<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4284</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:56:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4284</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/00437 MAWKLA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4284">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4284</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:56:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4284 Rechtbank 's-Gravenhage , 08-11-1999 / 99/00437 MAWKLA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4284:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA4284:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
      <para>Tweede kamer, enkelvoudig </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	UITSPRAAK</para>
      <para>	als bedoeld in artikel 8:77</para>
      <para>	van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Reg.nr.: 	99/00437 MAWKLA</para>
    <para />
    <para>Inzake 	A, wonende te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>tegen 	de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1.	 Aanduiding bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>Het besluit van verweerder van 18 december 1998, kenmerk JURA/98/40322. </para>
    <para />
    <para>2.	 Zitting.</para>
    <para />
    <para>Datum: 26 oktober 1999.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door zijn moeder en bijgestaan door mr. J. Bredius, advocaat </para>
      <para>te Zeist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, mevrouw mr. C.L. Kuipers.</para>
    <para />
    <para>3.	 Feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is als korporaal bij de Koninklijke Landmacht op 19 april 1997 tijdens de terugreis van een </para>
      <para>oefening in Polen een ernstig ongeval overkomen, dat door verweerder als dienstongeval is aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft bij brief van 21 juli 1997 aan verweerder verzocht om erkenning van aansprakelijkheid voor </para>
      <para>de gevolgen van het hem overkomen ongeval, waardoor hij schade heeft geleden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 juli 1998 heeft verweerder geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor het eiser </para>
      <para>overkomen ongeval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegen dat besluit heeft eiser bij bezwaarschrift van 11 augustus 1998 bezwaar gemaakt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens een op 5 oktober 1998 gehouden hoorzitting heeft eiser een toelichting op zijn bezwaren </para>
      <para>gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld na heroverweging van het </para>
      <para>primaire besluit geen aanleiding te kunnen vinden voor herroeping van dat besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegen dat besluit heeft eiser bij beroepschrift van 21 januari 1999 bij de rechtbank beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift, </para>
      <para>gedateerd 15 april 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij brief van 27 mei 1999 heeft eiser op het verweerschrift gereageerd.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 15 juni 1999 heeft verweerder een reactie daarop gegeven.</para>
    <para />
    <para>4.	 Bewijsmiddelen.</para>
    <para />
    <para>De gedingstukken en het verhandelde ter zitting. </para>
    <para />
    <para>5.	 Motivering.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank staat in dit geding voor de vraag of het bestreden besluit, met inachtneming van de </para>
      <para>daartegen ingebrachte bedenkingen, in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de rechtbank als </para>
      <para>volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgegaan wordt van de volgende toedracht van het ongeval.</para>
      <para>Eisers eenheid, 13 Pantserluchtdoelartilleriebatterij, nam in april 1997 deel aan een grote legeroefening </para>
      <para>"Rhino/Drawsko" in Polen. Op 19 april 1997 reisde de eenheid naar Nederland terug per trein, </para>
      <para>bestaande uit een personenwagon en een aantal goederenwagons, waarop de pantserrupsvoertuigen </para>
      <para>waren geplaatst. Op het emplacement van het station Güterglück (Kreis Zerbst, Sachsen Anhalt, </para>
      <para>voormalig Oost-Duitsland) kreeg het transport omstreeks 14.30 uur oponthoud. Toen bleek dat dat een </para>
      <para>half uur zou gaan duren, hebben de manschappen toestemming gevraagd om de benen te mogen </para>
      <para>strekken. In overleg tussen de treincommandant en de "Zugchef" van de trein is deze toestemming </para>
      <para>verleend, mits men aan de rechterzijde van de trein zou uitstappen en zich aldaar zou ophouden. Tijdens </para>
      <para>het oponthoud stelde een van de aanwezige militairen voor om op een nabij gelegen veldje te gaan </para>
      <para>voetballen. Eiser heeft daarop aangeboden een voetbal te gaan halen, die zich in een van de op de trein </para>
      <para>geplaatste pantserrupsvoertuigen tegen luchtdoelen (verder ook: prtl) bevond.</para>
      <para>Genoemde voertuigen waren alleen via de geschutskoepel aan de bovenzijde te bereiken, aangezien het </para>
      <para>luik aan de voorzijde van binnenuit was vergrendeld. Bij het beklimmen van het pantserrupsvoertuig </para>
      <para>heeft zich vanaf de bovenleiding een stroomstoot voorgedaan, waardoor eiser is getroffen. Hij heeft </para>
      <para>daardoor ernstig letsel opgelopen: derde en vierde graad brandwonden aan de rechterzijde van zijn </para>
      <para>gezicht en in de hals en aan zijn linker onderbeen. Doordat eiser vervolgens op de geschutskoepel is </para>
      <para>gevallen, heeft hij kaakletsel opgelopen. In een later stadium is eisers linkervoet geamputeerd.</para>
      <para>Bij besluit van 12 november 1997 is het eiser overkomen ongeval door verweer- der aangemerkt als </para>
      <para>dienstongeval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft in de bezwaarfase betoogd dat verweerder in twee hoedanigheden aansprakelijk is voor het </para>
      <para>eiser overkomen ongeval, namelijk als werkgever en als vervoerder van personen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser meent dat ingevolge het op 1 april 1997 in werking getreden artikel 7:658 BW op verweerder een </para>
      <para>schuldaansprakelijkheid rust en dat op verweerder de bewijslast rust dat hij in zijn zorgplicht jegens </para>
      <para>eiser niet is tekortgeschoten. Verweerder is volgens eiser tekortgeschoten in deze zorgplicht doordat </para>
      <para>tijdens de opleiding van eiser tot chauffeur pantserrupsvoertuig en tijdens de treinreis onvoldoende is </para>
      <para>gewaarschuwd voor de gevaren van de bovenleiding, doordat eisers militaire meerderen hem niet </para>
      <para>hebben verboden het op een goederen- wagon staande rupsvoertuig te beklimmen en zich van het gevaar </para>
      <para>niet bewust waren. </para>
      <para>Voorts is verweerder opgetreden als personenvervoerder, zodat hij ingevolge artikel 8:81 BW </para>
      <para>aansprakelijk is voor letselschade die de reiziger is overkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 7:658 BW ingevolge het bepaalde in artikel </para>
      <para>7:615 BW op militaire ambtenaren niet van toepassing is, aangezien Boek 7 BW, Titel 10 over de </para>
      <para>arbeidsovereenkomst niet bij wet of verordening op dat personeel van toepassing is verklaard.</para>
      <para>Voorts heeft verweerder gewezen op het feit dat hij voor het hier bedoelde transport een </para>
      <para>vervoersovereenkomst heeft gesloten met de Poolse, Duitse en Nederlandse Spoorwegen.</para>
      <para>Verweerder is van oordeel hij slechts aansprakelijk is voor schade die het gevolg is van onrechtmatig </para>
      <para>handelen zijnerzijds. Daarvan is in dit geval niet gebleken, aldus verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in inmiddels vaste jurisprudentie ten </para>
      <para>aanzien van schade die een ambtenaar heeft geleden op of na 1 januari 1993, in aansluiting bij het </para>
      <para>civielrechtelijke schadevergoe- dingsrecht, de norm hanteert dat voor schadevergoeding alleen dan </para>
      <para>aanleiding kan zijn indien de schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan.</para>
      <para>In zijn uitspraak van 13 februari 1997, nr. 95/508 AW (TAR 1997, 59) heeft de CRvB voorts beslist dat </para>
      <para>er in het aldaar berechte geval geen aanknopingspunten waren om tot een risico-aansprakelijkheid voor </para>
      <para>de ambtelijke werkgever te concluderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het bepaalde in artikel 7:615 BW leidt tot niet-</para>
      <para>toepasselijkheid van de door eiser aangevoerde civielrechtelijke fundering van zijn aansprakelijkstelling </para>
      <para>van verweerder. Zij dient in het licht van de aangehaalde jurisprudentie van de CRvB slechts vast te </para>
      <para>stellen of van onrechtmatig handelen van verweerder sprake is geweest waardoor hij voor de gevolgen </para>
      <para>van het eiser overkomen ongeval aansprakelijk moet worden geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft onder meer gesteld dat verweerder is tekort geschoten door tijdens eisers opleiding tot </para>
      <para>chauffeur pantserrupsvoertuig onvoldoende te waarschuwen voor de gevaren van elektrische </para>
      <para>bovenleidingen.</para>
      <para>Verweerder heeft onder meer overgelegd een afschrift van een proces-verbaal van de Koninklijke </para>
      <para>Marechaussee over de toedracht van het ongeval op 19 april 1997. Daarbij behoort een bijlage E, </para>
      <para>instructiemateriaal voor de opleiding van tankchauffeurs en prtl-chauffeurs, bladzijden 21-1 tot en met </para>
      <para>21-4. Eiser heeft desgevraagd ter zitting erkend dat hij bekend was met de daarin opgenomen </para>
      <para>voorschriften en dat deze tijdens zijn opleiding zijn behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderdeel 2139 (Veiligheidsbepalingen) van genoemd instructiemateriaal komen onder meer de </para>
      <para>volgende bepalingen voor:</para>
      <para>	"- Te vervoeren voertuigen dienen deugdelijk te worden afgesloten. Uitstekende delen </para>
      <para>verwijderen c.q. inklappen, antennes (..) dienen voor aanvang van de belading uit en/of van de </para>
      <para>voertuigen te zijn verwijderd."</para>
      <para>alsmede:</para>
      <para>	"-Tijdens het rijden van de trein, in het bijzonder op geëlektrificeerde trajecten, is het absoluut </para>
      <para>verboden om zich op of in rupsvoertuigen of in goederenwagens te bevinden."</para>
      <para>en verder:</para>
      <para>	"- Indien tijdens de treinreis een correctie van of aan een op een spoorwagen geladen </para>
      <para>rupsvoertuig moet worden uitgevoerd, dient dit onder het directe toezicht van de treincommandant te </para>
      <para>geschieden. Alleen in geval van uiterste noodzaak mag het rupsvoertuig daarbij worden beklommen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel deze bepalingen niet direct zien op de hier aan de orde zijnde situatie van oponthoud en </para>
      <para>stilstand van een goederentrein met rupsvoertuigen, blijkt uit de gegeven citaten wel dat verweerder </para>
      <para>tijdens de opleiding voldoende aandacht heeft besteed aan de gevaren van de elektrische bovenleiding </para>
      <para>boven op een trein geladen rupsvoertuigen.</para>
      <para>Voorts heeft verweerders gemachtigde ter zitting onweersproken gesteld dat ook bij het passeren van </para>
      <para>een overweg voor de chauffeur van een rupsvoertuig het voorschrift geldt dat de antenne, die een lengte </para>
      <para>van 6-7 meter heeft, moet zijn ingetrokken.</para>
      <para>De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verweerder tijdens eisers opleiding tot </para>
      <para>chauffeur pantserrupsvoertuig blijk heeft gegeven van de vereiste zorg voor zijn veiligheid door het </para>
      <para>vaststellen en aanleren van veiligheidsvoorschriften betreffende de gevaren van een elektrische </para>
      <para>bovenleiding.</para>
      <para>Eiser heeft als chauffeur prtl kunnen en moeten beseffen dat hij onder alle omstandigheden verre diende </para>
      <para>te blijven van de bovenleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderdeel 2132 van genoemd instructiemateriaal komt voorts de volgende bepaling voor:</para>
      <para>	"De treincommandant is verantwoordelijk voor:</para>
      <para>	- De te nemen maatregelen m.b.t. veiligheid van materieel en personeel tijdens de reis;</para>
      <para>	- De handhaving van orde en tucht;</para>
      <para>	- (...)."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel dit onderdeel is geplaatst onder de kop "213. Taken en verantwoorde- lijkheden bij laden en </para>
      <para>lossen", gaat de rechtbank er van uit dat het hier een verantwoordelijkheid van de treincommandant </para>
      <para>tijdens de gehele reis betreft.</para>
      <para>Onderzocht moet derhalve worden of de treincommandant van eisers transport, de eerste luitenant </para>
      <para>X, is tekortgeschoten in zijn zorgplicht in die hoedanigheid.</para>
      <para>Vaststaat op grond van de gedingstukken dat het militair personeel tijdens het oponthoud toestemming </para>
      <para>heeft gekregen om de trein te verlaten om zich buiten te vertreden. Genoemde luitenant heeft, alvorens </para>
      <para>die toestemming te verlenen, overleg gepleegd met de "Zugchef" van de trein, Y, die in </para>
      <para>verbinding stond met de treindienstleiding. Uit de gedingstukken is niet duidelijk geworden welke </para>
      <para>voorwaarden door genoemde spoorwegmedewerker zijn verbonden aan de toestemming de trein te </para>
      <para>verlaten. Y heeft daarover twee tegenstrijdige verklaringen afgelegd: hij heeft verklaard </para>
      <para>toestemming te hebben verleend, mits men aan de rechterzijde van de trein zou uitstappen en zich aan </para>
      <para>die zijde zou ophouden (Ermittlungsbericht Revierkriminaldienst Zerbst van 21 april 1997, blz. 2), </para>
      <para>terwijl daarnaast een verklaring voorligt, volgens welke uitgestapte militairen zich moesten ophouden </para>
      <para>op een even buiten het spoorwegemplacement gelegen veldje (Stellungnahme, Deutsche Bahn AG, </para>
      <para>ongedateerd).</para>
      <para>Uit laatstgenoemde verklaring van Y blijkt verder dat het ongeval zich binnen een tijdsbestek van 3 </para>
      <para>minuten na het tot stilstand komen van de trein heeft voorgedaan: de trein stopt tegen 14.30 uur, waarna </para>
      <para>tegen 14.33 uur van de machinist van een voorbijrijdende trein de mededeling wordt ontvangen dat hij </para>
      <para>het ongeval heeft zien gebeuren.</para>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt voorts dat het militair personeel zich tijdens het vertreden heeft opgehouden </para>
      <para>ter hoogte van de direct achter de locomotief geplaatste personenwagon, met uitzondering van eiser, die </para>
      <para>alleen langs de trein naar achteren is gelopen om uit de geschutskoepel van het voorlaatste prtl de </para>
      <para>voetbal van de batterij te halen. Niemand van de aanwezige militairen of van het Duitse treinpersoneel is </para>
      <para>getuige geweest van het ongeval.</para>
      <para>Vaststaat verder dat niemand van het militair personeel toestemming heeft gevraagd om te mogen </para>
      <para>voetballen en dat eiser geen toestemming heeft gevraagd om de goederenwagon en het daarop staande </para>
      <para>prtl te mogen beklimmen.</para>
      <para>De eerste luitenant X heeft op de ongevalsdag tegenover de Duitse politie verklaard	:</para>
      <para>	"Wieso und weshalb der Soldat zu dem Panzer gegangen ist, habe ich nicht mitbekommen. Im </para>
      <para>nachhinein habe ich dann gehört, daß er einen Fußball holen wollte. Der Soldat hat sich bei keinem der </para>
      <para>Kommandanten abgemeldet, daß er sich einen Fußball holen wollte. Es war niemandem bekannt. Er </para>
      <para>hatte auch dazu keinen Auftrag bekommen."</para>
      <para>	(Ermittlungsbericht Revierkriminaldienst Zerbst van 21 april 1997)</para>
      <para>Gebleken is verder dat ook tijdens de heenreis door het militair personeel is gevoetbald (de batterij </para>
      <para>beschikte over een voetbal), zij het dat de op die reis dienstdoende treincommandant daarvoor een </para>
      <para>veilige plaats, buiten het spoorwegemplacement waar geladen werd, heeft aangewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vastgesteld moet dus worden dat eiser zich spontaan heeft aangeboden om de voetbal te halen, toen hij </para>
      <para>van een collega-militair hoorde waar hij deze kon vinden. Eiser heeft toestemming gevraagd noch </para>
      <para>verkregen voor het beklimmen van de goederenwagon en het prtl. Hij heeft dus geheel op eigen gezag </para>
      <para>en niet in de geest van de eerder aangehaalde veiligheidsvoorschriften gehandeld.</para>
      <para>Onder deze omstandigheden moet, mede gelet op de zeer korte tijdsspanne van 3 minuten, waarin het </para>
      <para>ongeval zich heeft voltrokken, worden vastgesteld dat de treincommandant niet is tekortgeschoten in de </para>
      <para>ingevolge voorschrift 2132 op hem rustende plicht te zorgen voor de veiligheid van het personeel en </para>
      <para>voor de handhaving van orde en tucht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uit de gedingstukken blijkende feit dat vòòr of tijdens de terugreis door de treincommandant niet </para>
      <para>opnieuw is gewaarschuwd voor de gevaren van de bovenleiding leidt de rechtbank niet tot een ander </para>
      <para>oordeel. Vaststaat dat het transport in Polen met dieseltractie heeft gereden, waarna aan de Pools-Duitse </para>
      <para>grens een Duitse elektrische locomotief is geplaatst. Aangezien de enige personenwagon voor de </para>
      <para>manschappen zich direct achter de locomotief bevond, kan deze wisseling van locomotief eiser </para>
      <para>nauwelijks zijn ontgaan.</para>
      <para>De aanwezigheid van een elektrische bovenleiding boven een spoorlijn is voorts voor iedereen </para>
      <para>waarneembaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder is op deze grond dus niet aansprakelijk voor de gevolgen van het aan eiser overkomen </para>
      <para>ongeval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank biedt ook artikel 8:81 BW geen grond voor de aansprakelijkheid van </para>
      <para>verweerder als vervoerder. Tussen eiser en verweerder is immers voor de terugreis van Polen naar </para>
      <para>Nederland geen vervoersovereenkomst gesloten, maar eiser heeft van zijn militaire meerderen opdracht </para>
      <para>ontvangen de terugreis samen met zijn prtl per trein te maken, terwijl andere deelnemers aan de oefening </para>
      <para>na afloop per bus naar Nederland zijn vervoerd. De aanwezigheid van eiser op de plaats des onheils kan </para>
      <para>dus niet worden geplaatst in het kader van een door eiser als reiziger met verweerder gesloten </para>
      <para>vervoersovereenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft dus op goede gronden in bezwaar na heroverweging geen aanleiding gezien zijn </para>
      <para>weigering aansprakelijkheid te aanvaarden voor de gevolgen van het eiser overkomen ongeval te </para>
      <para>herroepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al hetgeen overigens nog door eiser is aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt leidt de </para>
      <para>rechtbank niet tot een ander oordeel.</para>
      <para>Aangezien het bestreden besluit voorts niet in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel of enig </para>
      <para>algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, komt het niet voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door </para>
      <para>de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>6.	 Beslissing.</para>
    <para />
    <para>De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,</para>
    <para />
    <para>RECHT DOENDE:</para>
    <para />
    <para>Verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <para>7.	 Rechtsmiddel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het </para>
      <para>bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij </para>
      <para>de Centrale Raad van Beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op</para>
      <para>8 november 1999, in tegenwoordigheid van H. Pop als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift,</para>
      <para>de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden: 	</para>
      <para>Coll.		:</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>