<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-10T09:24:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBSGR:1999:ZA5166</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA1078</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL6034</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/1484</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:6">Algemene wet bestuursrecht 4:6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 1999/161 met annotatie van Mr. B.K. Olivier</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:31:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078 Rechtbank 's-Gravenhage , 10-06-1999 / 99/1484</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1078:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
      <para>Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
      <para>ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>juncto artikel 33a Vreemdelingenwet</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Reg.nr.: AWB 99/1484 VRWET</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inzake: [eiser] en [eiseres], echtelieden, beiden</para>
      <para>wonende te [woonplaats], eisers, </para>
      <para>gemachtigde mr. A.A. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,</para>
      <para>gemachtigden mrs. G.M.H. Hoogvliet en H.A. Groen,</para>
      <para>beiden advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eisers, geboren op respectievelijk [...] 1966 en [...] 1971,</para>
      <para>bezitten de Turkse nationaliteit. Eisers zijn vreemdeling in de zin van</para>
      <para>de Vreemdelingenwet (Vw). Eiser is volgens zijn verklaring in of</para>
      <para>omstreeks 1982 Nederland binnengekomen. Hij is op 18 mei 1984 en nadien</para>
      <para>op 22 oktober 1987 uit Nederland verwijderd wegens illegaal</para>
      <para>verblijf. Bij brief van 5 januari 1993, ontvangen door het</para>
      <para>hoofd van plaatselijke politie te C op 7 januari 1993,</para>
      <para>heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot</para>
      <para>verblijf met als doel: "het verrichten van arbeid in loondienst c.q.</para>
      <para>wegens klemmende redenen van humanitaire aard". Bij besluit van</para>
      <para>27 juni 1994 heeft de korpschef van de regiopolitie D de</para>
      <para>aanvraag niet ingewilligd. Eiser heeft tegen dit besluit administratief</para>
      <para>beroep ingesteld bij beroepschrift van 11 juli 1994. De gronden daarvan</para>
      <para>zijn ingediend bij brief van 10 augustus 1994.</para>
      <para>Op 28 september 1994 heeft eiser een verzoek om een voorlopige</para>
      <para>voorziening ingediend, inhoudende een verbod tot uitzetting</para>
      <para>totdat op het administratief beroep is beslist. Op 13 oktober 1994,</para>
      <para>29 september 1995, 3 en 8 oktober 1995 heeft eiser de gronden van het</para>
      <para>administratief beroep aangevuld en/of nadere stukken ingediend.</para>
      <para>In het verweerschrift van 26 september 1995 heeft verweerder</para>
      <para>geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het administratief</para>
      <para>beroepschrift en tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige</para>
      <para>voorziening.</para>
      <para>Bij uitspraak van 17 oktober 1995 van de president van de rechtbank</para>
      <para>is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en is, met</para>
      <para>toepassing van artikel 33b Vw, het administratief beroep ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>Bij brief van 23 oktober 1995 heeft eiser aan verweerder verzocht</para>
      <para>om herziening van de beslissing in administratief beroep. Bij brief</para>
      <para>van 9 september 1996 heeft verweerder aan eiser bericht dat het</para>
      <para>verzoek om ambtshalve herziening niet in behandeling wordt genomen</para>
      <para>omdat eiser ingevolge artikel 8:88 Awb een dergelijk verzoek dient</para>
      <para>in te dienen bij de rechtbank.</para>
      <para>Eiser heeft hiertegen bij bezwaarschrift van 30 september 1996</para>
      <para>bezwaar gemaakt op nader aan te voeren gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft zich op 24 maart 1994 aangemeld bij de korpschef</para>
      <para>van de regiopolitie D. Vervolgens heeft zij, mede ten</para>
      <para>behoeve van hun minderjarige zoon E (geboren op</para>
      <para>[...] 1993), een aanvraag ingediend om verlening van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij echtgenoot A".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft vervolgens op 23 oktober 1995, mede onder verwijzing naar</para>
      <para>zijn brief van 8 oktober 1995, opnieuw bij de korpschef van de</para>
      <para>regiopolitie D een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning</para>
      <para>tot verblijf met als doel: "humanitaire redenen op grond van</para>
      <para>arbeidsverleden".</para>
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 1997 heeft verweerder op de</para>
      <para>aanvragen van 24 maart 1994 (eiseres) en  23 oktober 1995 (eiser)</para>
      <para>afwijzend beslist. De afwijzende beslissing ten aanzien van eiseres</para>
      <para>betreft mede hun minderjarige zoon F (geboren op [...] 1996).</para>
      <para>Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt bij afzonderlijke</para>
      <para>bezwaarschriften van 17 juni 1997. Op 15 september 1997 hebben eisers</para>
      <para>de gronden van het bezwaar aangevuld.</para>
      <para>Bij brief van 14 oktober 1997 heeft verweerder aan eisers bericht dat</para>
      <para>zij de beslissing op hun bezwaarschrift niet in Nederland mogen</para>
      <para>afwachten. Op 25 oktober 1997 hebben eisers een verzoek om een</para>
      <para>voorlopige voorziening ingediend, inhoudende een verbod tot uitzetting</para>
      <para>totdat op het bezwaar is beslist.</para>
      <para>Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 23 oktober 1997 het</para>
      <para>bezwaar ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn op 23 oktober 1997</para>
      <para>verzonden naar de gemachtigde van eisers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Tegen de besluiten van 23 oktober 1997 hebben eisers bij</para>
      <para>beroepschrift van 17 november 1997 beroep ingesteld bij de</para>
      <para>rechtbank. Daarbij hebben eisers aangegeven dat het petitum van het</para>
      <para>op 25 oktober 1997 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening</para>
      <para>wordt gewijzigd in die zin dat thans wordt verzocht om een verbod tot</para>
      <para>uitzetting totdat op het  beroep is beslist. Bij brief van</para>
      <para>17 december 1997 hebben eisers de gronden van het beroep ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. In het verweerschrift van 2 februari 1999 heeft verweerder</para>
      <para>geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot</para>
      <para>afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. In verband met vragen over de toepassing van het</para>
      <para>langdurig-illegalenbeleid (ook wel het witte-illegalenbeleid genoemd)</para>
      <para>in geval een eerdere aanvraag om toelating is ingediend (en eventueel</para>
      <para>ook afgewezen), is het beroep ter behandeling en beslissing voorgelegd</para>
      <para>aan de Rechtseenheidskamer. Bij brief van 31 maart 1999 heeft</para>
      <para>verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Eiser heeft gerepliceerd bij brief van 31 maart 1999 en voorts</para>
      <para>bij brief van 1 april 1999.</para>
      <para>Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van dupliek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De Rechtseenheidskamer heeft verweerder bij brief van 20 april 1999</para>
      <para>en voorts bij brief van 27 april 1999 vragen gesteld. In antwoord op de</para>
      <para>brief van 20 april 1999 heeft verweerder op 28 april 1999 nadere</para>
      <para>stukken ingediend.</para>
      <para>Verweerder is ter zitting ingegaan op de vragen, gesteld in de</para>
      <para>brief van 27 april 1999.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 april 1999.</para>
      <para>Eisers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.</para>
      <para>Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
      <para>Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen onder de</para>
      <para>nummers AWB 99/1481 VRWET en AWB 99/1485 VRWET.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand</para>
      <para>kunnen houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het beroep van eiser:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser legt aan het onderhavige beroep ten grondslag dat hij in</para>
      <para>aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf ingevolge</para>
      <para>de restcategorie "klemmende redenen van humanitaire aard". Eiser meent</para>
      <para>dat hij bij de indiening op 23 oktober 1995 van zijn nieuwe aanvraag om</para>
      <para>toelating wel degelijk nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft</para>
      <para>vermeld. Daarom heeft verweerder die tweede aanvraag volgens eiser ten</para>
      <para>onrechte ingevolge artikel 4:6 Awb afgewezen onder verwijzing naar het</para>
      <para>eerdere afwijzende besluit van 27 juni 1994 en de uitspraak van de</para>
      <para>president van de rechtbank van 17 oktober 1995, waardoor het afwijzende</para>
      <para>besluit onherroepelijk was geworden.</para>
      <para>In dit verband wijst eiser op het gestelde in de brief van</para>
      <para>23 oktober 1995, waarbij hij, mede onder verwijzing naar de brief</para>
      <para>van 8 oktober 1995, verweerder heeft verzocht om terug te komen op de</para>
      <para>onherroepelijk geworden afwijzende beslissing op zijn eerste aanvraag</para>
      <para>van 7 januari 1993. Eiser meent dat hij, bij het ontbreken van een</para>
      <para>reactie van de kant van verweerder op de brief van 23 oktober 1995, min</para>
      <para>of meer was gedwongen om zijn nieuwe aanvraag van 23 oktober 1995 te</para>
      <para>handhaven. Eiser meent dat verweerder onder deze omstandigheden bij</para>
      <para>het nemen van het thans bestreden besluit in ieder geval ook aandacht</para>
      <para>had dienen te besteden aan de inhoud van het bezwaarschrift van</para>
      <para>30 september 1996.</para>
      <para>Daarmee had naar het oordeel van verweerder een volledige</para>
      <para>herbeoordeling van zijn zaak moeten plaatsvinden, al was het maar naar</para>
      <para>de stand van zaken op de datum waarop de eerdere procedure werd</para>
      <para>afgesloten, te weten 17 oktober 1995. Gelet hierop meent eiser dat zijn</para>
      <para>tweede aanvraag van 23 oktober 1995, ook al is deze feitelijk ingediend</para>
      <para>ná de inwerkingtreding van TBV 1995/1, niet dient te worden getoetst</para>
      <para>aan de voorwaarden van die TBV, doch aan de voorwaarden van het daarvóór</para>
      <para>geldende beleid.</para>
      <para>Eiser wijst er tot slot op dat hij Koerd is, afkomstig uit</para>
      <para>Zuid-Oost-Turkije. Eiser geeft aan dat de politieke problemen waarmee</para>
      <para>zijn familie, die pro-PKK is, te kampen heeft, in de eerdere procedure</para>
      <para>niet door hem ter sprake zijn gebracht omdat hij er destijds op</para>
      <para>vertrouwde dat hij zou worden toegelaten op grond van de</para>
      <para>langdurig-illegalenregeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de nieuwe aanvraag van</para>
      <para>23 oktober 1995 terecht is afgewezen onder toepassing van artikel 4:6,</para>
      <para>tweede lid, Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1 Voorts wijst verweerder erop dat eiser geen aanspraak op toelating</para>
      <para>kan ontlenen aan het langdurig-illegalenbeleid nu aan de indiening door</para>
      <para>eiser van de nieuwe aanvraag niet een periode van minstens zes jaar</para>
      <para>onafgebroken illegaliteit is voorafgegaan. Verweerder wijst erop dat</para>
      <para>eiser ingevolge het beleid de behandeling van zijn eerste</para>
      <para>toelatingsverzoek in ons land mocht afwachten. Eiser kon derhalve in die</para>
      <para>periode niet als illegaal in aanmerking worden gebracht voor</para>
      <para>verwijdering.</para>
      <para>Daarin verschilt de periode van dat verblijf wezenlijk van het verblijf</para>
      <para>van een vreemdeling die zich nimmer ter verkrijging van een vergunning</para>
      <para>tot verblijf heeft aangemeld en, indien aangetroffen, voor verwijdering</para>
      <para>in aanmerking komt, aldus verweerder. Verweerder voert in dit verband</para>
      <para>nog aan dat de omstandigheid dat in de toelichting bij het beleid in</para>
      <para>TBV 1996/4 is vermeld dat de ratio van het langdurig-illegalenbeleid</para>
      <para>zich verzet tegen analoge toepassing in gevallen waarin de vreemdeling</para>
      <para>op grond van artikel 9 en/of 10 Vw toelating heeft gehad, niet maakt</para>
      <para>dat daaruit a contrario de conclusie kan en mag worden getrokken dat</para>
      <para>aan andere, niet in die toelichting gespecificeerde vormen van</para>
      <para>niet-illegaal verblijf in Nederland, bij de uitvoering van het</para>
      <para>langdurig-illegalenbeleid moet worden voorbijgegaan. Verweerder beroept</para>
      <para>zich wat deze uitleg van het beleid betreft op een zijns inziens</para>
      <para>relevante overweging in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van</para>
      <para>3 juli 1996, die volgens verweerder met instemming is geciteerd</para>
      <para>in de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 19 februari 1998</para>
      <para>(AWB 97/6846 VRWET). Voorts wijst verweerder op uitspraken van deze</para>
      <para>rechtbank van 13 mei 1998 (AWB 97/2888 VRWET, nevenzittingsplaats</para>
      <para>Amsterdam), 25 juni 1998 (AWB 97/11738 VRWET, nevenzittingsplaats</para>
      <para>Amsterdam), 6 november 1998 (AWB 98/260 en 97/8656 VRWET,</para>
      <para>nevenzittingsplaats Haarlem), 19 februari 1999 (AWB 98/138 VRWET)</para>
      <para>en 8 maart 1999 (AWB 98/1843 V1, nevenzittingsplaats Den Bosch).</para>
      <para>Verweerder benadrukt dat het beleid dat een tweede aanvraag niet alsnog</para>
      <para>tot inwilliging kan leiden en dat, in het verlengde hiervan, de periode</para>
      <para>ná de indiening van de eerste toelatingsaanvraag niet meetelt, door de</para>
      <para>Rechtseenheidskamer in haar uitspraak van 28 november 1996</para>
      <para>(AWB 96/7820 VRWET) als niet onredelijk is aanvaard. Ten aanzien van</para>
      <para>de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 september 1998 stelt</para>
      <para>verweerder zich op het standpunt dat de rechtbank daarin ten onrechte</para>
      <para>heeft geoordeeld dat een vóór TBV 1995/1 ingediende aanvraag niet in de</para>
      <para>weg staat aan een geslaagd beroep op het langdurig-illegalenbeleid.</para>
      <para>Verweerder wijst er in dit verband mede op dat de omstandigheid dat het</para>
      <para>mogen afwachten van de behandeling van een ingediende aanvraag niet</para>
      <para>expliciet is vermeld in de weigeringsgronden van TBV 1995/1 en</para>
      <para>TBV 1996/4, niet betekent dat een eerdere aanvraag niet aan eiser kan</para>
      <para>worden tegengeworpen. Verweerder voert daartoe aan dat de</para>
      <para>weigeringsgronden in deze TBV's immers niet limitatief zijn opgesomd,</para>
      <para>nu daarin de volgende formulering wordt gebezigd: 'Een aanvraag om</para>
      <para>toelating wordt in elk geval [onderstreping van verweerder] niet</para>
      <para>ingewilligd indien er sprake is van één van de volgende</para>
      <para>weigeringsgronden.'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 Verweerder wijst er op dat eiser heeft aangevoerd dat hij bepaalde</para>
      <para>aspecten met betrekking tot zijn Koerdische afkomst, die hij in zijn</para>
      <para>eerdere toelatingsprocedure niet heeft gemeld omdat hij meende dat hij</para>
      <para>aanspraak had op toelating op grond van het langdurig-illegalenbeleid,</para>
      <para>in deze tweede procedure wel naar voren wenst te brengen. Verweerder</para>
      <para>acht deze processuele opstelling van eiser te laken. Verweerder voert</para>
      <para>daartoe aan dat weliswaar niet is vereist dat nieuw gebleken feiten</para>
      <para>dateren van ná de eerdere beslissing, doch voorwaarde is wel dat de</para>
      <para>betrokkene die feiten niet eerder heeft kunnen [onderstreping van</para>
      <para>verweerder] inbrengen. Duidelijk is dat de zogenaamd nieuw gebleken</para>
      <para>feiten, betrekking hebbend op de Koerdische afkomst van eiser, eerder</para>
      <para>bij eiser bekend waren, doch dat hij er om hem moverende redenen voor</para>
      <para>heeft gekozen om die feiten niet in te brengen. Dergelijke feiten</para>
      <para>kunnen dan in de tweede procedure niet als nieuw gebleken feiten en</para>
      <para>omstandigheden worden aangemerkt, aldus verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3 Verweerder is ten slotte van oordeel dat ook overigens ten aanzien</para>
      <para>van eiser niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat</para>
      <para>aan de gestelde voorwaarden tot toelating voorbij moet worden gegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf worden geweigerd op gronden aan het algemeen</para>
      <para>belang ontleend.</para>
      <para>Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en</para>
      <para>werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van genoemd</para>
      <para>artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens</para>
      <para>verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts</para>
      <para>voor toelating in aanmerking komen, indien met hun toelating hier te</para>
      <para>lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van</para>
      <para>klemmende redenen van humanitaire aard. Dit beleid is neergelegd in de</para>
      <para>Vreemdelingencirculaire 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de indiening,</para>
      <para>23 oktober 1995, van de aanvraag om toelating en ook ten tijde van het</para>
      <para>bestreden besluit, 23 oktober 1997, het beleid inzake langdurig</para>
      <para>illegalen gold, zoals dit is gewijzigd met ingang van het Tussentijds</para>
      <para>Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) van 7 maart 1995 (TBV 1995/1),</para>
      <para>gepubliceerd in de Staatscourant van 15 maart 1995. TBV 1995/1 is</para>
      <para>nadien (in verweerders terminologie:) verduidelijkt bij TBV 1996/4 van</para>
      <para>8 mei 1996, gepubliceerd in de Staatscourant van 10 mei 1996.</para>
      <para>Verweerder heeft voorts op 8 mei 1996 een (interne) IND-werkinstructie</para>
      <para>nr. 61 uitgebracht, waarin ten aanzien van dit beleidsonderdeel in een</para>
      <para>overgangsregeling is voorzien en waarin de positie van illegalen met</para>
      <para>een gezin hier te lande (met name schoolgaande kinderen) nader is</para>
      <para>belicht. Nadat verweerder had geconstateerd dat zich in de</para>
      <para>uitvoeringspraktijk interpretatieverschillen voordeden, heeft</para>
      <para>verweerder op 14 augustus 1996 een (interne) IND-werkinstructie nr. 86</para>
      <para>uitgebracht, waarmee IND-werkinstructie nr. 61 is komen te vervallen.</para>
      <para>IND-werkinstructie nr. 86 bevat een herformulering van de</para>
      <para>overgangsregeling. Voorts heeft verweerder in IND-werkinstructie nr. 86</para>
      <para>een instructie vastgesteld ten aanzien van afdoening van zaken van vóór</para>
      <para>15 maart 1995 (hierna: het oude beleid) en van zaken van op of ná</para>
      <para>15 maart 1995 (hierna: het nieuwe beleid). Ten slotte heeft verweerder</para>
      <para>in IND-werkinstructie nr. 86 onder het kopje 'Overige aandachtspunten'</para>
      <para>enkele onderdelen van het beleid nader omschreven.</para>
      <para>Verweerder heeft in IND-werkinstructie nr. 86 benadrukt dat met de</para>
      <para>inwerkingtreding van TBV 1996/4 geen nieuw toetsingskader wordt</para>
      <para>gecreëerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. In TBV 1996/4 is het langdurig-illegalenbeleid in de volgende</para>
      <para>bewoordingen weergegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>'1. Inleiding</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van ontwikkelingen in de jurisprudentie op</para>
      <para>het terrein van de toelating van langdurig illegalen en</para>
      <para>gebleken onduidelijkheid bij de uitvoering van mijn circulaire</para>
      <para>van 7 maart 1995 (TBV 1995/1) heb ik besloten om de genoemde</para>
      <para>circulaire te verduidelijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overheid voert al enige jaren een beleid dat gericht is op</para>
      <para>het ontmoedigen van illegaal verblijf in Nederland. Een</para>
      <para>uitgangspunt van het vreemdelingenbeleid is en blijft dat</para>
      <para>illegale vreemdelingen het land dienen te verlaten. Dit neemt</para>
      <para>niet weg dat er in individuele gevallen sprake kan zijn van</para>
      <para>dermate bijzondere omstandigheden, dat toelating op grond van</para>
      <para>klemmende redenen van humanitaire aard is geïndiceerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Voorwaarden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere</para>
      <para>omstandigheden om in het individuele geval af te wijken van</para>
      <para>het staand beleid ten aanzien van illegalen, dient in het</para>
      <para>bijzonder aandacht te worden besteed aan de band die de</para>
      <para>betrokken vreemdeling met Nederland heeft opgebouwd tijdens</para>
      <para>zijn illegaal verblijf hier te lande en de banden die hij nog</para>
      <para>heeft met het land van herkomst. Daarbij zijn onder meer van</para>
      <para>belang: de aard en totale duur van het verblijf in Nederland,</para>
      <para>de gezinssituatie, kennis van de Nederlandse taal en</para>
      <para>bekendheid bij andere overheidsdiensten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om voor toelating in aanmerking te kunnen komen dient de</para>
      <para>betrokken vreemdeling minimaal te voldoen aan de volgende</para>
      <para>voorwaarden:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a. op het moment van aanvraag om toelating moet de</para>
      <para>vreemdeling kunnen aantonen minimaal zes jaar ononderbroken in</para>
      <para>Nederland te hebben verbleven direct voorafgaand aan de</para>
      <para>aanvraag om toelating;</para>
      <para>b. gedurende deze periode moet de vreemdeling ononderbroken</para>
      <para>inkomen hebben verkregen uit arbeid waarvoor premies en</para>
      <para>belastingen zijn betaald danwel inkomen hebben genoten uit een</para>
      <para>inkomensvervangende uitkering waarvoor premies en belastingen</para>
      <para>zijn afgedragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ad a. en b.:</para>
      <para>Uit het voorgaande blijkt dat er op het onderhavige terrein</para>
      <para>sprake is van een uitzonderingsbeleid. Het illegalenbeleid is</para>
      <para>dan ook nadrukkelijk en uitsluitend bedoeld voor diegenen die</para>
      <para>langdurig illegaal in Nederland verblijven. De ratio van dit</para>
      <para>beleid verzet zich dan ook tegen analoge toepassing in</para>
      <para>gevallen waarin een vreemdeling op grond van het bepaalde in</para>
      <para>de artikelen 9 en/of 10 van de Vreemdelingenwet 1994 in</para>
      <para>Nederland heeft verbleven. In voorkomende gevallen dient bij</para>
      <para>de beoordeling van een beroep op het onderhavige beleid een</para>
      <para>periode van legaal verblijf buiten beschouwing te blijven. De</para>
      <para>voorwaarden voor voortgezet verblijf zijn immers limitatief in</para>
      <para>het reguliere toelatingsbeleid vastgelegd.</para>
      <para>(..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Weigeringsgronden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een aanvraag om toelating wordt in elk geval niet ingewilligd</para>
      <para>indien er sprake is van één van de volgende weigeringsgronden:</para>
      <para>a. gecontroleerd vertrek in de periode onder 2 genoemd;</para>
      <para>b. het verstrekken van onjuiste gegevens;</para>
      <para>c. het bezit van valse documenten;</para>
      <para>d. criminele activiteiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Toelatingsprocedure en bevoegdhedenverdeling</para>
      <para>(..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Beperking en voorschrift</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien verblijf wordt toegestaan wordt een vergunning tot</para>
      <para>verblijf zonder beperking verleend.</para>
      <para>(..)'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. De rechtbank gaat hier allereerst in op de vraag of het indienen van</para>
      <para>een nieuwe aanvraag na indiening (en eventueel -zoals in casu- ook</para>
      <para>afwijzing) van (een) eerdere anvra(a)g(en) onder het oude beleid,</para>
      <para>(alsnog) kan leiden tot toelating op grond van het</para>
      <para>langdurig-illegalenbeleid.</para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat dienaangaande in IND-werkinstructie</para>
      <para>nr. 86 is opgenomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>'het indienen van een nieuwe aanvraag na afwijzing van een eerdere</para>
      <para>aanvraag</para>
      <para>Onder het oude beleid hebben dergelijke aanvragen in de</para>
      <para>meeste gevallen alsnog tot een inwilliging geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder het nieuwe beleid dienen dergelijke aanvragen te worden</para>
      <para>afgewezen. Gedurende de behandeling van de eerste aanvraag</para>
      <para>verblijft de vreemdeling immers met instemming van het bevoegd</para>
      <para>gezag in Nederland. Leidt de behandeling uiteindelijk tot een</para>
      <para>afwijzing dat zal (-) een aanzegging krijgen Nederland te</para>
      <para>verlaten. Het te vroeg indienen van de aanvraag komt voor</para>
      <para>rekening en risico van de vreemdeling.</para>
      <para>(..)'</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. De rechtbank constateert allereerst dat de tekst van</para>
      <para>IND-werkinstructie nr. 86 er geen misverstand over laat bestaan dat</para>
      <para>onder het oude beleid aan de vreemdeling in de praktijk niet werd</para>
      <para>tegengeworpen dat hij reeds eerder een aanvraag had ingediend. In dit</para>
      <para>opzicht was de beslispraktijk onder het oude beleid dus kennelijk</para>
      <para>soepeler dan verweerder blijkens het gestelde in IND-werkinstructie</para>
      <para>nr. 86 met het nieuwe beleid beoogt.</para>
      <para>De in IND-werkinstructie nr. 86 opgenomen formulering, die toelating</para>
      <para>op grond van het langdurig-illegalenbeleid uitsluit indien de</para>
      <para>vreemdeling een eerdere aanvraag heeft ingediend, is derhalve aan te</para>
      <para>merken als een materiële beleidswijziging die een beperking inhoudt</para>
      <para>van de mogelijkheid tot het voldoen aan de vereisten voor toelating</para>
      <para>op grond van het langdurig-illegalenbeleid.</para>
      <para>Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder</para>
      <para>gelegen om deze aanscherping van het beleid uitdrukkelijk neer te</para>
      <para>leggen in de Vreemdelingencirculaire (eventueel bij TBV). Nu verweerder</para>
      <para>dit heeft nagelaten, kan een eerdere, onder het oude beleid ingediende</para>
      <para>(en eventueel afgewezen) aanvraag niet worden tegengeworpen aan een</para>
      <para>vreemdeling die opnieuw een aanvraag heeft ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Verweerder heeft een beroep gedaan op een aantal rechterlijke</para>
      <para>uitspraken ter onderbouwing van zijn stelling dat onder het nieuwe</para>
      <para>beleid een eerdere aanvraag in de weg staat aan toelating op grond van</para>
      <para>het langdurig-illegalenbeleid.</para>
      <para>In het licht van IND-werkinstructie nr. 86 en hetgeen de rechtbank</para>
      <para>hiervoor heeft overwogen over de reikwijdte van die werkinstructie,</para>
      <para>komt aan de door verweerder aangehaalde jurisprudentie niet (meer) de</para>
      <para>betekenis toe die verweerder daaraan (nog steeds) gehecht wil zien.</para>
      <para>Hieraan voegt de rechtbank toe dat in de zaak die heeft geleid tot de</para>
      <para>uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 28 november 1996, primair de</para>
      <para>vraag ter beoordeling stond of verweerder onder het nieuwe beleid mag</para>
      <para>eisen dat direct voorafgaand aan het moment van indiening van de</para>
      <para>aanvraag om toelating sprake is van zes jaar ononderbroken verblijf in</para>
      <para>Nederland en ononderbroken inkomen uit -kort gezegd- 'witte' arbeid dan</para>
      <para>wel een inkomensvervangende uitkering. In dat verband heeft de</para>
      <para>Rechtseenheidskamer zich in die uitspraak tevens uitgelaten over de</para>
      <para>situatie van een onder het nieuwe beleid ingediende herhaalde aanvraag,</para>
      <para>nadat de eerdere aanvraag ook al onder het nieuwe beleid was ingediend</para>
      <para>(en eventueel afgewezen). De in de zaak van eiser aan de orde zijnde</para>
      <para>situatie betreft een eerdere aanvraag die is ingediend onder het oude</para>
      <para>beleid.</para>
      <para>Verweerders beroep op de door hem aangehaalde jurisprudentie faalt dan</para>
      <para>ook.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. De rechtbank stelt vast dat eiser op 7 januari 1993 een eerdere</para>
      <para>aanvraag om toelating heeft ingediend, derhalve onder het oude beleid.</para>
      <para>Verweerder heeft de weigering in het thans bestreden besluit om aan</para>
      <para>eiser toelating te verlenen primair gemotiveerd door te verwijzen naar</para>
      <para>zijn eerdere afwijzende besluit van 27 juni 1994 en de uitspraak van de</para>
      <para>president van de rechtbank van 17 oktober 1995, waardoor het afwijzende</para>
      <para>besluit onherroepelijk was geworden. Daarnaast heeft verweerder de</para>
      <para>weigering van toelating van eiser in het thans bestreden besluit</para>
      <para>gemotiveerd met de overweging dat die eerder door eiser ingediende</para>
      <para>aanvraag in de weg staat aan inwilliging van de aanvraag van</para>
      <para>23 oktober 1995 op grond van het langdurig-illegalenbeleid.</para>
      <para>Aldus berust, gelet op al het vorenoverwogene, het bestreden besluit op</para>
      <para>een ondeugdelijke motivering. Het beroep is mitsdien gegrond en het</para>
      <para>bestreden besluit dient te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de overige stellingen van</para>
      <para>partijen onbesproken laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ten aanzien van het beroep van eiseres:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Reeds gezien de samenhang tussen het beroep van eiser en dat van</para>
      <para>zijn echtgenote, dient het beroep van de echtgenote eveneens gegrond te</para>
      <para>worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel</para>
      <para>8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte</para>
      <para>proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het</para>
      <para>Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor</para>
      <para>het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op</para>
      <para>29 april 1999; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb</para>
      <para>de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eisers het</para>
      <para>betaalde griffierecht ad f 210,- dient te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING:</para>
    <para />
    <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,</para>
    <para />
    <para>RECHT DOENDE:</para>
    <para />
    <para>1. verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>2. vernietigt de bestreden besluiten;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van</para>
      <para>hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,-.</para>
      <para>Gebleken is dat aan eisers geen toevoeging is verleend krachtens de</para>
      <para>Wet op de rechtsbijstand, zodat de betaling van dit bedrag dient te</para>
      <para>geschieden aan eisers;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter</para>
      <para>vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad f 210,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mrs. A.C.J. van Dooijeweert, C.W. Rang en</para>
      <para>M.A.A. Mondt-Schouten en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 1999</para>
      <para>door mr. A.C.J. van Dooijeweert, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. drs. R. Depping, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>griffier                    voorzitter</para>
    <para />
    <para />
    <para>afschrift verzonden op: 10 juni 1999</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>