<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9318</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:18:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA9318</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 00/61812</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001840&amp;artikel=1&amp;g=2000-09-19">Grondwet 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9318">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9318</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:18:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9318 Rechtbank 's-Gravenhage , 19-09-2000 / AWB 00/61812</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9318:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder nader onderzoek doen</para>
        <para>naar de herkomst van de vreemdeling. Immers, naar aanleiding van het</para>
        <para>rapport van nader gehoor waren er twijfels gerezen omtrent de opgegeven</para>
        <para>nationaliteit. Het getuigt van zorgvuldigheid dat verweerder, alvorens de</para>
        <para>vreemdeling in bewaring te stellen, die twijfel omtrent de opgegeven</para>
        <para>nationaliteit onderbouwt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat pas na</para>
        <para>het onderzoek herkomstbepaling er voldoende gronden aanwezig waren om de</para>
        <para>inbewaringstelling te rechtvaardigen. Immers, uit dat onderzoek bleek de</para>
        <para>gebrekkige kennis van de vreemdeling over geografie, leefomgeving, cultuur</para>
        <para>en taal van het opgegeven land van herkomst. Op grond hiervan kon</para>
        <para>verweerder de conclusie trekken dat de vreemdeling evident niet uit Sudan</para>
        <para>afkomstig was en dat er derhalve sprake was van manifest bedrog. Nu de</para>
        <para>vreemdeling volhardt in zijn Sudanese nationaliteit, terwijl hij</para>
        <para>waarschijnlijk uit Nigeria afkomstig is, is de rechtbank van oordeel dat</para>
        <para>er voldoende grond is te concluderen dat er een ernstig vermoeden bestaat</para>
        <para>dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en vordert het</para>
        <para>belang van de openbare orde de inbewaringstelling.</para>
        <para>Niet gesteld kan worden dat verweerder discriminatoir handelt door alle</para>
        <para>vreemdelingen die claimen de Sudanese nationaliteit te bezitten in</para>
        <para>bewaring te stellen indien blijkt dat zij onjuiste verklaringen hebben</para>
        <para>afgelegd omtrent hun nationaliteit. Verweerder heeft ter zitting verklaard</para>
        <para>dat uit onderzoek gebleken is dat tachtig procent van alle Engelstalige</para>
        <para>vreemdelingen die claimen de Sudanese nationaliteit te bezitten uit een</para>
        <para>derde land afkomstig zijn. Dit gegeven heeft voor verweerder aanleiding</para>
        <para>gevormd vreemdelingen die stellen de Sudanese nationaliteit te hebben aan</para>
        <para>een nader onderzoek te onderwerpen teneinde misbruik van de asielprocedure</para>
        <para>te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze niet een</para>
        <para>direct onderscheid naar nationaliteit inhoudt, zodat er geen sprake is van</para>
        <para>strijd met artikel 1 van de Grondwet. Beroep ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9318:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage</para>
      <para>zittinghoudende te 's-Hertogenbosch</para>
      <para>Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>--------------------------------</para>
      <para>Uitspraak</para>
      <para>--------------------------------</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>AWB 00/61812 V3</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a juncto 34j van de</para>
      <para>Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, volgens zijn verklaring geboren op (...) 1982 en van</para>
      <para>Soedanese nationaliteit, thans verblijvende in het Justitieel Complex</para>
      <para>Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Justitie, hierna te noemen: verweerder.</para>
    <para />
    <para>Zitting: 18 september 2000.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.C.</para>
      <para>Gillese, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde mr. F.L. Teerling,</para>
      <para>advocaat te 's-Hertogenbosch.</para>
      <para>Verweerder is verschenen bij gemachtigde drs. H.W. Pieters.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij bevel tot bewaring van 6 september 2000 is de vreemdeling op grond</para>
      <para>van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet (Vw)</para>
      <para>in bewaring gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beroepschrift van 7 september 2000, op diezelfde datum ontvangen ter</para>
      <para>griffie van de rechtbank, is namens de vreemdeling verzocht de bewaring</para>
      <para>met onmiddellijke ingang op te heffen. Voorts is om schadevergoeding</para>
      <para>verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de</para>
      <para>vreemdeling op 7 juni 1999 een aanvraag heeft ingediend om toelating als</para>
      <para>vluchteling. Daarop is nog niet beslist. Op 6 september 2000 heeft</para>
      <para>verweerder de vreemdeling aan en onderzoek herkomstbepaling onderworpen.</para>
      <para>Hieruit is gebleken dat de vreemdeling niet uit Soedan afkomstig is.</para>
      <para>Verweerder heeft zich op grond hiervan op het standpunt gesteld dat er</para>
      <para>sprake is van manifest bedrog en de vreemdeling op grond van het</para>
      <para>bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw in</para>
      <para>bewaring gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de vreemdeling is aangevoerd dat hij ten onrechte in bewaring is</para>
      <para>gesteld. Immers, het had verweerder reeds na het nader gehoor van</para>
      <para>22 juli 1999 duidelijk kunnen zijn dat de vreemdeling niet uit Soedan</para>
      <para>afkomstig was, gelet op zijn gebrekkige kennis van dat land. Een</para>
      <para>onderzoek herkomstbepaling was daarvoor niet nodig. Derhalve valt niet</para>
      <para>in te zien dat de vreemdeling thans wel wegens vrees voor onttrekking in</para>
      <para>bewaring wordt gesteld terwijl dat eerder achterwege is gelaten. Daarbij</para>
      <para>dient in aanmerking te worden genomen dat de vreemdeling zich altijd aan</para>
      <para>de meldplicht heeft gehouden.</para>
      <para>Verder wordt aangevoerd dat manifest bedrog alleen niet voldoende grond</para>
      <para>vormt voor inbewaringstelling. Daarvoor is vrees voor onttrekking van</para>
      <para>uitzetting vereist, manifest bedrog vormt niet meer dan een aanwijzing</para>
      <para>dat daarvan sprake is.</para>
      <para>Tenslotte is aangevoerd dat verweerder alle vreemdelingen die claimen de</para>
      <para>Soedanese nationaliteit te hebben aan een nader onderzoek onderwerpt en</para>
      <para>bij gebleken onjuiste verklaringen in bewaring stelt, terwijl andere</para>
      <para>vreemdelingen, die niet stellen uit Soedan afkomstig te zijn een</para>
      <para>dergelijke behandeling niet te behoeven ondergaan. Een dergelijke</para>
      <para>handelwijze is in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals dat is</para>
      <para>neergelegd in artikel 1 van de Grondwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder nader onderzoek doen</para>
      <para>naar de herkomst van de vreemdeling. Immers, naar aanleiding van het</para>
      <para>rapport van nader gehoor waren er twijfels gerezen omtrent de opgegeven</para>
      <para>nationaliteit. Het getuigt van zorgvuldigheid dat verweerder, alvorens</para>
      <para>de vreemdeling in bewaring te stellen, die twijfel omtrent de opgegeven</para>
      <para>nationaliteit onderbouwt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat pas na</para>
      <para>het onderzoek herkomstbepaling er voldoende gronden aanwezig waren om de</para>
      <para>inbewaringstelling te rechtvaardigen. Immers, uit dat onderzoek bleek de</para>
      <para>gebrekkige kennis van de vreemdeling over geografie, leefomgeving,</para>
      <para>cultuur en taal van het opgegeven land van herkomst. Op grond hiervan</para>
      <para>kon verweerder de conclusie trekken dat de vreemdeling evident niet uit</para>
      <para>Soedan afkomstig was en dat er derhalve sprake was van manifest bedrog.</para>
      <para>Nu de vreemdeling volhardt in zijn Soedanese nationaliteit, terwijl hij</para>
      <para>waarschijnlijk uit Nigeria afkomstig is, is de rechtbank van oordeel dat</para>
      <para>er voldoende grond is te concluderen dat er een ernstig vermoeden</para>
      <para>bestaat dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en</para>
      <para>vordert het belang van de openbare orde de inbewaringstelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit dat de vreemdeling zich altijd aan zijn meldplicht heeft</para>
      <para>gehouden vormt geen aanleiding te veronderstellen dat van vrees voor</para>
      <para>onttrekking aan uitzetting geen sprake kan zijn. De situatie zoals die</para>
      <para>was tot 6 september 2000 was geheel anders dan de situatie na die datum.</para>
      <para>Na 6 september 2000 wist de vreemdeling dat verweerder op de hoogte was</para>
      <para>van het feit dat hij onjuiste informatie had verschaft omtrent zijn</para>
      <para>nationaliteit. Dat de vreemdeling zich vóór 6 september 2000 altijd aan</para>
      <para>zijn meldplicht heeft gehouden vormt dan ook geen garantie dat hij dat</para>
      <para>ook in de toekomst zal blijven doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat</para>
      <para>verweerder discriminatoir handelt door alle vreemdelingen die claimen de</para>
      <para>Soedanese nationaliteit te bezitten in bewaring te stellen indien blijkt</para>
      <para>dat zij onjuiste verklaringen hebben afgelegd omtrent hun nationaliteit.</para>
      <para>Verweerder heeft ter zitting verklaard dat uit onderzoek gebleken is dat</para>
      <para>tachtig procent van alle Engelstalige vreemdelingen die claimen de</para>
      <para>Soedanese nationaliteit te bezitten uit een derde land afkomstig zijn.</para>
      <para>Dit gegeven heeft voor verweerder aanleiding gevormd vreemdelingen die</para>
      <para>stellen de Soedanese nationaliteit te hebben aan een nader onderzoek te</para>
      <para>onderwerpen teneinde misbruik van de asielprocedure te voorkomen. De</para>
      <para>rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze niet een direct</para>
      <para>onderscheid naar nationaliteit inhoudt, zodat er geen sprake is van</para>
      <para>strijd met artikel 1 van de Grondwet.</para>
      <para>Voorts is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet gesteld kan</para>
      <para>worden dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de</para>
      <para>vreemdeling werkt. De vreemdeling heeft immers een asielaanvraag</para>
      <para>ingediend, waarop nog niet is beslist. Hangende de asielprocedure kan</para>
      <para>verweerder de uitzettingsactiviteiten opschorten, hetgeen in het</para>
      <para>onderhavige geval is gebeurd. Gelet op het vorenstaande kan evenmin</para>
      <para>gesteld worden dat er geen reëel zicht op uitzetting bestaat. Pas als op</para>
      <para>de asielaanvraag is beslist zal verweerder zich moeten beraden omtrent</para>
      <para>de vraag bij de autoriteiten van welk land de vreemdeling gepresenteerd</para>
      <para>zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het</para>
      <para>verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de</para>
      <para>bewaring niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle</para>
      <para>daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te</para>
      <para>achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het namens de vreemdeling ingediende verzoek om schadevergoeding zal</para>
      <para>worden afgewezen, nu in gevolge artikel 34j van de Vw een dergelijk</para>
      <para>verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing</para>
      <para>van de bewaring beveelt, hetgeen in casu niet het geval is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten</para>
      <para>worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is</para>
      <para>de rechtbank niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt als volgt beslist.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;</para>
    <para />
    <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door mr. E.C.M. de Klerk, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. J.P.W. Manders als griffier en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>19 september 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te</para>
      <para>'s-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake</para>
      <para>schadevergoeding.</para>
      <para>Verweerder kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling</para>
      <para>binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep</para>
      <para>instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de</para>
      <para>artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage</para>
      <para>(zittingplaats: 's-Hertogenbosch).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften verzonden: 23 oktober 2000</para>
      <para>SS</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>