van de reikwijdte van het veroordelend vonnis. Gelet op de handelwijze</para>
      <para>van [R] bestaande uit het op 27 december 2006 versturen van een opheffingsformulier</para>
      <para>aan Hostway, moet worden aangenomen dat ook [R] heeft begrepen</para>
      <para>dat het vonnis mede betrekking heeft op het voeren van de handelsnaam [Y]</para>
      <para>Bouw door middel van de website met domeinnaam [Y].nl. Het geschil tussen</para>
      <para>partijen is veeleer gelegen in de vraag of dwangsommen zijn verbeurd omdat</para>
      <para>het verbod niet of onvoldoende is nageleefd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. [X]-Bouw stelt met betrekking tot de uitvoering van het veroordelend</para>
      <para>vonnis dat [R] niet tijdig actie heeft ondernomen om aan het vonnis van 23 november</para>
      <para>2006 te voldoen door één dag voor het verstrijken van de gestelde termijn</para>
      <para>het formulier voor opheffing van de domeinnaam aan Hostway te zenden en dat</para>
      <para>[R] had moeten begrijpen dat een domeinnaam niet per direct kan worden opgeheven</para>
      <para>en dat hij de website op zwart had kunnen zetten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. [R] stelt bij wijze van verweer dat de website zijns inziens per direct zou kunnen</para>
      <para>worden opgezegd en dat hij geen wetenschap behoefde te hebben van de termijnen</para>
      <para>voor het opheffen van de website noch van het op zwart zetten hiervan.</para>
      <para>[R] heeft als verweer daarenboven de motivering van de voorzieningenrechter</para>
      <para>tot de zijne gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.6. Krachtens het bepaalde in artikel 6:2 BW zijn schuldeiser en schuldenaar verplicht</para>
      <para>zich jegens elkander te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.</para>
      <para>Dit brengt met zich mee dat een crediteur een veroordelend vonnis niet ten</para>
      <para>uitvoer mag leggen, voor zover dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid</para>
      <para>onaanvaardbaar zou zijn, hetgeen met name het geval is indien de veroordeelde</para>
      <para>zich zo zeer heeft ingespannen dat het onredelijk zou zijn meer inspanning en</para>
      <para>zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.7. De rechtbank stelt voorop dat [R] aan het veroordelend vonnis van de kantonrechter</para>
      <para>nagenoeg volledig uitvoering gegeven door binnen de gestelde termijn aanzienlijke</para>
      <para>betalingen te doen, zaken af te geven, het briefpapier aan te passen en de</para>
      <para>handelsnaam in het handelsregister te wijzigen. Hij heeft voorts binnen de termijn</para>
      <para>de noodzakelijke actie ondernomen ter opheffing van de website met domeinnaam</para>
      <para>[Y].nl. De ingevorderde dwangsommen zien dan ook op de niet tijdige effectuering</para>
      <para>door de provider van deze opzegging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8. In redelijkheid kan de niet tijdige effectuering niet aan [R] worden toegerekend.</para>
      <para>Het gaat hier enerzijds om een omstandigheid die buiten zijn macht ligt. Anderzijds</para>
      <para>heeft [X]-Bouw niet inzichtelijk gemaakt dat [R] de wetenschap</para>
      <para>had dat de provider geruime tijd nodig zou hebben voor opheffing van de website</para>
      <para>en dat [R] daar op had moeten inspelen door ruim voor de afloop van de termijn</para>
      <para>de opheffing te verzoeken. Wat [X] hierover aanvoert is allemaal</para>
      <para>met the benefit of hindsight. Niet aannemelijk is geworden dat in de procedure bij</para>
      <para>de kantonrechter door één van partijen aan het bestaan van de website is gedacht.</para>
      <para>Het vonnis van de kantonrechter leert dat dit ook niet onder de aandacht van de</para>
      <para>kantonrechter is gekomen. Ook na de betekening heeft [X]-Bouw geen</para>
      <para>aanleiding gezien de aandacht te vestigen op de tijdige opheffing van de site. Kennelijk</para>
      <para>kwam een en ander pas voor het eerst onder haar aandacht op 6 januari 2007,</para>
      <para>op welke datum voor het eerst werd vastgesteld dat de site nog in de lucht was.</para>
      <para>Voor haar was het belang van onmiddellijke beëindiging kennelijk niet zo groot dat</para>
      <para>zij de noodzaak zag [R] hiervan te verwittigen. Zij heeft het bedrag van (in haar</para>
      <para>ogen) verbeurde dwangsommen laten oplopen tot 19 januari 2007. [X]-</para>
      <para>Bouw heeft geen enkele handeling harerzijds gesteld waaruit zou kunnen blijken</para>
      <para>dat opheffing van de website haar ernst was. Het zakelijk belang van de website</para>
      <para>voor [X]-Bouw en voor [R] is ook als zeer gering aan te merken.</para>
      <para>Dat de website op enigerlei wijze opdrachten aandroeg aan [R], laat staan opdrachtgevers</para>
      <para>aftrok van [X]-Bouw is niet gebleken. Ook in dat licht</para>
      <para>dient het belang van [X]-Bouw als gering te worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.9. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de niet-tijdige effectuering van het opheffen</para>
      <para>van de website dan ook een zeer ondergeschikt verzuim dat onder de beschreven</para>
      <para>omstandigheden het verbeuren van dwangsommen niet kan rechtvaardigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.10. De rechtbank zal de vorderingen van [X]-Bouw afwijzen en [X]-Bouw als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen.</para>
      <para>Omdat deze zaak de executie van het handelsnaamrechtelijk deel van een vonnis</para>
      <para>betreft zijn de proceskosten te bepalen aan de hand van artikel 1019h Rv. Partijen</para>
      <para>hebben over en weer gespecificeerde opgaven van de proceskosten overgelegd.</para>
      <para>[R] vordert het bedrag van € 14.379,60. De rechtbank merkt op dat dit een bedrag</para>
      <para>inclusief BTW is en dat de gemaakte kosten mede zien op de procedure bij de</para>
      <para>kantonrechter en in het executie kort geding. In die zaken is reeds op de proceskosten</para>
      <para>beslist. De rechtbank zal daarom alleen de kosten gemaakt na betekening van</para>
      <para>de dagvaarding in deze zaak voor vergoeding in aanmerking nemen. Omdat partijen</para>
      <para>ondernemers zijn komen slechts bedragen exclusief BTW voor vergoeding in</para>
      <para>aanmerking. [X] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van het</para>
      <para>bedrag van € 2.499,88.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>5. De beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <para>5.1. wijst de vorderingen af;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.2. veroordeelt [X]-Bouw in de kosten van de procedure, aan de zijde van</para>
      <para>[R] tot op heden begroot op € 2.449,88.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Chr.A.J.F.M. Hensen en in het openbaar uitgesproken op 18</para>
      <para>juni 2008 in aanwezigheid van de griffier mr. R.J. van Doornmalen.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>