<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-10T09:41:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBSGR:2000:ZA6044</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA6425</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-02-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB  99/4904, 99/4903</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6425">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:05:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6425 Rechtbank 's-Gravenhage , 01-02-2000 / AWB  99/4904, 99/4903</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6425:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6425:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Irak / vestigingsalternatief Noord-Irak.</para>
      <para>Geen vluchtelingschap of vtv. Eiser heeft aangevoerd dat zijn</para>
      <para>persoonlijke omstandigheden er aan in de weg staan dat hij terugkeert</para>
      <para>naar Noord-Irak. Eiser behoort immers tot de bevolkingsgroep der</para>
      <para>Arabieren en is geboren en getogen in Baghdad. Voorts heeft eiser</para>
      <para>aangevoerd dat er in Noord-Irak geen familieleden van hem verblijven. De</para>
      <para>rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft in de periode voorafgaand aan</para>
      <para>zijn vertrek naar Nederland gedurende ruim vier jaren in Noord-Irak</para>
      <para>verbleven en aldaar in zijn onderhoud kunnen voorzien. Het betreft hier</para>
      <para>een gezonde, jonge, mannelijke Irakees, zonder - zoals eerder reeds is</para>
      <para>uiteengezet - bijzonder politiek profiel. Naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank heeft verweerder zich, gelet op het bovenstaande, terecht op</para>
      <para>het standpunt kunnen stellen dat eiser terug kan keren naar Noord-Irak.</para>
      <para>Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die er op</para>
      <para>duiden dat eiser niet terug kan keren naar Noord-Irak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage</para>
      <para>zittinghoudende te Haarlem</para>
      <para>enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken</para>
      <para>fungerend president</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)</para>
      <para>artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>reg.nr: AWB 99/4904 VRWET H (beroepszaak)</para>
      <para>AWB 99/4903 VRWET H (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake: A, wonende/verblijvende te B,</para>
      <para>eiser/verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.E.C. Bakker, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1 Eiser/verzoeker (hierna kortweg te noemen: eiser), geboren op</para>
      <para>[...] 1971, heeft de Iraakse nationaliteit. Hij verblijft sedert</para>
      <para>21 november 1997 in Nederland. Op 22 november 1997 heeft hij</para>
      <para>aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening</para>
      <para>van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van</para>
      <para>humanitaire aard. Bij beschikking van 1 september 1998, aan de</para>
      <para>gemachtigde van eiser verzonden op gelijke datum, heeft verweerder</para>
      <para>de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om</para>
      <para>toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens de kennelijke</para>
      <para>ongegrondheid ervan. Eiser heeft op 16 september 1998 tegen deze</para>
      <para>beschikking een bezwaarschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2 Eiser heeft op 2 december 1998 beroep ingesteld tegen het niet</para>
      <para>tijdig beslissen in bezwaar. Bij uitspraak van 27 januari 1999</para>
      <para>heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, het</para>
      <para>beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen tien weken</para>
      <para>na de datum van verzending van de uitspraak een besluit te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3 Bij beslissing van 16 april 1999, aan eiser uitgereikt op gelijke</para>
      <para>datum, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aan</para>
      <para>eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf</para>
      <para>ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4 Op 11 mei 1999 heeft eiser tegen dit besluit, voor zover het de</para>
      <para>ongegrondverklaring van het bezwaarschrift betreft, beroep bij deze</para>
      <para>rechtbank ingesteld. Op diezelfde datum heeft eiser tegen dit</para>
      <para>besluit, voor zover dit ertoe strekt de voorwaardelijke vergunning</para>
      <para>tot verblijf in te trekken, bezwaar ingediend bij verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.5 Verweerder heeft in de bestreden beschikking bepaald dat uitzetting</para>
      <para>gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege</para>
      <para>zal blijven. Bij verzoekschrift van 11 mei 1999 heeft eiser de</para>
      <para>president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige</para>
      <para>voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van</para>
      <para>verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het</para>
      <para>beroep en het bezwaar is beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.6 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken</para>
      <para>ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing</para>
      <para>van het verzoek en ongegrondverklaring van het beroep on</para>
      <para>ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 33b</para>
      <para>Vw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.7 De openbare behandeling van beide geschillen heeft gezamenlijk</para>
      <para>plaatsgevonden op 9 oktober 1999. Ter zitting hebben eiser en</para>
      <para>verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader</para>
      <para>uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1 In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de</para>
      <para>ongegrondverklaring van het bezwaar, gericht tegen het niet</para>
      <para>toelaten als vluchteling c.q. het niet verlenen van een vergunning</para>
      <para>tot verblijf, in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden</para>
      <para>bezien of dit besluit, gelet op de feiten en omstandigheden ten</para>
      <para>tijde van het nemen van dit besluit, de toetsing aan geschreven en</para>
      <para>ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Wettelijk kader</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2 Ingevolge artikel 15, eerste lid, Vw is van vluchtelingschap sprake</para>
      <para>in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waar hij gegronde</para>
      <para>redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige</para>
      <para>of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het</para>
      <para>behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf  aan een vreemdeling worden geweigerd op</para>
      <para>gronden aan het algemeen belang ontleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4 Verweerder voert bij toepassing van dit artikellid het beleid dat</para>
      <para>vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met</para>
      <para>hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan</para>
      <para>wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen</para>
      <para>voortvloeiend uit internationale overeenkomsten tot toelating</para>
      <para>nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De onderbouwing van de aanvragen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvragen, voor zover van</para>
      <para>belang en samengevat, het volgende aangevoerd. Eiser behoort tot de</para>
      <para>Arabische bevolkingsgroep in Irak en is sjiitisch moslim. Eiser</para>
      <para>heeft vier redenen voor zijn vlucht gegeven. Ten eerste wordt</para>
      <para>eisers familie aangemerkt als volgeling van de Al Dawa-partij. Ten</para>
      <para>tweede heeft eiser geweigerd zijn dienstplicht te vervullen. Eiser</para>
      <para>heeft in totaal drie oproepen voor militaire dienst gekregen. In</para>
      <para>1989 werden degenen die in 1971 geboren waren via de TV en in de</para>
      <para>kranten opgeroepen. De tweede oproep werd begin 1990 door een</para>
      <para>politieman bij eiser thuis afgeleverd. Toen de derde oproep werd</para>
      <para>uitgereikt, is het huis van eisers ouders doorzocht. Eiser verbleef</para>
      <para>in die periode echter beurtelings bij zijn grootvader in C en</para>
      <para>zijn tante in D. Eiser heeft na de laatste oproep geen</para>
      <para>problemen meer ondervonden vanwege zijn dienstweigering, omdat hij</para>
      <para>in het bezit was van valse papieren. Wel is in 1995 alsnog in</para>
      <para>verband zijn dienstweigering een arrestatiebevel jegens eiser</para>
      <para>uitgevaardigd. Als derde reden voor zijn vertrek noemt eiser dat</para>
      <para>hij deelgenomen heeft aan de Intifadah. Op 9 maart 1991 verzamelde</para>
      <para>zich een groep mensen, waaronder eiser. De groep werd omsingeld</para>
      <para>door de strijdkrachten van het regime en beschoten met</para>
      <para>verfmitrailleurs en gefilmd. Eiser vluchtte naar het huis van zijn</para>
      <para>tante. Op 20 mei 1993 is eiser naar Arbil vertrokken. Tenslotte</para>
      <para>vreest eiser vervolging in verband met de oppositionele</para>
      <para>activiteiten die hij in Arbil heeft verricht als journalist voor</para>
      <para>de krant 'Al Sharq Al Dimograti'. In deze krant werden alle</para>
      <para>problemen die het volk aangaan uiteengezet. Een karikaturist</para>
      <para>waarmee eiser aan deze krant samenwerkte, is door de Irakese</para>
      <para>veiligheidsdienst vermoord. In de nacht van 31 augustus op 1</para>
      <para>september 1996, toen het Iraakse leger Arbil binnenviel, is eiser</para>
      <para>gevlucht naar Suleymania. Tot aan zijn vertrek op 12 of 13 november</para>
      <para>1997 heeft eiser afwisselend in Zakho en in Suleymania verbleven.</para>
      <para>Eiser wilde eigenlijk al in 1995 Irak verlaten, maar door de inval</para>
      <para>van het Iraakse leger is zijn vertrek enige malen uitgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat het behoren tot de</para>
      <para>geloofsgemeenschap der sjiiten weliswaar niet zonder meer tot</para>
      <para>vluchtelingschap leidt, maar wel een extra gevaarzetting vormt</para>
      <para>wanneer, zoals in eisers geval, familieleden, die dezelfde</para>
      <para>godsdienst aanhangen, problemen hebben met de Iraakse autoriteiten.</para>
      <para>Van eisers deelname aan de Intifadah zijn zeker foto's gemaakt.</para>
      <para>Ongetwijfeld zijn de Iraakse autoriteiten op de hoogte van eisers</para>
      <para>betrokkenheid bij de Intifadah. Eiser vreest wel degelijk voor</para>
      <para>vervolging vanwege zijn dienstweigering. Het is van algemene</para>
      <para>bekendheid dat het geen gevolg geven aan de oproep voor militaire</para>
      <para>dienst ernstig bestraft wordt door het regime. In de stad Arbil</para>
      <para>heeft eiser veilig kunnen verblijven tot de komst van het Iraakse</para>
      <para>leger. Na de val van Arbil is eiser uitgeweken naar Suleymania.</para>
      <para>Door de strijd die is ontbrand tussen de diverse Koerdische</para>
      <para>groeperingen was het voor eiser niet langer veilig om in Noord-Irak</para>
      <para>te verblijven. Eiser heeft tot aan zijn vertrek geen</para>
      <para>noemenswaardige problemen ondervonden door vanuit Baghdad naar</para>
      <para>Koerdistan te vluchten en door uiteindelijk zijn land te verlaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De bestreden beschikking en de standpunten van partijen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.6 Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van</para>
      <para>belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen. De</para>
      <para>extra gevaarzetting vanwege eisers sjiitische achtergrond en de</para>
      <para>problemen van zijn familie, wordt niet nader onderbouwd en hiervan</para>
      <para>blijkt ook niet uit het relaas van eiser. Eiser heeft niet</para>
      <para>aannemelijk gemaakt dat zijn betrokkenheid bij de Intifadah zou</para>
      <para>zijn vastgelegd op foto laat staan dat hij daadwerkelijk zou worden</para>
      <para>gezocht vanwege die deelname. Eiser heeft zich bovendien aan</para>
      <para>eventuele problemen onttrokken door zich te vestigen in Noord-Irak.</para>
      <para>Dat eiser niet kon blijven in Noord-Irak wegens de onderlinge</para>
      <para>strijd van de Koerden, blijkt geenszins uit zijn verklaringen. Niet</para>
      <para>is gebleken van eventueel ophanden zijnde problemen, waaraan eiser</para>
      <para>zich diende te onttrekken. Van een (acute) aanleiding om Irak te</para>
      <para>verlaten is niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.7 In beroep heeft eiser hiertegen aangevoerd dat blijkens het</para>
      <para>gestelde in het Hoofdstuk Irak van 'Country Reports on human rights</para>
      <para>practices' van 1998, er vanuit gegaan mag worden dat eiser vanwege</para>
      <para>zijn geloofsovertuiging extra problemen zal ondervinden indien hij</para>
      <para>contact zal hebben met de Iraakse autoriteiten. Reeds in 1995 had</para>
      <para>eiser vanwege de toenemende onveiligheid in zijn land het plan</para>
      <para>opgevat op Irak te verlaten. Aanvankelijk waande eiser zich</para>
      <para>relatief veilig in Arbil. Na de inval vestigde eiser zich tijdelijk</para>
      <para>in Suleymania. Wegens de toegenomen spanningen in het noorden van</para>
      <para>Irak, besloot eiser uiteindelijk het land definitief te verlaten.</para>
      <para>Ook in Noord-Irak was eiser als Arabier niet langer veilig. De</para>
      <para>vraag of er voor eiser een (acute) aanleiding bestond om Irak te</para>
      <para>verlaten, is niet relevant voor de vraag of eiser bescherming</para>
      <para>behoeft op grond van het Vluchtelingenverdrag. Eiser meent dat hij,</para>
      <para>gelet op zijn dienstweigering en zijn werkzaamheden als redacteur,</para>
      <para>te vrezen heeft voor vervolging. Wanneer hij in handen zou vallen</para>
      <para>van de Iraakse overheid zou hem, mede in verband met zijn deelname</para>
      <para>aan de Intifadah en de bovengenoemde omstandigheden, een</para>
      <para>buitenproportionele bestraffing wachten. Eiser is van mening dat</para>
      <para>door verweerder de hoorplicht is geschonden door te beslissen op</para>
      <para>het bezwaarschrift zonder eiser te (doen) horen. Eiser is primair</para>
      <para>van oordeel dat hij dient te worden aangemerkt als vluchteling.</para>
      <para>Subsidiair is eiser van mening dat hij in aanmerking behoort te</para>
      <para>komen voor een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van</para>
      <para>humanitaire aard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.8 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd zoals weergegeven in</para>
      <para>het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting</para>
      <para>zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling van het beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.9 Ten aanzien van het beroep, voor zover het is gericht tegen de</para>
      <para>ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van</para>
      <para>de aanvraag om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank</para>
      <para>het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.10 Voorop staat dat de situatie in (Noord-)Irak niet zodanig is</para>
      <para>dat asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als</para>
      <para>vluchteling kunnen worden aangemerkt. De omstandigheid dat</para>
      <para>eiser behoort tot de geloofsgemeenschap der sjiiten kan deze</para>
      <para>gevolgtrekking evenmin rechtvaardigen. Eiser zal derhalve in</para>
      <para>de bodemprocedure aannemelijk moeten maken, dat met betrekking</para>
      <para>tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn</para>
      <para>vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw</para>
      <para>rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat van zodanige</para>
      <para>omstandigheden niet is gebleken en acht hiertoe het volgende</para>
      <para>van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.11 Ten aanzien van de dienstweigering van eiser overweegt de</para>
      <para>rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt of geworden dat</para>
      <para>eiser vanwege zijn weigering om gehoor te geven aan de oproep</para>
      <para>voor militaire dienst in 1989 en 1990 in de negatieve</para>
      <para>belangstelling is komen te staan van de Iraakse autoriteiten.</para>
      <para>Blijkens zijn verklaringen in het nader gehoor heeft eiser</para>
      <para>noch in de periode tot aan zijn vertrek in 1993 naar Arbil</para>
      <para>noch gedurende zijn verblijf in Noord-Irak enige problemen in</para>
      <para>verband met zijn dienstweigering ondervonden. Indien het bij</para>
      <para>de correcties en aanvullingen overgelegde arrestatiebevel,</para>
      <para>ondanks het vorenstaande, authentiek is, merkt de rechtbank</para>
      <para>nog op dat blijkens het ambtsbericht van 13 oktober 1998 van</para>
      <para>de Minister van Buitenlandse Zaken deserteurs en</para>
      <para>dienstplichtontduikers, met uitzondering van gedeserteerde</para>
      <para>officieren uit het Iraakse leger boven de rang van kapitein,</para>
      <para>ongehinderd in Noord-Irak kunnen verblijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.12 Voor wat betreft eisers gestelde betrokkenheid bij de</para>
      <para>Intifadah overweegt de rechtbank dat evenmin aannemelijk is</para>
      <para>gemaakt of geworden dat hij zich in verband hiermee als</para>
      <para>politiek opposant heeft gemanifesteerd. Eiser heeft niet</para>
      <para>aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten op de hoogte zijn</para>
      <para>geraakt van zijn - overigens bescheiden - aandeel in de</para>
      <para>Intifadah. De verklaring van eiser dat er gefilmd werd en</para>
      <para>eiser dus herkend is, wordt door de rechtbank niet gevolgd.</para>
      <para>Eiser heeft immers eveneens verklaard dat er op dat moment</para>
      <para>duizenden mensen aanwezig waren. Niet is gebleken dat eiser</para>
      <para>als gevolg van zijn betrokkenheid bij de Intifadah enige</para>
      <para>moeilijkheden heeft ondervonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.13 Eiser heeft nog aangevoerd dat hij in verband met zijn</para>
      <para>werkzaamheden als journalist voor de krant 'Al Sharq Al</para>
      <para>Dimograti' vreest voor vervolging van de zijde van het</para>
      <para>centrale regime. In het relaas van verzoeker ziet de rechtbank</para>
      <para>echter geen aanwijzingen dat eiser in verband met zijn</para>
      <para>journalistieke activiteiten in de negatieve aandacht stond of</para>
      <para>staat van de centraal Iraakse autoriteiten dan wel van één van</para>
      <para>de Koerdische partijen. De omstandigheid dat de karikaturist</para>
      <para>Sahim Alamir, met wie eiser samenwerkte, is gedood maakt het</para>
      <para>vorenstaande niet anders. Eiser heeft immers zelf tijdens het</para>
      <para>nader gehoor al aangegeven waarin de situatie van Sahim</para>
      <para>verschilde van die van hem. Eiser heeft in de dood van Sahim</para>
      <para>kennelijk ook geen aanleiding gezien om zijn land te</para>
      <para>ontvluchten. Eerst ruim twee jaar later heeft eiser Irak</para>
      <para>verlaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.14 Niet is gebleken dat eiser vanwege het enkele feit dat een</para>
      <para>aantal van zijn familieleden lid is van de Al Dawa-partij</para>
      <para>daadwerkelijk moeilijkheden heeft ondervonden. De rechtbank</para>
      <para>ziet hierin ook niet een dermate risico-verzwarende</para>
      <para>omstandigheid dat eisers hiervoor besproken asielmotieven in</para>
      <para>een ander licht zouden komen te staan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.15 Ten aanzien van het beroep, voor zover gericht tegen het niet</para>
      <para>verlenen van een vergunning tot verblijf, wordt het volgende</para>
      <para>overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.16 Uit hetgeen met betrekking tot het asielrelaas van eiser is</para>
      <para>overwogen, volgt dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat</para>
      <para>eiser bij terugkeer in zijn land van herkomst zal worden</para>
      <para>onderworpen aan een behandeling die strijd oplevert met</para>
      <para>artikel 3 EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.17 Eiser heeft aangevoerd dat zijn persoonlijke omstandigheden er</para>
      <para>aan in de weg staan dat hij terugkeert naar Noord-Irak. Eiser</para>
      <para>behoort immers tot de bevolkingsgroep der Arabieren en is</para>
      <para>geboren en getogen in Baghdad. Voorts heeft eiser aangevoerd</para>
      <para>dat er in Noord-Irak geen familieleden van hem verblijven. De</para>
      <para>rechtbank is van oordeel dat verweerder bij afweging van alle</para>
      <para>betrokken belangen tot het oordeel heeft kunnen komen dat</para>
      <para>hetgeen eiser heeft aangevoerd niet dusdanig klemmende redenen</para>
      <para>van humanitaire aard oplevert dat aan hem een vergunning tot</para>
      <para>verblijf dient te worden verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.18 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat</para>
      <para>verweerder op goede gronden en zonder in strijd te komen met</para>
      <para>enige regel van geschreven of ongeschreven recht het</para>
      <para>bezwaarschrift ongegrond heeft kunnen verklaren met de in de</para>
      <para>bestreden beslissing daaraan ten grondslag gelegde motivering.</para>
      <para>Het ingestelde beroep is mitsdien ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de voorlopige voorziening voor zover deze betreft</para>
      <para>de uitzetting hangende beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.19 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer</para>
      <para>voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening,</para>
      <para>zodat het verzoek zal worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ten aanzien van de voorlopige voorziening voor zover deze betreft</para>
    <para />
    <para>de uitzetting hangende bezwaar</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.20 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan - onder meer - indien</para>
      <para>voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen</para>
      <para>een besluit bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank</para>
      <para>die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een</para>
      <para>voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet</para>
      <para>op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.21 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw blijft</para>
      <para>uitzetting achterwege, indien het bezwaar tegen de niet</para>
      <para>inwilliging van de aanvraag een redelijke kans van slagen</para>
      <para>heeft. Voorts dient uitzetting achterwege te blijven ingeval</para>
      <para>deze anderszins in strijd is met het recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.22 Vast staat dat verweerder op 20 november 1998 het vvtv-beleid</para>
      <para>voor Iraakse asielzoekers heeft beëindigd. De</para>
      <para>Rechtseenheidskamer (REK) van deze rechtbank heeft op 13</para>
      <para>september 1999 in een tweetal uitspraken (geregistreerd onder</para>
      <para>de nummers AWB 99/3380 VRWET en AWB 99/4335 VRWET) overwogen</para>
      <para>dat bedoelde beleidswijziging van verweerder weliswaar kan</para>
      <para>worden gesanctioneerd, doch dat deze beleidswijziging,</para>
      <para>blijkens uitlatingen van verweerder hieromtrent, tot gevolg</para>
      <para>heeft dat, anders dan voordien het geval was, bij de vraag of</para>
      <para>een vergunning tot verblijf zonder beperkingen moet worden</para>
      <para>verleend, aan de orde moet komen of individuele feiten en</para>
      <para>omstandigheden er aan in de weg staan dat de vreemdeling zich</para>
      <para>in Noord-Irak (her)vestigt, waarbij (volgens verweerder)</para>
      <para>gewicht moet worden toegekend aan de factoren die door UNHCR</para>
      <para>worden genoemd in onder meer de brief van 15 juni 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.23 Eiser heeft in de periode voorafgaand aan zijn vertrek naar</para>
      <para>Nederland gedurende ruim vier jaren in Noord-Irak verbleven en</para>
      <para>aldaar in zijn onderhoud kunnen voorzien. Het betreft hier een</para>
      <para>gezonde, jonge, mannelijke Irakees, zonder - zoals hierboven</para>
      <para>reeds is uiteengezet - bijzonder politiek profiel. Naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, gelet op het</para>
      <para>bovenstaande, terecht op het standpunt kunnen stellen dat</para>
      <para>eiser terug kan keren naar Noord-Irak. Eiser heeft tijdens het</para>
      <para>nader gehoor wel gesproken van problemen tussen de diverse</para>
      <para>Koerdische partijen en het samenspannen van de KDP en de</para>
      <para>Iraakse regering maar heeft niet verklaard dat hij persoonlijk</para>
      <para>enige problemen heeft gehad met de Koerden, die eraan in de</para>
      <para>weg zouden staan dat hij terugkeert naar Noord-Irak. Zoals in</para>
      <para>rechtsoverweging 2.17 reeds overwogen, in het kader van de</para>
      <para>vraag of er in het onderhavige geval sprake is van dusdanige</para>
      <para>klemmende redenen van humanitaire aard dat eiser in het bezit</para>
      <para>dient te worden gesteld van een vergunning tot verblijf, heeft</para>
      <para>eiser geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die er</para>
      <para>op duiden dat eiser niet terug kan keren naar Noord-Irak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.24 Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het</para>
      <para>bezwaar gericht tegen de intrekking van de voorwaardelijke</para>
      <para>vergunning tot verblijf geen redelijke kans van slagen heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.25 Nu ook anderszins niet is gebleken van strijd met het recht</para>
      <para>bestaat in het onderhavige geval, gelet op de betrokken</para>
      <para>belangen, geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde</para>
      <para>voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.26 Op grond van al het voorgaande acht de president het zonder</para>
      <para>meer aannemelijk dat het ingediende bezwaarschrift niet tot</para>
      <para>een andere uitkomst zal leiden dan in de voorlopige</para>
      <para>voorzieningprocedure. Nu voorts niet is gebleken dat nader</para>
      <para>onderzoek redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van</para>
      <para>de zaak, bestaat in dit geval eveneens aanleiding om gebruik</para>
      <para>te maken van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 33b</para>
      <para>Vw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ten aanzien van de voorlopige voorzieningen en het beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.27 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou</para>
      <para>moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte</para>
      <para>proceskosten, is niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <para>ten aanzien van de hoofdzaak:</para>
    <para />
    <para>3.1 verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>De president:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening hangende</para>
      <para>beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening hangende</para>
      <para>bezwaar:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4 verklaart het bezwaar gericht tegen de intrekking van de</para>
      <para>voorwaardelijke vergunning tot verblijf ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr C.E. Heijning-Huydecoper, lid van</para>
      <para>de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend</para>
      <para>president, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2000, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr L.C. Vermeer als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>afschrift verzonden op: 2 februari 2000</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>RECHTSMIDDEL</para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>