<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-16T11:46:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBSGR:2000:ZA6042</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA6484</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL4128</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/8470, 99/8471</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:5">Algemene wet bestuursrecht 6:5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:6">Algemene wet bestuursrecht 6:6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 2000/192</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6484">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6484</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:05:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6484 Rechtbank 's-Gravenhage , 06-06-2000 / AWB 99/8470, 99/8471</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6484:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6484:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Afghanistan / tijdig indienen gronden.</para>
      <para>Kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers heeft namens deze</para>
      <para>gemachtigde in verband met vakantie om uitstel voor het indienen van de</para>
      <para>gronden van het bezwaarschrift verzocht. Verweerder heeft dit verzoek</para>
      <para>niet gehonoreerd met verwijzing naar IND-werkinstructie nr. 167A waarin</para>
      <para>staat dat vakantie tenminste één maand van tevoren schriftelijk moet zijn</para>
      <para>gemeld bij de betreffende regionale directie van van verweerder. Bij</para>
      <para>brief van 13 augustus 1999 heeft de kantoorgenoot nogmaals verzocht om</para>
      <para>verlenging van de termijn en daarbij opgemerkt dat hij, aangezien hij</para>
      <para>niet bekend is met vreemdelingenzaken, inmiddels diverse collega's in de</para>
      <para>regio zonder succes heeft benaderd. Ook dit is door verweerder niet</para>
      <para>gehonoreerd. Bij besluit van 10 september 1999 is het bezwaarschrift</para>
      <para>vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, aangezien niet binnen de</para>
      <para>gestelde termijn de gronden van het bezwaarschrift zijn ingediend.</para>
      <para>Hoewel ook de rechtbank in gevallen als het onderhavige een algemeen</para>
      <para>belang gemoeid acht met het in acht nemen van de termijnen, kan naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank het beleid van verweerder op dit punt de</para>
      <para>redelijkheidstoets niet doorstaan omdat een melding van voorgenomen</para>
      <para>vakanties in elke zaak afzonderlijk en bij verschillende</para>
      <para>districtskantoren zoals aangegeven in IND-werkinstructie nr. 167A een</para>
      <para>onredelijke belasting vormt voor de rechtshulpverlener. Met name</para>
      <para>eenmanskantoren worden door een dergelijke regeling onevenredig</para>
      <para>benadeeld, omdat aldaar bij afwezigheid van de rechtshulpverlener</para>
      <para>niemand anders in staat is de zaken inhoudelijk waar te nemen. Deze</para>
      <para>regeling staat niet in verhouding tot de termijnen waarbinnen verweerder</para>
      <para>in de praktijk zijn beslissingen neemt. De beslistermijnen die staan</para>
      <para>genoemd in artikel 15e, eerste lid, Vw en artikel 7:10 Awb</para>
      <para>worden met een grote regelmaat niet door verweerder gehaald. Gelet op</para>
      <para>het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aldus een</para>
      <para>eis stelt die in redelijkheid niet kan worden gesteld en die verder</para>
      <para>strekt dan noodzakelijk is voor het beoogde doel. Niet valt in te zien</para>
      <para>dat door een beperkte verlenging van de hersteltermijn de totale</para>
      <para>afhandelingsduur onredelijk vertraagd zou worden. Bovendien aanvaardt</para>
      <para>verweerder op geen enkele wijze de mogelijkheid om in bijzondere</para>
      <para>gevallen van de regeling af te wijken. De stelling van verweerder dat</para>
      <para>voornoemde regeling al uitzonderingsbeleid is, laat onverlet dat bij</para>
      <para>vastgesteld beleid sprake is van een inherente afwijkingsbevoegdheid.</para>
      <para>Beroep gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage</para>
      <para>zittinghoudende te 's-Hertogenbosch</para>
      <para>Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>--------------------------------</para>
      <para>Uitspraak</para>
      <para>--------------------------------</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>AWB 99/8470 VRWET</para>
      <para>AWB 99/8471 VRWET</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de</para>
      <para>Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, eiser, en zijn echtgenote,</para>
      <para>B, eiseres,</para>
      <para>mede ten behoeve van hun twee minderjarige kinderen,</para>
      <para>allen verblijvende te C,</para>
      <para>gemachtigde mr. J.M.M. Verstrepen, advocaat te Oosterhout,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers bezitten de Afghaanse nationaliteit en zijn vreemdeling in de zin</para>
      <para>van de Vw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 augustus 1998 hebben eisers aanvragen ingediend om toelating als</para>
      <para>vluchteling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 17 mei 1999 heeft verweerder de</para>
      <para>aanvragen van eisers om toelating als vluchteling op grond van</para>
      <para>artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd</para>
      <para>wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft verweerder afwijzend</para>
      <para>beslist op de aanvragen om een vergunning tot verblijf.</para>
      <para>Wel heeft verweerder aan eisers een voorwaardelijke vergunning tot</para>
      <para>verblijf verleend, met ingang van 15 augustus 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze besluiten zijn op 11 juni 1999 aan eisers uitgereikt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 8 juli 1999 is namens eisers tegen voornoemde besluiten bezwaar</para>
      <para>gemaakt bij verweerder op nader aan te voeren gronden. Bij schrijven van</para>
      <para>24 augustus 1999 zijn namens eisers de gronden van het bezwaarschrift</para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 10 september 1999 heeft verweerder het</para>
      <para>bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze besluiten is namens eisers bij schrijven van 6 oktober 1999</para>
      <para>beroep ingesteld. Het beroep is op 7 oktober 1999 ter griffie van de</para>
      <para>rechtbank ontvangen. Het beroep van eiser staat geregistreerd onder</para>
      <para>registratienummer AWB 99/8470 en het beroep van eiseres staat</para>
      <para>geregistreerd onder registratienummer AWB 99/8471.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft naar aanleiding van voornoemde beroepen de op de zaak</para>
      <para>betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beide beroepen zijn behandeld door de meervoudige kamer van deze</para>
      <para>rechtbank op 14 maart 2000, waar eiser in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres is niet in persoon verschenen.</para>
      <para>Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn</para>
      <para>gemachtigde mr. J.W. de Graaf, ambtenaar ten departemente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geschil is aan de orde de vraag of de bestreden besluiten van</para>
      <para>10 september 1999, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de</para>
      <para>bezwaarschriften, in rechte kunnen worden gehandhaafd. Daartoe moet</para>
      <para>worden bezien of deze besluiten de toetsing aan geschreven en</para>
      <para>ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben bij schrijven van 8 juli 1999 bezwaar gemaakt bij</para>
      <para>verweerder tegen de besluiten van 17 mei 1999, inhoudende de</para>
      <para>niet-inwilliging van hun aanvragen om toelating. Dit bezwaar is gemaakt</para>
      <para>op nader aan te voeren gronden. Bij brief van 3 augustus 1999 heeft</para>
      <para>verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift aan eisers bevestigd.</para>
      <para>Verweerder heeft daarbij geconstateerd dat het bezwaarschrift niet de</para>
      <para>gronden bevat en derhalve niet is ingediend overeenkomstig artikel 6:5,</para>
      <para>eerste lid, aanhef en onder d van de Awb en aan eisers aangegeven dat</para>
      <para>dit ingevolge artikel 6:6 van de Awb een verzuim oplevert dat tot</para>
      <para>niet-ontvankelijkheid leidt. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld binnen</para>
      <para>een termijn van twee weken na dagtekening van eerdergenoemde brief de</para>
      <para>gron den waarop het bezwaar berust in te dienen. In meergenoemde brief is</para>
      <para>voorts vermeld dat indien het verzuim niet wordt hersteld, tot</para>
      <para>niet-ontvankelijkverklaring zal worden besloten.</para>
      <para>Bij brief van 5 augustus 1999 heeft mr. L.G.C.M. de Wit, een</para>
      <para>kantoorgenoot van de gemachtigde van eisers, namens de gemachtigde van</para>
      <para>eisers, aan verweerder verzocht om nader uitstel voor het indienen van</para>
      <para>de gronden van het bezwaarschrift. Hij heeft daarvoor als reden</para>
      <para>opgegeven dat de gemachtigde afwezig is in verband met vakantie en dat</para>
      <para>hij niet deskundig is op het gebied van vreemdelingenrecht. Op</para>
      <para>10 augustus 1999 heeft verweerder per brief aan de gemachtigde van eisers</para>
      <para>medegedeeld dat aan het verzoek om uitstel niet kan worden voldaan en</para>
      <para>aangegeven dat in werkinstructie 167A staat dat vakantie tenminste één</para>
      <para>maand van tevoren schriftelijk moet zijn gemeld bij de betreffende</para>
      <para>Regionale directie van verweerder. Bij brief van 13 augustus 1999 heeft</para>
      <para>mr. L.G.C.M. de Wit nogmaals verzocht om verlenging van de termijn voor</para>
      <para>het indienen van de gronden van het bezwaar. Daarbij heeft</para>
      <para>mr. L.G.C.M. de Wit opgemerkt dat hij, aangezien hij niet bekend is met</para>
      <para>vreemdelingenzaken, inmiddels diverse collega's in de regio heeft</para>
      <para>benaderd, maar deze zijn op vakantie of verhinderd in verband met de</para>
      <para>vakantiedrukte in de eigen praktijk. Bij brief van 16 augustus 1999</para>
      <para>heeft verweerder opnieuw geweigerd de termijn voor het indienen van de</para>
      <para>nadere gronden te verlengen en er daarbij nogmaals op gewezen dat de</para>
      <para>vakantie van de gemachtigde niet is doorgegeven, wat volgens</para>
      <para>werkinstructie 167A wel had gemoeten, zodat geen uitstel kan worden</para>
      <para>verleend. Op 24 augustus 1999 -na de terugkeer van vakantie van de</para>
      <para>gemachtigde- zijn de nadere gronden van het bezwaar ingediend.</para>
      <para>In de bestreden besluiten van 10 september 1999 is het bezwaarschrift</para>
      <para>vervolgens niet-ontvankelijk verklaard gezien het bepaalde in artikel</para>
      <para>6:6 juncto 6:9 van de Awb, aangezien niet binnen de gestelde termijn de</para>
      <para>gronden van het bezwaarschrift zijn ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eisers is onder meer aangevoerd dat het beleid van verweerder ten</para>
      <para>aanzien van het verzoek om uitstel voor de indiening van de gronden van</para>
      <para>het bezwaarschrift zoals is neergelegd in werkinstructie 167A, waarin de</para>
      <para>gedragslijn van verweerder met betrekking tot het niet ontvankelijk</para>
      <para>verklaren wegens het niet of niet tijdig indienen van gronden en uitstel</para>
      <para>van indiening van nadere gronden is neergelegd, onredelijk is en</para>
      <para>onwerkbaar in de praktijk van de gespecialiseerde vreemdelingen- en</para>
      <para>asielrechtadvocatuur. Het is onuitvoerbaar om per dossier een</para>
      <para>districtskantoor van verweerder te berichten wanneer de</para>
      <para>rechtshulpverlener op vakantie gaat. Door de zeer lange "doorlooptijden"</para>
      <para>van dossiers zijn er aanzienlijke hoeveelheden dossiers waarin het</para>
      <para>wachten is op een beslissing van verweerder. Het is niet te voorspellen</para>
      <para>wanneer in een bepaalde zaak een beslissing is te verwachten. Bij een</para>
      <para>werkvoorraad van mogelijk 250 tot 300 (en soms meer dossiers) bij één</para>
      <para>rechtshulpverlener, zou de werkinstructie betekenen dat er twee tot drie</para>
      <para>keer per jaar per dossier een brief naar een nader op te sporen</para>
      <para>districtskantoor moeten gaan om de vakantie te melden. Dit zou een</para>
      <para>dermate zware werklast voor de betrokken rechtshulpverlener betekenen</para>
      <para>dat deze niet eens meer aan de behandeling van dossiers toekomt.</para>
      <para>Bovendien zou verweerder duizenden zo geen tienduizenden extra brieven</para>
      <para>gaan krijgen en dreigt dat het hele systeem in de keten van het</para>
      <para>vreemdelingen- en asielrecht te verstoppen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aangegeven dat aangezien in de rechtspraktijk vragen</para>
      <para>waren gerezen over de werkwijze bij het niet of niet-tijdig indienen van</para>
      <para>nadere gronden bij het bezwaarschrift of administratief beroepschrift en</para>
      <para>de handelwijze in deze gevallen niet eenduidig was, verweerder in</para>
      <para>werkinstructies 167 en 167A interne richtlijnen heeft opgesteld opdat in</para>
      <para>het vervolg conform deze instructies wordt gehandeld. Deze instructies</para>
      <para>hebben een zekere externe werking. Nadat er een bezwaarschrift op nader</para>
      <para>aan te voeren gronden is ingediend, wordt de indiener standaard een</para>
      <para>termijn van twee weken verleend om de gronden aan te voeren.</para>
      <para>Uitgangspunt is dat geen uitstel voor het indienen van de gronden wordt</para>
      <para>verleend. Dit is niet anders in het geval de rechtshulpverlener</para>
      <para>vakantieplannen heeft. Immers, van een rechtshulpverlener mag in</para>
      <para>redelijkheid én in het kader van de belangenbehartiging van zijn</para>
      <para>cliënten worden verwacht dat hij, indien hij voornemens is op vakantie</para>
      <para>te gaan (een deel van) zijn rechtspraktijk tijdelijk ter waarneming aan</para>
      <para>een andere rechtshulpverlener, die adequaat moet kunnen reageren op</para>
      <para>mogelijke processuele en inhoudelijke aangelegenheden, overdraagt.</para>
      <para>Bij wijze van "serviceverlening" wordt conform werkinstructie 167A met</para>
      <para>vakanties van rechtshulpverleners rekening gehouden indien onder meer</para>
      <para>deze vakantie ten minste één maand tevoren schriftelijk is gemeld in de</para>
      <para>betreffende Regionale Directie. De termijn voor het indienen van de</para>
      <para>gronden kan dan op vijf werkdagen na de vakantie van de</para>
      <para>rechtshulpverlener worden bepaald.</para>
      <para>In casu betekent het vorenstaande dat, ervan uitgaande dat de brief van</para>
      <para>3 augustus 1999 op 4 augustus 1999 aangetekend is verzonden, de gronden</para>
      <para>uiterlijk op 18 augustus 1999 dienden te worden aangevoerd. De gronden</para>
      <para>zijn eerst bij schrijven van 24 augustus 1999 aangevoerd, hetgeen een</para>
      <para>termijnoverschrijding oplevert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 30, derde lid, van de Vw bedraagt de termijn voor het</para>
      <para>indienen van een bezwaar- of beroepschrift, in afwijking van artikel 6:7</para>
      <para>van de Awb, vier weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6:5, eerste lid, sub d, van de Awb bepaalt dat het bezwaar- of</para>
      <para>beroepschrift tenminste de gronden van het bezwaar of beroep bevat.</para>
      <para>Gelet op artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar of beroep</para>
      <para>niet-ontvankelijk worden verklaard als niet is voldaan aan het gestelde</para>
      <para>in artikel 6:5 van de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad</para>
      <para>het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorop dient te worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is</para>
      <para>dat de brief van 3 augustus 1999 door de gemachtigde van eisers is</para>
      <para>ontvangen. Ook is niet in geschil dat de gronden van het bezwaarschrift</para>
      <para>bij schrijven van 24 augustus 1999 namens eisers zijn aangevoerd.</para>
      <para>Verweerder heeft, na eisers in de brief van 3 augustus 1999 op grond van</para>
      <para>artikel 6:6 van de Awb in de gelegenheid te hebben gesteld het verzuim te</para>
      <para>herstellen, geen nader uitstel verleend wegens afwezigheid in verband met</para>
      <para>vakantie, gelet op de instructies neergelegd in werkinstructie 167A.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel ook de rechtbank in gevallen als het onderhavige een algemeen</para>
      <para>belang gemoeid acht met het in acht nemen van de termijnen, kan naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank het beleid van verweerder op dit punt de</para>
      <para>redelijkheidstoets niet doorstaan. Daartoe wordt overwogen dat een</para>
      <para>melding van voorgenomen vakanties in elke zaak afzonderlijk en bij</para>
      <para>verschillende districtskantoren zoals aangegeven in werkinstructie 167A</para>
      <para>een onredelijke belasting vormt voor de rechtshulpverlener. Met name</para>
      <para>eenmanskantoren worden naar het oordeel van de rechtbank door een</para>
      <para>dergelijke regeling onevenredig benadeeld, omdat aldaar bij afwezigheid</para>
      <para>van de rechtshulpverlener niemand anders in staat is de zaken</para>
      <para>inhoudelijk waar te nemen. Daarenboven is de rechtbank van oordeel dat</para>
      <para>deze regeling niet in verhouding staat tot de termijnen waarbinnen</para>
      <para>verweerder in de praktijk zijn beslissingen neemt. De beslistermijnen</para>
      <para>die staan genoemd in artikel 15e, eerste lid van de Vw en artikel 7:10</para>
      <para>van de Awb worden met een grote regelmaat niet door verweerder gehaald.</para>
      <para>Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder</para>
      <para>aldus een eis stelt die in redelijkheid niet kan worden gesteld en die</para>
      <para>verder strekt dan noodzakelijk is voor het beoogde doel. Niet valt in te</para>
      <para>zien dat door een beperkte verlenging van de hersteltermijn de totale</para>
      <para>afhandelingsduur onredelijk vertraagd zou worden. Bovendien aanvaardt</para>
      <para>verweerder op geen enkele wijze de mogelijkheid om in bijzondere</para>
      <para>gevallen van de regeling af te wijken. De stelling van verweerder dat</para>
      <para>voornoemde regeling al uitzonderingsbeleid is laat onverlet dat bij</para>
      <para>vastgesteld beleid sprake is van een inherente afwijkingsbevoegdheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift door verweerder</para>
      <para>is gebaseerd op beleid dat kennelijk onredelijk moet worden geacht</para>
      <para>vloeit hieruit voort dat het onderhavige beroep gegrond is. De bestreden</para>
      <para>besluiten zullen derhalve worden vernietigd. Voorts zal worden bepaald</para>
      <para>dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is</para>
      <para>overwogen nieuwe besluiten dienen te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte</para>
      <para>proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit</para>
      <para>proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in</para>
      <para>totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende</para>
      <para>rechtsbijstand:</para>
      <para>* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;</para>
      <para>* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;</para>
      <para>* waarde per punt f 710,--;</para>
      <para>* wegingsfactor 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eisers het door</para>
      <para>hen gestorte griffierecht dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten</para>
      <para>vastgesteld op f. 1.420,-- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en</para>
      <para>te voldoen aan de griffier;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van f. 50,-- door de</para>
      <para>Staat der Nederlanden namens verweerder aan eisers wordt vergoed;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van het</para>
      <para>in de uitspraak overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. Y.J. Klik, mr. W.C.E. Winfield en</para>
      <para>mr. E.H.M. Druijf als rechters in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>6 juni 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>mr. Y.J. Klik is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften verzonden: 20 juni 2000</para>
      <para>TH</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>