<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5499</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:01:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA5499</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/5776, 99/6472</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5499">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5499</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:01:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5499 Rechtbank 's-Gravenhage , 29-10-1999 / AWB 99/5776, 99/6472</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5499:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA5499:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Mvv-vereiste.</para>
      <para>Aanvraag om vtv bij partner is buiten behandeling gesteld wegens het</para>
      <para>ontbreken van een mvv. Onvoldoende is gebleken dat gemachtigde van</para>
      <para>verzoeker de mogelijkheid heeft gekregen binnen een bepaalde termijn de</para>
      <para>aanvraag van verzoeker - bijvoorbeeld door het alsnog invullen van een</para>
      <para>D50-formulier - aan te vullen. Gelet op de bepalingen van artikel 2:1 Awb</para>
      <para>acht de president deze handelwijze in strijd met de zorgvuldigheid.</para>
      <para>Verweerder heeft een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 4:5 Awb.</para>
      <para>Het bestreden besluit wordt vernietigd. Om proceseconomische redenen maakt</para>
      <para>de president gebruik van de bevoegdheid van artikel 8:72, derde lid, Awb.</para>
      <para>Vaststaat dat verzoeker niet beschikt over een geldige mvv. Beroep op</para>
      <para>hardheidsclausule kan niet slagen. Beroep gegrond, met instandlating van</para>
      <para>de rechtsgevolgen. Afwijzing verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage</para>
      <para>zittinghoudende te 's-Hertogenbosch</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>--------------------------------</para>
      <para>Uitspraak</para>
      <para>--------------------------------</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Awb 99/5776 VV</para>
      <para>Awb 99/6472 V1</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak als bedoeld in</para>
      <para>artikel 8:86 van de Awb, juncto artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw), in</para>
      <para>het geschil tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, verblijvende te B, verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde mr. W.A. Venema, advocaat te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Staatssecretaris van Justitie, te 's-Gravenhage, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde mr. A.G.J. van Ouwerkerk, ambtenaar ten departemente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker bezit de Ghanese nationaliteit en is vreemdeling in de zin van</para>
      <para>artikel 1 van de Vreemdelingenwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven gedateerd op 4 juni 1999, bij de korpschef van politieregio</para>
      <para>Noord-Brabant-Noord, district De Leijgraaf binnengekomen op 9 juni 1999,</para>
      <para>heeft verzoeker een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning</para>
      <para>tot verblijf met als doel:"verblijf bij Nederlandse partner C en het</para>
      <para>verrichten van arbeid in loondienst ten tijde van dat verblijf".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 28 juni 1999 heeft verweerder de aanvraag van</para>
      <para>verzoeker buiten behandeling gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beschikking is op 30 juni 1999 aan verzoeker uitgereikt waarbij</para>
      <para>verzoeker is aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 juli 1999 heeft verzoeker tegen de beschikking bezwaar gemaakt bij</para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verzoekschrift van eveneens 1 juli 1999 heeft verzoeker de president</para>
      <para>verzocht een onverwijlde voorziening te treffen teneinde zijn uitzetting</para>
      <para>uit Nederland te voorkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 augustus 1999 heeft verweerder het bezwaar van</para>
      <para>verzoeker ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft verzoeker op 19 augustus 1999 beroep ingesteld</para>
      <para>bij deze rechtbank.</para>
      <para>Tevens heeft verzoeker bij schrijven van deze datum het petitum van het</para>
      <para>verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gewijzigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde verzoek een</para>
      <para>verweerschrift toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van</para>
      <para>10 september 1999.</para>
      <para>Verzoeker is aldaar verschenen in persoon, bijgestaan door zijn</para>
      <para>gemachtigde.</para>
      <para>Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn</para>
      <para>gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, onder meer indien tegen een besluit bij</para>
      <para>de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die</para>
      <para>bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige</para>
      <para>voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken</para>
      <para>belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8:86 van de Awb bepaalt dat indien het verzoek wordt gedaan</para>
      <para>indien het beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president, na</para>
      <para>behandeling ter zitting, van oordeel is dat nader onderzoek</para>
      <para>redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij</para>
      <para>onmiddellijk uitspraak kan doen in het aanhangige beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als</para>
      <para>bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal uitspraak doen in de</para>
      <para>hoofdzaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding dient derhalve te worden beoordeeld of het bestreden</para>
      <para>besluit van 3 augustus 1999, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen</para>
      <para>de buiten behandeling stelling van zijn aanvraag ongegrond is verklaard,</para>
      <para>in rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van die vraag gaat de president uit van de</para>
      <para>navolgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker is op 27 mei 1999 aangehouden en in bewaring gesteld. Op</para>
      <para>9 juni 1999 heeft de vreemdelingendienst via de gemachtigde van</para>
      <para>verzoeker een schriftelijke aanvraag om verblijf bij Nederlandse partner</para>
      <para>C ontvangen. Omdat verzoeker niet beschikt over een geldige machtiging</para>
      <para>tot voorlopig verblijf, is verzoeker middels een D50-formulier in de</para>
      <para>gelegenheid gesteld aan te tonen dat hij voldoet aan een van de</para>
      <para>vrijstellingsgronden. Verzoeker heeft hieraan niet meegewerkt en heeft</para>
      <para>verwezen naar zijn gemachtigde. Blijkens het proces-verbaal d.d.</para>
      <para>24 juni 1999 heeft verzoeker voorts verklaard dat zijn relatie verbroken</para>
      <para>is. Bij besluit van 28 juni 1999 is de aanvraag buitenbehandeling</para>
      <para>gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De president overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 4:5, eerste lid van de Awb, kan een aanvraag om een</para>
      <para>vergunning tot verblijf buiten behandeling worden gesteld indien de</para>
      <para>aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in</para>
      <para>behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en</para>
      <para>bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor</para>
      <para>de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid</para>
      <para>heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de</para>
      <para>aanvraag aan te vullen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft de</para>
      <para>president niet de overtuiging gekregen dat verzoeker, zoals is vereist</para>
      <para>in artikel 4:5 Awb, op juiste wijze in de gelegenheid is gesteld binnen</para>
      <para>een bepaalde termijn zijn aanvraag aan te vullen. Verzoekers gemachtigde</para>
      <para>heeft er naar het oordeel van de president terecht op gewezen dat</para>
      <para>ingevolge artikel 2:1 Awb een ieder zich ter behartiging van zijn</para>
      <para>belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door</para>
      <para>een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. Blijkens de wetsgeschiedenis</para>
      <para>behorende bij dit artikel heeft dit tot gevolg dat het contact met de</para>
      <para>belanghebbende in beginsel via de gemachtigde verloopt en dat een</para>
      <para>bestuursorgaan dat, wetend dat een gemachtigde is aangesteld, bepaalde</para>
      <para>stukken niet (tevens) aan de gemachtigde doet toekomen daarom in strijd</para>
      <para>kan handelen met het beginsel van zorgvuldige voorbereiding. In het</para>
      <para>onderhavige geval is verzoeker een zogenoemd D50-formulier ter</para>
      <para>beschikking gesteld, zonder dat dit formulier (tevens) naar de</para>
      <para>gemachtigde van verzoeker is verzonden. Weliswaar valt uit het ambtsedig</para>
      <para>opgemaakt proces-verbaal d.d. 24 juni 1999 op te maken dat verweerder</para>
      <para>vervolgens telefonisch contact heeft gehad met verzoekers gemachtigde,</para>
      <para>maar naar het oordeel van de president valt hieruit onvoldoende op te</para>
      <para>maken dat deze daarbij de mogelijkheid heeft gekregen om binnen een</para>
      <para>bepaalde termijn de aanvraag van verzoeker aan te vullen - bijvoorbeeld</para>
      <para>door het alsnog invullen van het D50-formulier -. Gelet op de bepalingen</para>
      <para>van artikel 2:1 Awb, acht de president een dergelijke handelwijze niet</para>
      <para>getuigen van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit. De president</para>
      <para>is dan ook van oordeel dat verweerder een onjuiste toepassing heeft</para>
      <para>gegeven aan artikel 4:5 Awb. Het bestreden besluit kan om die reden niet</para>
      <para>in stand blijven en het onderhavige beroep dient mitsdien gegrond te</para>
      <para>worden verklaard. Ingevolge artikel 8:72, derde lid van de Awb heeft de</para>
      <para>president evenwel de bevoegdheid te bepalen dat de gevolgen van het</para>
      <para>vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Gelet op de</para>
      <para>inhoud van het bestreden besluit, de gedingstukken en het verhandelde</para>
      <para>ter zitting, is de president van oordeel over voldoende informatie te</para>
      <para>beschikken om op grond van proceseconomische overwegingen van deze</para>
      <para>bevoegdheid gebruik maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 16a, eerste lid van de Vw wordt een aanvraag om een</para>
      <para>vergunning tot verblijf slechts in behandeling genomen indien de</para>
      <para>vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf</para>
      <para>(mvv), welke aan hem is afgegeven in zijn land van herkomst of in zijn</para>
      <para>land van bestendig verblijf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 16a, derde lid van de Vw is een zestal categorieën genoemd</para>
      <para>van vreemdelingen die vrijgesteld worden van het mvv-vereiste. Daarnaast</para>
      <para>noemt artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb) twaalf gevallen</para>
      <para>waarbij vrijstelling van het mvv-vereiste plaatsvindt. Tot slot kan</para>
      <para>krachtens artikel 16a, zesde lid van de Vw in zeer bijzondere</para>
      <para>individuele gevallen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om</para>
      <para>toelating worden afgezien van de vereiste mvv. Dit is de zogenoemde</para>
      <para>hardheidsclausule.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat verzoeker niet beschikt over een geldige mvv. Voorts ziet</para>
      <para>de president in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen</para>
      <para>aanknopingspunten met één van voornoemde categorieën op grond waarvan</para>
      <para>verzoeker vrijgesteld zou moeten worden van het mvv-vereiste. Het beroep</para>
      <para>van verzoeker op de hardheidsclausule door te betogen dat te voorzien is</para>
      <para>dat de mvv-procedure zeer lange tijd in beslag zal nemen, gedurende</para>
      <para>welke tijd hij gescheiden zal zijn van partner, heeft naar het oordeel</para>
      <para>van de president geen kans van slagen. Allereerst heeft de president</para>
      <para>hiertoe van belang geacht verzoekers - blijkens het proces-verbaal van</para>
      <para>24 juni 1999 - afgelegde verklaring dat zijn relatie met C verbroken is.</para>
      <para>De enkele stelling van verzoeker dat hij dit niet zou hebben verklaard</para>
      <para>acht de president onvoldoende om van de onjuistheid van de inhoud van</para>
      <para>het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal uit te gaan. Ook de ter zitting</para>
      <para>gegeven verklaring dat het moeilijk is om een relatie te onderhouden</para>
      <para>zolang hij in vreemdelingenbewaring zit, maar hoopt zijn relatie te</para>
      <para>kunnen herstellen als de bewaring wordt opgeheven, wijst er naar het</para>
      <para>oordeel van de president niet op dat gesproken kan worden van een</para>
      <para>(duurzame) relatie op grond waarvan toelating in Nederland zou dienen te</para>
      <para>geschieden. De president merkt in dit verband nog op dat verzoeker bij</para>
      <para>zijn inbewaringstelling heeft opgegeven op het adres [...]straat 43 in D</para>
      <para>te verblijven, terwijl blijkens de gronden van het beroepschrift zijn</para>
      <para>partner is geregistreerd in de gemeentelijke basisadministratie van B.</para>
      <para>Van samenwoning ten tijde van de aanvraag was kennelijk geen sprake. Dat</para>
      <para>het van een onevenredige hardheid zou zijn indien verzoeker gedurende de</para>
      <para>mvv-procedure, geruime tijd van zijn partner gescheiden zou worden, acht</para>
      <para>de president op grond van het vorenstaande dan ook op geen enkele wijze</para>
      <para>aannemelijk. Dat er in dat geval sprake zou zijn van een schending van</para>
      <para>het recht op familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM,</para>
      <para>acht de president evenmin gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat er in het</para>
      <para>geval van verzoeker geen sprake is van bijzondere, individuele</para>
      <para>omstandigheden op basis waarvan het van een bijzondere hardheid zou</para>
      <para>getuigen onverkort aan het wettelijk mvv-vereiste vast te houden.</para>
      <para>Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak, bestaat er geen aanleiding meer</para>
      <para>tot het treffen van een voorlopige voorziening als door verzoeker</para>
      <para>gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van</para>
      <para>artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker</para>
      <para>gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit</para>
      <para>proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in</para>
      <para>totaal fl 710,-- voor kosten van door derden beroepsmatig verleende</para>
      <para>rechtsbijstand:</para>
      <para>* 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;</para>
      <para>* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;</para>
      <para>* waarde per punt fl 710,--</para>
      <para>* wegingsfactor 1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid van de</para>
      <para>Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan verzoeker het</para>
      <para>betaalde griffierecht dient te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING.</para>
    <para />
    <para>De president,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand</para>
      <para>blijven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in</para>
      <para>artikel 8:81 van de Awb af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten</para>
      <para>vastgesteld op fl 1420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en</para>
      <para>te voldoen aan de griffier;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gelast dat het betaalde griffierecht, ten bedrage van fl 225,--, door de</para>
      <para>Staat der Nederlanden, namens verweerder, aan verzoeker wordt vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mr. M.H. Kobussen in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. K.K. van Nie als griffier en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>29 oktober 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op: 2 november 1999.</para>
      <para>KG</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>