<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3745</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T07:48:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3745</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/419 BESLU</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:4">Algemene wet bestuursrecht 3:4</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1999/234 met annotatie van R.J.N. Schlössels</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3745">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3745</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3745 Rechtbank 's-Gravenhage , 09-07-1999 / AWB 99/419 BESLU</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3745:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA3745:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage  </para>
      <para>Sector Bestuursrecht  </para>
      <para>Tweede kamer, meervoudig</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para> UITSPRAAK  als bedoeld in artikel 8:77  van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
    <para />
    <para>  Reg.nr.: AWB 99/419 BESLU</para>
    <para />
    <para> Inzake Phobutech-Vak B.V., gevestigd te Den Haag, eiseres,</para>
    <para />
    <para> tegen </para>
    <para />
    <para>de raad van de gemeente Den Haag, verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <para>  1. Aanduiding bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para> Het besluit van verweerder van 26 november 1998, nr. 281, bekendgemaakt  bij brief van 8 december 1998, kenmerk 2.97.0191.001.</para>
    <para />
    <para />
    <para>  2. Zitting.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> Datum: 15 juni 1999.  </para>
      <para>Eiseres is vertegenwoordigd door haar directeur, H. Jautze, bijgestaan  door haar raadsman, mr. R.F.J. Tophoven, advocaat te Woerden.  </para>
      <para>Verweerder is vertegenwoordigd door raadslid B. Veenkamp, bijgestaan door  zijn gemachtigde mr. D.J.M. Elshof, werkzaam bij de Gemeentelijke  Kredietbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>  3. Feiten.</para>
    <para />
    <para> Eiseres exploiteert een professioneel fotolaboratorium waar alle  voorkomende werkzaamheden ten behoeve van vakfotografie kunnen worden  verricht, zowel fotografisch-chemisch als digitaal-elektronisch.</para>
    <para />
    <para> Bij brief van 12 februari 1996 is namens het Ingenieursbureau van de  Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag aan onder meer het bedrijf van  eiseres (hierna aan te duiden als: Phobutech) medegedeeld dat  naar verwachting in de eerste helft van 1996 met de bouw van de  Koningstunnel wordt gestart, dat daarbij onder andere stalen damwanden en  funderingspalen in de grond worden aangebracht en dat tijdens die  werkzaamheden in de omliggende gebouwen voelbaar trillingen zullen  optreden. Verzocht wordt een opgave te verstrekken van de in de gebouwen  van de betrokken bedrijven aanwezige trillingsgevoelige apparatuur.</para>
    <para />
    <para> Bij brief van 21 februari 1996 heeft de directeur van eiseres, de heer  Jautze, aan de Dienst Stadsbeheer medegedeeld dat de apparatuur waarmee  Phobutech werkt tegen een trilling kan, doch dat tijdens het  vervaardigen van haar producten beslist geen trillingen mogen optreden. De  heer Jautze wijst er op dat, aangezien de bouwwerkzaamheden van de  Koningstunnel een aantal maanden gaan duren, Phobutech gedurende  die tijd geen producten kan vervaardigen, hetgeen zal leiden tot omzet- en  klantenverlies waarvoor de gemeente Den Haag voor 100% aansprakelijk zal  worden gesteld.</para>
    <para />
    <para> Omtrent de met de aanleg van de Koningstunnel verband houdende  werkzaamheden en mogelijke gevolgen hiervan voor Phobutech heeft op  7 maart 1996 een (eerste) bespreking plaatsgevonden tussen de heer Jautze  en een tweetal medewerkers van de Dienst Stadsbeheer, de heren Van Eig  (projectleider van de Koningstunnel) en Snel (constructeur).</para>
    <para />
    <para> In opdracht van de heer Jautze heeft accountantskantoor Arenthals Chaudron  een begroting opgemaakt van de te verwachten schade uit boorwerkzaamheden  in verband met de aanleg van de Koningstunnel. Dit  accountantskantoor heeft de gevraagde begroting, waarbij de totaal te  verwachten schade is begroot op  Fl. 289.000,-, op 10 april 1996 aan de heer Jautze toegezonden.</para>
    <para />
    <para> In opdracht van de Dienst Stadsbeheer heeft ingenieursbureau DGMR  Raadgevende Ingenieurs B.V. (hierna: DGMR) een tweetal rapporten  uitgebracht, gedateerd 4 en 10 april 1996. Deze rapporten, die op  23 april 1996 zijn toegezonden aan de Dienst Stadsbeheer, betreffen  respectievelijk de trillingsmetingen bij Phobutech ter bepaling van het  achtergrondtrillingsniveau en de prognose van de toelaatbare  trillingsniveaus bij Phobutech-Vak tijdens het zogenoemde intrillen van  damwanden. In laatstbedoeld rapport wordt geconcludeerd dat op een afstand  groter dan 129 meter van het gebouw van Phobutech geen  trillingshinder optreedt en dat in het gebied tussen 35 en 129 meter  beperkte trillingshinder optreedt. Tevens wordt in dit rapport een aantal  maatregelen aanbevolen om de gevolgen van trillingshinder zo veel mogelijk  te beperken.</para>
    <para />
    <para> Ingenieursbureau Van Dorsser Raadgevende Ingenieurs B.V. heeft op verzoek  van eiseresses raadsman bij brief van 18 juli 1996 gereageerd op de  rapporten van DGMR.</para>
    <para />
    <para> Op 19 augustus 1996 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Phobutech  en de Dienst Stadsbeheer, waarbij onder meer is afgesproken dat de heer  Jautze de gemeente Den Haag een notitie toezendt die inzicht  geeft in de bedrijfsvoering van Phobutech. Bij brief van 23 augustus 1996  heeft eiseresses raadsman deze notitie, alsmede de leveranciersinformatie  betreffende de apparatuur waarmee Phobutech werkt, aan  verweerder toegezonden. Daarbij heeft eiseresses raadsman tevens een  nieuwe schade-opstelling meegezonden, waarbij de schade is begroot op  respectievelijk Fl. 12.500,- (eenmalig) en Fl. 48.500,- (per maand).</para>
    <para />
    <para> Nadat op 26 september 1996 wederom een bespreking had plaatsgevonden  tussen Phobutech en de Dienst Stadsbeheer, heeft eiseresses raadsman de  gemeente bij brief van 2 oktober 1996 verzocht eiseres  overeenkomstig de Verordening nadeelcompensatie Souterrain Grote  Marktstraat/Kalvermarkt (hierna: de Verordening) nadeelcompensatie toe te  kennen, zowel voor de door haar reeds geleden schade (in verband met  de treffen maatregelen om de schade zoveel mogelijk te beperken), als voor  de door haar nog te lijden schade als gevolg van trillingswerkzaamheden.  Hierbij is verwezen naar de bij de brief van 23 augustus 1996  gevoegde schade-opstelling.</para>
    <para />
    <para> Vervolgens heeft de Dienst Stadsbeheer begin december 1996 een actieplan  opgesteld, waarin is beschreven op welke wijze de gemeente, de aannemer en  Phobutech het beste kunnen samenwerken om de kans op  schade uit te sluiten dan wel te beperken. Dit actieplan, dat op 4  december 1996 met de heer Jautze en zijn raadsman is besproken, is alleen  van de zijde van de gemeente voor akkoord getekend.</para>
    <para />
    <para> Op 12 december 1996 is begonnen met het zogenoemde intrillen van de  damwanden van de Koningstunnel. Vanaf 31 januari 1997 zijn deze  werkzaamheden verricht op de plaats waar de afstand tot het pand van  Phobutech het kleinst is. Op 23 juni 1997 zijn de trillingswerkzaamheden  beëindigd.</para>
    <para />
    <para> Vanaf het moment dat met de trillingswerkzaamheden werd begonnen, hebben  partijen gecorrespondeerd over de voortgang van de werkzaamheden en over  de omvang van de door eiseres gestelde schade.</para>
    <para />
    <para> Op verzoek van verweerder heeft het Nederlands Expertise Bureau op 18  februari 1997 advies uitgebracht omtrent het verzoek om nadeelcompensatie  van 2 oktober 1996. Dit advies luidt als volgt:</para>
    <para />
    <para> "Behoudens eventueel de kosten verbonden aan de genomen  voorzorgsmaatregelen, bestaande uit het aanbrengen van rubberen  veer-elementen, is er naar ons oordeel geen reden om over te gaan tot het  compenseren van het door aanvrager gestelde financiële nadeel."</para>
    <para />
    <para> Bij brief van 24 april 1997 is namens eiseres bezwaar aangetekend tegen de  (fictieve) weigering een besluit te nemen op het verzoek van 2 oktober  1996. In verband hiermee is bij brief van gelijke datum tevens een  verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de president van deze  rechtbank. Dit verzoek is bij brief van 14 mei 1997 ingetrokken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> Omtrent het verzoek om nadeelcompensatie van eiseres heeft verweerder,  onder verwijzing naar het voorstel van burgemeester en wethouders van 24  juni 1997, in zijn vergadering van 3 juli 1997 besloten:  </para>
      <para>I  de Verordening van overeenkomstige toepassing te verklaren op de bouw  van de Koningstunnel;  </para>
      <para>II. eiseresses aanvraag om nadeelcompensatie af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> Tegen dit besluit, dat burgemeester en wethouders op 15 augustus 1997 aan  eiseresses raadsman hebben toegezonden, is namens eiseres bij brief van  22 september 1997 bezwaar aangetekend.</para>
    <para />
    <para> Dit bezwaar is behandeld tijdens een hoorzitting van de Commissie beroep-  en bezwaarschriften van 23 juni 1998.</para>
    <para />
    <para> Overeenkomstig het advies van deze commissie d.d. 30 september 1998, heeft  verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaar van eiseres  ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para> Tegen dat besluit is namens eiseres bij beroepschrift van 15 januari 1999  beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij aanvullend beroepschrift van  19 februari 1999 heeft de raadsman van eiseres de gronden van het beroep  aangevuld.   Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend,  alsmede een verweerschrift, gedateerd 29 maart 1999.</para>
    <para />
    <para />
    <para>  4. Motivering.</para>
    <para />
    <para> 4.1. Met inachtneming van hetgeen namens eiseres in beroep is aangevoerd,  ziet de rechtbank zich in dit geding gesteld voor de vraag of het in  bezwaar gehandhaafde besluit tot afwijzing van het verzoek om  nadeelcompensatie in rechte stand kan houden. In het bijzonder dient te  worden beoordeeld of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren  nadeelcompensatie toe te kennen voor schade die eiseres stelt te hebben  geleden als gevolg van (trillings)werkzaamheden ten behoeve van de aanleg  van de Koningstunnel.</para>
    <para />
    <para> 4.2. Bij het primaire besluit is de Verordening van overeenkomstige  toepassing verklaard op de bouw van de Koningstunnel. Artikel 2, eerste  lid, van deze verordening luidt als volgt:</para>
    <para />
    <para> "1. Indien een belanghebbende nadeel lijdt, welke het rechtstreeks gevolg  is van het project, en dit nadeel zijn maatschappelijk risico zodanig  overschrijdt, dat dit alle relevante omstandigheden in aanmerking  genomen redelijkerwijs niet te zijner laste behoort te blijven, kan de  gemeenteraad met inachtneming van het in deze verordening bepaalde,  besluiten dit nadeel te compenseren."</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening moet een aanvraag tot  compensatie, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, uiterlijk binnen een  periode van één jaar na de realisering van het project worden ingediend.  </para>
      <para>Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub b en c, van artikel 4 bevat de  aanvraag naast hetgeen op grond van artikel 4:2, eerste lid, van de  Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vereist ten minste:  </para>
      <para>b. een opgave van de aard en de omvang van het gestelde nadeel, alsmede de  daarbij behorende bewijsstukken;  </para>
      <para>c. een omschrijving van de wijze waarop het nadeel naar het oordeel van de  aanvrager dient te worden gecompenseerd en, indien een financiële  compensatie wordt aangevraagd, een opgave van het bedrag dat naar het  oordeel van de aanvrager dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 4.3. Vooreerst stelt de rechtbank vast dat, gelet op hetgeen namens  eiseres in beroep en ter zitting is aangevoerd, het geschil beperkt is tot  een viertal schadeposten en dat de daarbij opgevoerde BTW als  schadecomponent is komen te vervallen, aangezien deze door eiseres reeds  met de fiscus is verrekend. De vier schadeposten waartoe het geschil zich  beperkt zijn:</para>
      <para>a) de kosten van het inschakelen van accountantskantoor Arenthals Chaudron  (ad Fl. 3.301,- excl. BTW);</para>
      <para>b)  de kosten van juridische bijstand (ad Fl. 8.111,50 excl. BTW);</para>
      <para>c)  de kosten van het inschakelen van ingenieursbureau Van Dorsser (ad  Fl. 1.230,- excl. BTW);  </para>
      <para>d) de kosten van het trillingsvrij laten opstellen van de filmrecorder (ad  Fl. 6.800,- excl. BTW).  </para>
      <para>Het gaat derhalve om een totaal bedrag van Fl. 19.442,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> ad a) de kosten van het inschakelen van accountantskantoor Arenthals  Chaudron</para>
    <para />
    <para> 4.3.1. Verweerder is niet tot vergoeding van deze kosten overgegaan omdat  -kort gezegd- eiseres in een te vroeg stadium een accountant heeft  ingeschakeld voor het opstellen van een schadestaat. In dit verband heeft  verweerder er in het bestreden besluit op gewezen dat Arenthals Chaudron  reeds op 10 april 1996 een rapportage heeft uitgebracht over de te  verwachten omvang van de schade, op een tijdstip derhalve waarop nog  niet precies duidelijk was wat de te verwachten impact van de  trillingswerkzaamheden op de activiteiten van Phobutech zou zijn en waarop  nog geen overleg had plaatsgevonden over eventueel te nemen  schadebeperkende maatregelen. Volgens verweerder kan het in een dermate  vroeg stadium inschakelen van een accountant voor het opstellen van een  schadestaat niet als redelijkerwijs noodzakelijk worden  aangemerkt.</para>
    <para />
    <para> 4.3.2. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij Arenthals Chaudron een  schadebegroting heeft laten opstellen omdat zij inzicht wenste in de  omvang van eventueel te lijden schade. Eiseres wijst er in dit verband op  dat zij schade vreesde als gevolg van trillingshinder omdat zij tengevolge  van trillingswerkzaamheden in verband met de bouw van het -verder gelegen-  Prins Bernhard-viaduct reeds eerder hevige trillingshinder had  ondervonden en de impact van de trillingswerkzaamheden (in verband met de  bouw van de Koningstunnel) zou toenemen naarmate deze werkzaamheden  dichterbij zouden worden uitgevoerd. Om die reden heeft  eiseres een schadebegroting laten opstellen, opdat inzicht in de te nemen  maatregelen kon worden verkregen.  Voorts heeft eiseres aangevoerd dat de gemeente destijds heeft geadviseerd  een schadebegroting te laten opstellen, dat gelet op artikel 4 van de  Verordening, een aanvraag om nadeelcompensatie gepaard dient te gaan  met een onderbouwde schadebegroting en dat de gemeente zelf door middel  van brochures kenbaar heeft gemaakt dat een aanvraag om nadeelcompensatie  zo snel mogelijk moest worden ingediend.</para>
    <para />
    <para> 4.3.3. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.</para>
    <para />
    <para> 4.3.4. Zoals uit het verslag van de bespreking van 7 maart 1996 blijkt,  heeft verweerder tijdens die bespreking aangekondigd op korte termijn een  adviesbureau te zullen inschakelen. Naar het oordeel van de  rechtbank lag het in de rede dat eiseres de resultaten hiervan zou  afwachten, alvorens een accountant een schadebegroting van de te  verwachten schade te laten opstellen. Dan zou immers meer bekend zijn  geweest over de te verwachten -nadelige- invloed van de  trillingswerkzaamheden op de activiteiten van Phobutech en over mogelijk  te nemen maatregelen om -eventuele- schade zoveel mogelijk te beperken.  Door dit rapport niet af te wachten, heeft eiseres het risico genomen dat  Arenthals Chaudron een weinig realistische schadebegroting zou opstellen,  hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd; zoals verweerder in zijn  verweerschrift terecht heeft opgemerkt, heeft het accountantsrapport van  Arenthals Chaudron geen enkele rol van betekenis gespeeld.</para>
    <para />
    <para> 4.3.5. Niet kan worden ontkend dat er in de als bijlage bij het aanvullend  beroepschrift gevoegde brochure op wordt gewezen dat het van belang is een  verzoek om nadeelcompensatie zo snel mogelijk in te dienen.  Eiseres had evenwel kunnen (en naar het oordeel van de rechtbank ook:  moeten) weten dat hiermee niet is bedoeld dat de aanvraag wordt ingediend  vooruitlopend op de uitvoering van (mogelijk) schadeveroorzakende  (trillings)werkzaamheden. In ieder geval volgt daaruit zeker niet dat, nog  voordat iets bekend is over de te verwachten invloed van die werkzaamheden  en over eventueel te nemen schadebeperkende maatregelen, reeds  een schadebegroting zou moeten worden opgesteld.</para>
    <para />
    <para> 4.3.6. Wat betreft de door eiseres gestelde noodzaak de aanvraag om  nadeelcompensatie te voorzien van een onderbouwde schadebegroting, heeft  verweerder er in zijn verweerschrift terecht op gewezen dat in de  Verordening niet is voorgeschreven dat een aanvraag om nadeelcompensatie  wordt voorzien van een accountantsrapport. Tenslotte is de rechtbank niet  gebleken dat de gemeente eiseres zou hebben geadviseerd een  accountant in te schakelen.</para>
    <para />
    <para> 4.3.7. Al met al is de rechtbank van oordeel dat eiseres in een te vroeg  stadium een accountant heeft ingeschakeld voor het opstellen van een  schadebegroting. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen  weigeren de kosten van de door eiseres ingeschakelde accountant te  vergoeden. Dat eiseres er -om haar moverende redenen- voor heeft gekozen  reeds in een zeer vroeg stadium een schadebegroting door een  accountant te laten opstellen, komt derhalve voor haar rekening en risico.</para>
    <para />
    <para> ad b) de kosten van juridische bijstand</para>
    <para />
    <para> 4.3.8. Verweerder is niet tot vergoeding van de kosten van juridische  bijstand overgegaan omdat -kort gezegd- deze kosten naar zijn mening  onnodig zijn gemaakt en niet redelijk zijn, aangezien eiseres in een zeer  vroeg stadium een advocaat heeft ingeschakeld, terwijl de gemeente zich  bereid had getoond om met eiseres te overleggen en om voorzorgsmaatregelen  te treffen. In dit verband heeft verweerder er -onder verwijzing  naar jurisprudentie inzake de voor nadeelcompensatie in aanmerking komende  juridische bijstand- dat de voorbereiding van het besluit van 3 juli 1997  zorgvuldig is geweest, dat niet is gebleken van omstandigheden of  een gemeentelijke handelwijze of stellingname op basis waarvan kan worden  geoordeeld dat eiseres in redelijkheid juridische bijstand heeft  ingeschakeld, dat de door eiseres gestelde onbekendheid met de Verordening  en met de wijze waarop nadeelcompensatie moest worden aangevraagd op  zichzelf onvoldoende is om te oordelen dat het inschakelen van juridische  bijstand redelijkerwijs noodzakelijk was. Hierbij is meegewogen dat  niet gebleken is dat sprake was van een situatie waarin de voortzetting  van Phobutech in gevaar was.</para>
    <para />
    <para> 4.3.9. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder, door het  criterium "redelijkerwijs noodzakelijk" te hanteren, een onjuiste maatstaf  heeft aangelegd, aangezien volgens vaste jurisprudentie uitsluitend moet  worden beoordeeld of zowel het inroepen van juridische bijstand als de  kosten daarvan redelijk zijn.  Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet, althans onvoldoende  heeft gemotiveerd waarom als (aanvullende) eis wordt gesteld dat de  voortzetting van het bedrijf in gevaar dient te zijn vooraleer de kosten  van juridische bijstand kunnen worden vergoed en dat het zorgvuldig  handelen zijdens de gemeente geen maatstaf is om tot de conclusie te komen  dat het inschakelen van juridische bijstand niet redelijk is geweest.  Onder verwijzing naar het fair-play-beginsel, waaraan de gemeente volgens  eiseres een verkeerde invulling heeft gegeven, heeft eiseres tenslotte  aangevoerd dat het redelijk is dat zij kosten heeft gemaakt in verband  met juridische bijstand. In dit verband heeft eiseres erop gewezen dat uit  de verslagen van de tussen Phobutech en de gemeente gevoerde besprekingen  blijkt dat voor de gemeente bij alle besprekingen een jurist  aanwezig was. Aangezien onderhandelingen en besprekingen dienen plaats te  vinden op basis van gelijkwaardigheid, terwijl bovendien het  nadeelcompensatierecht bijzonder complex is, was het niet meer dan  redelijk dat Phobutech zich van juridische bijstand heeft voorzien, aldus  eiseres.  Tenslotte heeft eiseres ter zitting verwezen naar de uitspraak van de  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 1998,  gepubliceerd in AB 1999, nr. 90, en JB 1999, nr. 12, waarbij is  geoordeeld dat in dat geval het inroepen van juridische bijstand redelijk  was.</para>
    <para />
    <para> 4.3.10. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.</para>
    <para />
    <para> 4.3.11. In haar uitspraak van 23 september 1996, gepubliceerd in  AB 1996, nr. 494, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van  State overwogen dat, indien bij de schadevaststelling in het kader van  nadeelcompensatie, zowel het inroepen van juridische bijstand als de  kosten daarvan redelijk zijn te achten, deze kosten deel moeten kunnen  uitmaken van de te vergoeden schade. Zowel in het primaire besluit als in  het bestreden besluit is uitdrukkelijk naar deze jurisprudentie  verwezen. Voorts blijkt uit deze besluiten onmiskenbaar dat verweerder de  aanvraag om nadeelcompensatie terzake van kosten van juridische bijstand  expliciet aan het in genoemde uitspraak neergelegde criterium  heeft getoetst. Het enkele feit dat verweerder de term "redelijkerwijs  noodzakelijk" heeft gehanteerd in verband met de door eiseres gestelde  onbekendheid met de Verordening, kan naar het oordeel van de rechtbank  dan ook niet leiden tot het oordeel dat verweerder een onjuiste maatstaf  heeft aangelegd.</para>
    <para />
    <para> 4.3.12. Thans dient te worden beoordeeld of verweerder terecht tot de  conclusie is gekomen dat het inroepen van juridische bijstand niet  redelijk is geweest.</para>
    <para />
    <para> 4.3.13. Wat betreft het ter zitting geuite verwijt van eiseres dat  verweerder als eerste een jurist bij de zaak heeft betrokken, zodat  eiseres in feite niet kon achterblijven, wijst de rechtbank er op dat bij  de eerste bespreking tussen de gemeente en Phobutech (7 maart 1996)  -blijkens het verslag daarvan- geen jurist van de gemeente aanwezig was,  maar dat het verslag van die bespreking behalve aan de aanwezigen tevens  is gezonden aan een jurist van de Dienst Stadsbeheer. Naar het oordeel van  de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat de gemeente op dat moment  al een jurist bij de zaak had betrokken. Dat de heer Jautze  tijdens het daaropvolgende overleg tussen hem en de heer Van Eig zou zijn  geadviseerd een jurist in te schakelen, zoals de heer Jautze ter zitting  heeft verklaard, heeft de rechtbank niet uit de haar ter beschikking  staande stukken kunnen afleiden. Uit het verslag van de op 23 juni 1998  gehouden hoorzitting blijkt daarentegen dat de heer Van Eig een dergelijk  advies zijnerzijds heeft ontkend. De rechtbank acht het overigens  ook onwaarschijnlijk dat van de kant van de gemeente een dergelijk advies  is gegeven, aangezien in vervolg op het hiervoor bedoelde overleg ir. C.  Kruyt, namens de algemeen directeur van de Dienst Stadsbeheer, de  heer Jautze bij brief van 13 mei 1996 onder meer heeft medegedeeld dat de  gemeente samen met Phobutech wil zoeken naar de beste oplossing voor de  problemen die kunnen voortvloeien uit de trillingshinder. Deze  brief wijst er voorts op dat er voor eiseres -objectief gezien- geen  aanleiding was te vrezen dat haar belangen bij het door de gemeente  beoogde overleg onvoldoende in acht zouden worden genomen. Eiseres heeft  evenwel niet (de resultaten van) dit overleg afgewacht, alvorens zich van  juridische bijstand te voorzien, maar heeft zich bij de eerstvolgende  bespreking (op 7 juli 1996) direct door een advocaat laten bijstaan. Nu  bovendien op dat moment naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was  een complexe materie, waarvoor juridische deskundigheid was vereist, kan  de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiseres  zich in een dermate vroeg stadium van de procedure van juridische bijstand  heeft voorzien, dat het inroepen daarvan niet als redelijk kan worden  gekwalificeerd. Gelet op het feit dat de heer Jautze een afschrift van  zijn brief van 21 februari 1996 aan een advocaat heeft toegezonden, kan de  rechtbank zich overigens niet aan de indruk onttrekken dat eiseres  kennelijk op dat moment al de intentie had zich van juridische bijstand te  voorzien.</para>
    <para />
    <para> 4.3.14. Anders dan eiseres, ziet de rechtbank niet in dat verweerder als  aanvullende eis voor vergoeding van kosten van juridische bijstand heeft  gesteld dat de voortzetting van het bedrijf in gevaar dient te zijn  vooraleer de kosten van juridische bijstand kunnen worden vergoed.  Verweerder heeft dit slechts laten meewegen, in die zin dat het inroepen  van juridische bijstand (in ieder geval) redelijk was geweest indien de  voortzetting van Phobutech in gevaar zou zijn geweest. De rechtbank acht  deze benadering niet onredelijk en is evenals verweerder van oordeel dat  geen sprake was van een situatie waarin de voortzetting van  Phobutech in gevaar was. Voorts ziet de rechtbank niet in dat verweerder  het (on)zorgvuldig handelen van de kant van de gemeente niet mag meewegen  bij het beoordelen van de (on)redelijkheid van het inroepen van  juridische bijstand. Wat betreft de door eiseres gestelde strijd met het  fair play-beginsel wijst de rechtbank er op dat blijkens de zich onder de  gedingstukken bevindende brief van de algemeen directeur van de Dienst  Stadsbeheer van 22 mei 1996 de heer Jautze heeft gedreigd met een  kort geding om de bouw van de Koningstunnel stop te zetten. Pas na dit  -door eiseres niet weersproken - dreigement heeft de gemeente een jurist  ingeschakeld om haar belangen te behartigen. Onder deze  omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd  dat verweerder in strijd met het fair play-beginsel heeft gehandeld door  het inroepen van juridische bijstand niet als redelijk te kwalificeren  en de kosten van juridische bijstand niet te vergoeden. Tenslotte is de  rechtbank van oordeel dat het onderhavige geval niet kan worden vergeleken  met dat van de door eiseres genoemde uitspraak. In dat geval was aan  het bestuursorgaan namelijk al een advies uitgebracht omtrent de hoogte  van de toe te kennen nadeelcompensatie, terwijl in het onderhavige geval  op het moment dat eiseres juridische bijstand inriep nog overleg  plaatsvond over schadebeperkende maatregelen en op dat moment nog geen  enkel reëel zicht was op de schade die zij zou lijden.  4.3.15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is verweerder naar het  oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het inroepen  van juridische bijstand niet redelijk is geweest. Verweerder heeft dan  ook in redelijkheid kunnen weigeren de kosten van juridische bijstand te  vergoeden.</para>
    <para />
    <para> ad c) de kosten van het inschakelen van ingenieursbureau Van Dorsser  ad d) de kosten van het trillingsvrij laten opstellen van de filmrecorder</para>
    <para />
    <para> 4.3.16. Verweerder is van mening dat de kosten van deze schadeposten  -althans een deel daarvan: de hoogte van de onder d) bedoelde kosten wordt  niet reëel geacht- in beginsel voor vergoeding in aanmerking  komen, maar is desondanks niet tot vergoeding daarvan overgegaan omdat  -kort gezegd- deze kosten zodanig laag zijn dat zij het maatschappelijk  aanvaardbaar risico niet overschrijden. Omtrent de bepaling van de  hoogte van het aanvaardbaar maatschappelijk risico heeft verweerder  tijdens de hoorzitting van 23 juni 1998 opgemerkt dat daarvoor aansluiting  is gezocht bij de vaste gemeentelijke gedragslijn in soortgelijke zaken.  Op basis van deze vaste gedragslijn wordt de grens van het aanvaardbaar  maatschappelijk risico bepaald op het nadeel dat wordt geleden als gevolg  van een omzetdaling van 15% op jaarbasis, gerelateerd aan een  aantal referentiejaren. Gezien de omzet van eiseres blijft het geleden  nadeel ruimschoots onder deze grens, aldus verweerder. Volgens verweerder  is een beleid, waarbij de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar  risico wordt gerelateerd aan de winst- c.q. omzetderving, in de  jurisprudentie aanvaard. In dit verband heeft verweerders gemachtigde ter  zitting gewezen op de ook de door eiseres genoemde uitspraak van de  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 1998.</para>
    <para />
    <para> 4.3.17. In beroep is door eiseres aangevoerd dat hantering van een  gedragslijn die nergens schriftelijk is vastgelegd en/of niet op enigerlei  wijze bekend is gemaakt in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. In  samenhang hiermee acht eiseres het onzorgvuldig dat zij pas in de  bezwaarfase over deze gedragslijn is geïnformeerd; verweerder had  voorafgaand aan de te nemen beslissing op het verzoek om nadeelcompensatie  duidelijkheid moeten bieden omtrent de uitleg van de norm "aanvaardbaar  maatschappelijk risico", aldus eiseres.  Onder verwijzing naar de uitspraak van de -toenmalige- Afdeling geschillen  van bestuur van de Raad van State van 12 oktober 1988, gepubliceerd in AB  1989, nr. 234, heeft eiseres voorts aangevoerd dat de  gemeente ten onrechte het draagkrachtbeginsel heeft toegepast, althans  onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit beginsel in het onderhavige geval  geldt. In samenhang hiermee bestrijdt eiseres dat de koppeling van  de omzet van benadeelde aan de door haar geleden schade ter bepaling van  de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico in de jurisprudentie  is aanvaard. Daarnaast acht eiseres het onredelijk om in geval van  kosten verbonden aan schadebeperkende maatregelen en deskundigenkosten 15%  van de omzet als richtlijn te nemen.  Tenslotte heeft verweerder volgens eiseres onzorgvuldig gehandeld door de  jaaromzet van Phobutech niet te baseren op een aantal referentiejaren,  maar uitsluitend op basis van de door Arenthals Chaudron opgestelde  schadebegroting van 10 april 1996.</para>
    <para />
    <para> 4.3.18. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.</para>
    <para />
    <para> 4.3.19. De rechtbank acht het in het algemeen niet onredelijk dat bij het  beslissen op een verzoek om nadeelcompensatie door een bestuursorgaan een  ondergrens wordt gehanteerd in de vorm van het maatschappelijk  aanvaardbaar risico en dat die grens wordt bepaald aan de hand van de  omzet, gerelateerd aan een aantal referentiejaren. Van belang daarbij is  dat dit een objectief criterium betreft, waarbij, anders dan een op winst  en verlies betrekking hebbend criterium, de draagkracht van de benadeelde  geen rol speelt. De rechtbank onderschrijft dan ook hetgeen verweerder  hierover in het verweerschrift heeft opgemerkt. De betreffende  passage luidt als volgt:</para>
    <para />
    <para> "De norm die gemeente Den Haag hanteert kan niet worden opgevat als een  draagkrachtbeginsel. Bij de bepaling van de grens van het maatschappelijk  aanvaardbaar risico wordt geen rekening gehouden met het  vermogen of inkomen van de benadeelde. Dit zou leiden tot een niet naar  objectieve criteria te rechtvaardigen, slechts op individuele  draagkrachtverschillen berustend onderscheid tussen ondernemers die in  gelijke mate door de tunnelwerkzaamheden worden getroffen. Door het nadeel  te vergelijken met de omzet van de onderneming kan op objectieve wijze de  ernst van het geleden nadeel en derhalve de grens van het  maatschappelijk aanvaardbaar risico worden bepaald."</para>
    <para />
    <para> 4.3.20. Het door verweerder gehanteerde percentage van 15, waarmee de  omzet op jaarbasis ten minste moet zijn gedaald wil er sprake zijn van een  nadeel dat het maatschappelijk aanvaardbaar risico te boven gaat,  acht de rechtbank evenmin onredelijk. Blijkens de door verweerder genoemde  jurisprudentie acht de Afdeling (bestuurs)rechtspraak dit een aanvaardbaar  percentage bij de vaststelling van de grens van het  maatschappelijk aanvaardbaar risico. Weliswaar is dit risico in de door  verweerder genoemde gevallen niet op dezelfde wijze begrensd als in het  onderhavige geval, maar de rechtbank ziet niet in dat het onredelijk is  het maatschappelijk aanvaardbaar risico te begrenzen volgens de formule  die verweerder in het geval van eiseres heeft gehanteerd.</para>
    <para />
    <para> 4.3.21. Niet kan worden ontkend dat verweerder, door eerst tijdens de  hoorzitting van 23 juni 1998 melding te maken van de vaste gedragslijn ter  zake van de vaststelling van de grens van het maatschappelijk  aanvaardbaar risico, jegens eiseres onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het  oordeel van de rechtbank is deze onzorgvuldigheid evenwel niet van dien  aard, dat het bestreden besluit op grond daarvan moet worden  vernietigd. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat de  voor nadeelcompensatie in aanmerking komende schade -relatief- gering is  en dat eiseres, ook indien zij voorafgaande aan haar verzoek om  nadeelcompensatie van de aan de orde zijnde gedragslijn op de hoogte was  geweest, niet tot een zodanig schadebedrag had kunnen komen dat daarmee de  grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico zou zijn  overschreden.</para>
    <para />
    <para>4.3.22. Vast staat dat verweerder voor de vaststelling van het  maatschappelijk aanvaardbaar risico is uitgegaan van de omzet over slechts  één (referentie)jaar en niet, zoals volgens de door verweerder ingeroepen  gedragslijn gebruikelijk was, van de omzet over enkele referentiejaren.  Ook dit betreft naar het oordeel van de rechtbank een onzorgvuldigheid die  niet van zodanige aard is dat het bestreden besluit op grond daarvan  moet worden vernietigd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat  blijkens het verhandelde ter zitting de laagste omzet van eiseres over de  afgelopen (drie) jaren ongeveer Fl. 800.000,- bedroeg en dat, ook indien  van deze omzet wordt uitgegaan, de voor nadeelcompensatie in aanmerking  komende schade onder de grens van het maatschappelijk aanvaardbaar risico  zou blijven.</para>
    <para />
    <para> 4.3.23. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat  verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren nadeelcompensatie toe te  kennen voor schade die eiseres stelt te hebben geleden als gevolg van  (trillings)werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de Koningstunnel.  Het beroep van eiseres dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Van  omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou  moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte  proceskosten is de rechtbank niet gebleken.</para>
    <para />
    <para> 4.3.24. Beslist dient derhalve te worden als volgt.</para>
    <para />
    <para>  5. Beslissing.</para>
    <para />
    <para> De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,</para>
    <para />
    <para> RECHT DOENDE:</para>
    <para />
    <para> Verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>  6. Rechtsmiddel.</para>
    <para />
    <para>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen  een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes  weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de  Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
    <para> Aldus gegeven door mrs. J.W.H.B. Sentrop, H.A. van Eijk en L.W. de Valk en  in het openbaar uitgesproken op 9 juli 1999, in tegenwoordigheid van de  griffier mr. W.F. Claessens.  Voor eensluidend afschrift,  de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,  Verzonden:  Coll. :</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>