<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-10T09:25:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBSGR:1999:ZA5543</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA1041</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_s-Gravenhage" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank 's-Gravenhage</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-11-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 99/6241 VRWET</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:5&amp;g=1999-11-10">Algemene wet bestuursrecht 4:5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:2&amp;g=1999-11-10">Algemene wet bestuursrecht 4:2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1041">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1041</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:31:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1041 Rechtbank 's-Gravenhage , 10-11-1999 / AWB 99/6241 VRWET</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1041:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1041:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
      <para>Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>________________________________________________________</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
      <para>ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>juncto artikel 33a Vreemdelingenwet</para>
      <para>________________________________________________________</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Reg.nr.: AWB 99/6241 VRWET</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inzake: A, wonende te B, eiseres,</para>
      <para>gemachtigde mr. P.J. van den Hoogen, advocaat te Eindhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde</para>
      <para>mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eiseres, geboren op [...] 1968, bezit de Braziliaanse</para>
      <para>nationaliteit. Zij verblijft sedert 27 maart 1996 als vreemdeling in de</para>
      <para>zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Zij heeft op</para>
      <para>18 februari 1997 bij de korpschef van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost</para>
      <para>een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met</para>
      <para>als doel: "verblijf bij Nederlandse partner C en</para>
      <para>het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat</para>
      <para>verblijf".</para>
      <para>Bij besluit van 11 augustus 1997 heeft verweerder de aanvraag niet</para>
      <para>ingewilligd. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij</para>
      <para>bezwaarschrift van 22 augustus 1997.</para>
      <para>Bij brief van 7 oktober 1997 heeft verweerder aan eiseres bericht dat</para>
      <para>zij de beslissing op haar bezwaarschrift niet in Nederland mag</para>
      <para>afwachten. Daarop heeft eiseres op 15 oktober 1997 een verzoek om een</para>
      <para>voorlopige voorziening ingediend, inhoudende een verbod tot uitzetting</para>
      <para>totdat op het bezwaar is beslist.</para>
      <para>Verweerder heeft bij besluit van 16 oktober 1997 het bezwaar (kennelijk)</para>
      <para>ongegrond verklaard. Dit besluit is diezelfde dag verzonden naar de</para>
      <para>gemachtigde van eiseres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Tegen het besluit van 16 oktober 1997 heeft eiseres bij beroepschrift</para>
      <para>van 31 oktober 1997 beroep ingesteld bij de rechtbank,</para>
      <para>nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch. Eveneens op 31 oktober 1997 heeft</para>
      <para>eiseres aangegeven dat het petitum van het op 15 oktober 1997 ingediende</para>
      <para>verzoek om een voorlopige voorziening wordt gewijzigd in die zin dat</para>
      <para>thans wordt verzocht om een verbod tot uitzetting totdat op het beroep</para>
      <para>is beslist.</para>
      <para>Bij brief van 27 november 1997 heeft eiseres de gronden van het beroep</para>
      <para>ingediend. Op 5 december 1997 en 17 maart 1998 heeft eiseres nadere</para>
      <para>stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. In het verweerschrift van 1 maart 1999 heeft verweerder geconcludeerd</para>
      <para>tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en tot</para>
      <para>ongegrondverklaring van het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft</para>
      <para>plaatsgevonden op 5 maart 1999. Bij uitspraak van 9 maart 1999 heeft de</para>
      <para>president van de rechtbank het verzoek toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Bij brief van 27 april 1999 is verweerder, onder verwijzing naar het</para>
      <para>verweerschrift van 1 maart 1999, nader ingegaan op de stellingen van</para>
      <para>eiseres. Eiseres heeft bij brief van 12 mei 1999 haar standpunt nader</para>
      <para>gemotiveerd en voorts nadere stukken ingezonden. De behandeling van het</para>
      <para>beroep heeft plaatsgevonden op 25 mei 1999.</para>
      <para>Op 6 juli 1999 heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen in</para>
      <para>verband met de problematiek ten aanzien van het aantonen van het</para>
      <para>ongehuwd-zijn met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen</para>
      <para>geverifieerde) bescheiden indien toelating wordt beoogd voor verblijf</para>
      <para>bij partner. De rechtbank heeft de zaak vervolgens ter verdere</para>
      <para>behandeling en beslissing verwezen naar de Rechtseenheidskamer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Op 6 augustus 1999 heeft verweerder, onder verwijzing naar het</para>
      <para>verweerschrift van 1 maart 1999, een aanvullend verweerschrift ingediend</para>
      <para>waarin hij zijn standpunt dat het beroep ongegrond dient te worden</para>
      <para>verklaard, heeft gehandhaafd.</para>
      <para>Bij brief van 31 augustus 1999 heeft eiseres gerepliceerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 20 september 1999 vragen</para>
      <para>gesteld. Verweerder is op deze vragen ingegaan in de nota van dupliek</para>
      <para>van 27 september 1999.</para>
      <para>Eiseres heeft op 28 september 1999 nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het beroep is verder behandeld ter zitting van 30 september 1999.</para>
      <para>Eiseres is aldaar verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich</para>
      <para>doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
      <para>Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen onder de</para>
      <para>nummers AWB 99/6230 VRWET, AWB 99/6235 VRWET en AWB 99/6240 VRWET.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit van 16 oktober 1997</para>
      <para>aan eiseres de toelating geweigerd omdat zij ten tijde van dat besluit</para>
      <para>niet met officiële en gelegaliseerde documenten heeft aangetoond dat zij</para>
      <para>ongehuwd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte</para>
      <para>stand kan houden, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1 Eiseres heeft op 18 februari 1997, bij de indiening van haar</para>
      <para>aanvraag om toelating, verklaard dat zij in Brazilië gehuwd is geweest,</para>
      <para>welk huwelijk in 1990 is ontbonden door echtscheiding.</para>
      <para>Medio september 1997 heeft eiseres bij de vreemdelingendienst overgelegd</para>
      <para>een op 23 juli 1997 ten overstaan van een notaris te Belém, Brazilië,</para>
      <para>verleden akte waarin - volgens de vertaling ervan - twee getuigen</para>
      <para>verklaren dat eiseres "tot en met heden ongehuwd is". Dit document is op</para>
      <para>5 september 1997 door de Minister van Buitenlandse Zaken gelegaliseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2 In het departementaal dossier bevindt zich een notitie van een</para>
      <para>telefoongesprek van 14 oktober 1997 van een medewerker van de IND met de</para>
      <para>gemachtigde van eiseres. Daarin is vermeld dat bedoelde IND-medewerker</para>
      <para>op die dag aan de gemachtigde heeft meegedeeld dat de overgelegde</para>
      <para>notariële akte onvoldoende is omdat, blijkens het handboek `Burgerlijke</para>
      <para>stand en buitenlanders', in Brazilië de rechtsgevolgen van de</para>
      <para>echtscheiding pas in werking treden door de inschrijving van de</para>
      <para>echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. In de</para>
      <para>telefoonnotitie is verder vermeld dat de IND-medewerker heeft aangegeven</para>
      <para>dat het voor eiseres mogelijk moet zijn "een officieel document" te</para>
      <para>krijgen van de inschrijving van de echtscheiding. Ten slotte is in de</para>
      <para>telefoonnotitie vermeld dat de IND-medewerker aan de gemachtigde heeft</para>
      <para>toegezegd hem per faxbericht de relevante pagina uit genoemd handboek</para>
      <para>toe te zenden. Bedoelde pagina is diezelfde dag per faxbericht aan de</para>
      <para>gemachtigde verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3 Bij brief van 27 november 1997 heeft eiseres overgelegd een</para>
      <para>huwelijksakte, afgegeven op 20 oktober 1997, waarin - volgens de</para>
      <para>vertaling ervan - is vermeld dat eiseres op 19 december 1986 is gehuwd</para>
      <para>met D, geboren op [...] 1959. Op de achterzijde van</para>
      <para>deze akte is aangetekend dat de echtscheiding is uitgesproken door de</para>
      <para>rechter op 10 december 1990 en dat de echtscheiding op 27 december 1990</para>
      <para>is ingeschreven.</para>
      <para>Deze huwelijksakte, met daarop de aantekening van de echtscheiding, is</para>
      <para>blijkens een daarop aangebracht stempel door de Minister van</para>
      <para>Buitenlandse Zaken gelegaliseerd. De datum van de legalisatie is evenwel</para>
      <para>niet ingevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor toelating voor verblijf</para>
      <para>bij Nederlandse partner. Daarbij beroept zij zich op hoofdstuk B1/3 van</para>
      <para>de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1 Eiseres bestrijdt niet dat zij eerst ná het bestreden besluit een</para>
      <para>gelegaliseerde huwelijksakte met daarop de aantekening van echtscheiding</para>
      <para>heeft overgelegd. Zij stelt zich evenwel op het standpunt dat de ex</para>
      <para>tunc-toetsing er niet aan in de weg staat dat de rechter met deze akte</para>
      <para>rekening houdt nu daaruit blijkt dat zij ten tijde van het bestreden</para>
      <para>besluit ongehuwd was. Eiseres benadrukt dat zij bij de indiening van</para>
      <para>haar aanvraag om toelating reeds heeft aangegeven ongehuwd te zijn. Het</para>
      <para>betreft hier derhalve slechts het bewijs van een reeds eerder gesteld</para>
      <para>feit en niet een nieuw geschilpunt, aldus eiseres.</para>
      <para>Eiseres tekent hierbij aan dat de artikelen 3:2 en 4:2, tweede lid, Awb</para>
      <para>ten opzichte van elkaar niet duidelijk zijn begrensd. Er kan derhalve</para>
      <para>verschil van mening bestaan over de vraag wie (het bestuursorgaan of de</para>
      <para>aanvrager) dient zorg te dragen voor het opvoeren van wélke feiten. Naar</para>
      <para>de mening van eiseres zal de rechter in beroep deze grens eventueel zelf</para>
      <para>moeten trekken.</para>
      <para>Eiseres wijst er op dat verweerder haar pas in de bezwaarfase heeft</para>
      <para>laten weten dat de door haar medio september 1997 overgelegde notariële</para>
      <para>akte niet voldoende was. Daartoe heeft verweerder op 14 oktober 1997</para>
      <para>telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiseres. In dat</para>
      <para>telefoongesprek heeft verweerder haar gemachtigde zelfs meegedeeld welk</para>
      <para>document nu precies moest worden overgelegd. Aldus heeft verweerder het</para>
      <para>vertrouwen gewekt dat haar een zekere hersteltermijn werd gegund om</para>
      <para>alsnog het vereiste document over te leggen. Ook hierom is eiseres van</para>
      <para>oordeel dat het na het bestreden besluit overgelegde bewijs van</para>
      <para>ongehuwd-zijn dient te worden meegenomen in de onderhavige</para>
      <para>beroepsprocedure.</para>
      <para>Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres onder meer verwezen</para>
      <para>naar diverse rechterlijke uitspraken en commentaar van (juridische)</para>
      <para>wetenschappers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2 Eiseres wijst op TBV 1998/27 van 20 november 1998 waarin is</para>
      <para>neergelegd dat het vereiste van officiële en gelegaliseerde bescheiden</para>
      <para>een zelfstandig toelatingsvereiste vormt, in die zin dat voor toelating</para>
      <para>in het kader van het partnerbeleid niet alleen is vereist dat beide</para>
      <para>partners ongehuwd zijn, maar ook dat zij hun ongehuwde staat aan de hand</para>
      <para>van bedoelde bescheiden aantonen. Volgens de in TBV 1998/27 opgenomen</para>
      <para>toelichting op dit onderdeel beoogt verweerder met dit TBV de in</para>
      <para>hoofdstuk B1 Vc neergelegde beleidsregels te verduidelijken. Volgens</para>
      <para>eiseres is er op dit onderdeel evenwel geen sprake van een</para>
      <para>verduidelijking van beleid, maar van een wijziging (aanscherping) van</para>
      <para>beleid. Voorzover de bij TBV 1998/27 gewijzigde beleidsregel de</para>
      <para>redelijkheidstoets al zou kunnen doorstaan, is deze wijziging naar de</para>
      <para>mening van eiseres in elk geval op haar niet van toepassing nu haar</para>
      <para>aanvraag om toelating dateert van vóór de bekendmaking van TBV 1998/27.</para>
      <para>Eiseres voert ten slotte nog aan dat (ook) uit hetgeen in TBV 1998/27 is</para>
      <para>opgenomen omtrent de wijze van afdoening van een aanvraag om toelating</para>
      <para>indien geen officieel en gelegaliseerd (en in bepaalde gevallen</para>
      <para>geverifieerd) bescheid is overgelegd, te weten buiten behandeling</para>
      <para>stelling van de aanvraag, blijkt dat hier sprake is van een wijziging</para>
      <para>van beleid. Eiseres wijst er in dit verband op dat haar aanvraag,</para>
      <para>ondanks het ontbreken van een dergelijk bescheid, in behandeling is</para>
      <para>genomen. Bovendien heeft verweerder in zijn brief van 27 april 1999</para>
      <para>- derhalve daterend van ná TBV 1998/27 - uitdrukkelijk als zijn</para>
      <para>standpunt neergelegd dat in ieder geval vóórdat de beschikking op</para>
      <para>bezwaar wordt genomen, moet zijn aangetoond dat iemand ongehuwd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan eiseres terecht en op</para>
      <para>goede gronden de toelating is geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1 Verweerder heeft er naar zijn oordeel nooit een misverstand over</para>
      <para>laten bestaan dat het vereiste van het aantonen van het ongehuwd-zijn</para>
      <para>met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde)</para>
      <para>documenten bij de uitvoering van hoofdstuk B1 Vc een zelfstandig</para>
      <para>toelatingsvereiste vormt. Dit vereiste is geen beleidsregel omtrent de</para>
      <para>vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Dit</para>
      <para>vereiste is - als gezegd - een zelfstandige eis die in het kader van het</para>
      <para>partnerbeleid wordt gesteld, aldus verweerder.</para>
      <para>Met betrekking tot dit aspect beoogt TBV 1998/27 van 20 november 1998</para>
      <para>geen beleidswijziging in het leven te roepen. TBV 1998/27 moet worden</para>
      <para>gezien als een reactie op een aantal uitspraken van de</para>
      <para>nevenzittingsplaats Amsterdam (waaronder de uitspraak van 2 maart 1998,</para>
      <para>gepubliceerd in JV 1998/61), waarin werd geoordeeld dat dit vereiste</para>
      <para>geen extra inhoudelijke eis voor toelating betreft, maar een regel van</para>
      <para>bewijsrecht bevat met betrekking tot het ongehuwd-zijn. Gelet op</para>
      <para>bedoelde uitspraken is verweerder ertoe overgegaan om in TBV 1998/27</para>
      <para>voor alle duidelijkheid nog eens expliciet vast te leggen dat er in dit</para>
      <para>kader sprake is van een zelfstandig toelatingsvereiste. In TBV 1998/27</para>
      <para>wordt met betrekking tot dit aspect dus slechts geldend beleid</para>
      <para>weergegeven, aldus verweerder.</para>
      <para>Verweerder benadrukt dat wat de toepassing van artikel 4:5 Awb betreft</para>
      <para>er wel sprake is van een beleidswijziging. Vóór TBV 1998/27 werd artikel</para>
      <para>4:5 Awb in beginsel in deze situatie niet toegepast. Wat dit aspect</para>
      <para>betreft, is dus sprake van een aanscherping van het beleid, welke</para>
      <para>aanscherping geldt vanaf 1 december 1998. Dit betekent dat indien bij</para>
      <para>een aanvraag van vóór 1 december 1998 niet de vereiste documenten waren</para>
      <para>overgelegd, deze aanvraag veelal (toch) inhoudelijk werd afgedaan,</para>
      <para>terwijl vanaf genoemde datum een dergelijke aanvraag met toepassing van</para>
      <para>artikel 4:5 Awb wordt afgedaan.</para>
      <para>In zaken, als de onderhavige, waarin artikel 4:5 Awb niet is toegepast,</para>
      <para>kan een in de bezwaarfase overgelegd officieel en gelegaliseerd (en in</para>
      <para>bepaalde gevallen geverifieerd) document nog worden meegenomen. Dat</para>
      <para>geldt vanzelfsprekend niet voor "nieuwe" zaken waarin immers artikel 4:5</para>
      <para>Awb wordt toegepast. Verweerder benadrukt dat zijn opmerking in de brief</para>
      <para>van 27 april 1999 over het meenemen in de bezwaarfase van de vereiste</para>
      <para>documenten aldus moet worden verstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2 De rechtbank heeft verweerder op 20 september 1999 verzocht om aan</para>
      <para>te geven op welke grond naar zijn oordeel artikel 4:5 Awb kan worden</para>
      <para>toegepast, indien de vreemdeling zijn ongehuwde staat niet met de</para>
      <para>vereiste documenten heeft aangetoond. Verweerder heeft daarop geantwoord</para>
      <para>dat onder die omstandigheid niet kan worden beoordeeld of wordt voldaan</para>
      <para>aan het vereiste van ongehuwd-zijn. Er is alsdan sprake van een situatie</para>
      <para>waarin de verstrekte bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van</para>
      <para>de aanvraag, aldus verweerder. Daarom kan volgens verweerder, bij het</para>
      <para>ontbreken van de vereiste documenten en na het ongebruikt verstrijken</para>
      <para>van een hersteltermijn, artikel 4:5 Awb worden toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3 Verweerder wijst er op dat in de zaak van eiseres artikel 4:5 Awb</para>
      <para>niet is toegepast. Dit betekent dat tot het besluit op bezwaar rekening</para>
      <para>kon worden gehouden met alsnog overgelegde officiële en gelegaliseerde</para>
      <para>documenten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan eiseres de</para>
      <para>toelating terecht is geweigerd nu zij ten tijde van het bestreden</para>
      <para>besluit niet met een officieel en gelegaliseerd document heeft</para>
      <para>aangetoond ongehuwd te zijn. De op 20 oktober 1997 afgegeven</para>
      <para>huwelijksakte, met daarop de aantekening van echtscheiding is eerst op</para>
      <para>27 november 1997 overgelegd, derhalve ná het bestreden besluit van</para>
      <para>16 oktober 1997. Verweerder heeft bij het nemen van dat besluit dan ook</para>
      <para>geen rekening kunnen houden met die akte. Gelet op het karakter van de</para>
      <para>door de rechter uit te voeren toetsing in beroep (ex tunc), dient ook de</para>
      <para>rechter die akte buiten beschouwing te laten, aldus verweerder.</para>
      <para>Verweerder benadrukt dat slechts een geslaagd beroep op de inherente</para>
      <para>afwijkingsbevoegdheid zou kunnen leiden tot een afwijking van het</para>
      <para>vereiste van het aantonen van de ongehuwde staat met officiële en</para>
      <para>gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde) documenten. Op de</para>
      <para>voet van artikel 4:84 Awb dient het bestuursorgaan immers overeenkomstig</para>
      <para>de beleidsregel te handelen, tenzij dat voor de vreemdeling gevolgen zou</para>
      <para>hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in</para>
      <para>verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het is aan de</para>
      <para>vreemdeling om die bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk</para>
      <para>te maken, aldus verweerder. In de visie van verweerder is van dergelijke</para>
      <para>omstandigheden in de zaak van eiseres geen sprake.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4 Verweerder bestrijdt ten slotte de stelling van eiseres dat met het</para>
      <para>telefoongesprek van 14 oktober 1997 de suggestie zou zijn gewekt dat</para>
      <para>haar nog een hersteltermijn werd gegund. Verweerder wijst er op dat</para>
      <para>eiseres er van meet af aan van op de hoogte kon zijn dat zij volgens het</para>
      <para>geldende beleid diende te beschikken over een officieel en gelegaliseerd</para>
      <para>document waaruit blijkt dat zij ongehuwd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een</para>
      <para>vergunning tot verblijf worden geweigerd op gronden aan het algemeen</para>
      <para>belang ontleend.</para>
      <para>Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en</para>
      <para>werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van genoemd</para>
      <para>artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens</para>
      <para>verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten - slechts</para>
      <para>voor toelating in aanmerking komen, indien met hun toelating hier te</para>
      <para>lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van</para>
      <para>klemmende redenen van humanitaire aard. Dit beleid is neergelegd in de</para>
      <para>Vreemdelingencirculaire.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Eiseres beoogt toelating in het kader van het partnerbeleid. Ten</para>
      <para>tijde van het bestreden besluit, 16 oktober 1997, luidde de</para>
      <para>toepasselijke, in B1/3 Vc neergelegde beleidsregel - voorzover hier van</para>
      <para>belang - als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"3.2 Algemene vereisten voor toelating van de partner</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De algemene vereisten zijn:</para>
      <para>(..)</para>
      <para>- ongehuwd zijn (zie 3.2.2);</para>
      <para>(..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.2 Beide partners dienen ongehuwd te zijn</para>
      <para>Het ongehuwd zijn moet met gelegaliseerde officiële documenten worden</para>
      <para>aangetoond (voor het vereiste van legalisatie en verificatie van</para>
      <para>bewijsstukken betreffende de staat van personen, zie A4/6.1.2.6).</para>
      <para>(..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Partijen verschillen van mening over de vraag of het aantonen van het</para>
      <para>ongehuwd-zijn met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen</para>
      <para>geverifieerde) documenten een zelfstandig toelatingsvereiste is</para>
      <para>dan wel (louter) een regel van bewijsrecht bevat met betrekking tot het</para>
      <para>ongehuwd-zijn.</para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat verweerder de tekst van de in (onder meer)</para>
      <para>B1 Vc neergelegde beleidsregels, voorzover deze betrekking hebben op</para>
      <para>officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde)</para>
      <para>bescheiden betreffende de staat van personen, heeft gewijzigd bij TBV</para>
      <para>1998/27 van 20 november 1998, gepubliceerd in de Staatscourant van 25</para>
      <para>november 1998.</para>
      <para>Deze tekstwijzigingen zijn opgenomen in een bijlage bij TBV 1998/27 en</para>
      <para>luiden - voorzover hier van belang - als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"3.2 Algemene vereisten voor toelating van de partner</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De algemene vereisten zijn:</para>
      <para>(..)</para>
      <para>- ongehuwd zijn (zie 3.2.2);</para>
      <para>- een akte betreffende de ongehuwde burgerlijke staat, die in de</para>
      <para>daarvoor in aanmerking komende gevallen is gelegaliseerd en/of</para>
      <para>geverifieerd (zie A4/6.1.2.6, B1/3.2.2a en C4);</para>
      <para>(..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.2 Beide partners dienen ongehuwd te zijn</para>
      <para>(..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.2a Beide partners dienen een officieel en gelegaliseerd document</para>
      <para>over te leggen waaruit hun ongehuwde burgerlijke staat blijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naast het vereiste dat beide partners ongehuwd moeten zijn, geldt als</para>
      <para>zelfstandig vereiste dat de ongehuwde burgerlijke staat aan de hand van</para>
      <para>officiële en gelegaliseerde bescheiden moet worden aangetoond (zie C-4</para>
      <para>Vc 1994). (..)</para>
      <para>Het ongehuwd zijn en het overleggen van officiële en gelegaliseerde</para>
      <para>bescheiden zijn twee zelfstandige voorwaarden. Aan beide voorwaarden</para>
      <para>moet dus worden voldaan. De partners dienen zowel ongehuwd te zijn en</para>
      <para>zij dienen dat door gelegaliseerde officiële bescheiden aan te tonen bij</para>
      <para>het bestuursorgaan. De aanvrager kan niet in aanmerking worden gebracht</para>
      <para>voor toelating indien slechts aan één of geen van beide voorwaarden</para>
      <para>wordt voldaan.</para>
      <para>(..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>TBV 1998/27 is bij aanvulling 23 van juli 1999 verwerkt in de Vc. De</para>
      <para>rechtbank merkt voor de goede orde op dat hetgeen in TBV 1998/27 is</para>
      <para>opgenomen onder 3.2.2a, bij aanvulling 23 in de Vc is opgenomen onder</para>
      <para>3.2.2.1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Omtrent de aanleiding tot het uitbrengen van TBV 1998/27 is in dit</para>
      <para>TBV het volgende opgenomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"1. Inleiding</para>
      <para>In dit TBV wordt een nadere toelichting gegeven op vragen die vanuit de</para>
      <para>praktijk zijn gesteld over het vereiste van gelegaliseerde documenten</para>
      <para>bij de uitvoering van hoofdstuk B1 van de Vreemdelingencirculaire.</para>
      <para>Daarbij is met name onduidelijkheid gerezen over de vraag of het</para>
      <para>vereiste van gelegaliseerde bescheiden een zelfstandig</para>
      <para>toelatingsvereiste vormt.</para>
      <para>(..)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Toelichting</para>
      <para>De voorwaarden voor toelating in het kader van het partnerbeleid</para>
      <para>(hoofdstuk B1/3 Vc 1994) behelzen onder meer dat beide partners ongehuwd</para>
      <para>zijn en dat zij hun ongehuwde staat aan de hand van officiële en</para>
      <para>gelegaliseerde bescheiden aantonen. Hierover is enige onduidelijkheid</para>
      <para>gerezen. Het betreft echter twee zelfstandige voorwaarden. Aan ieder van</para>
      <para>deze twee voorwaarden moet worden voldaan. Een vreemdeling komt immers</para>
      <para>niet in aanmerking voor toelating in het kader van hoofdstuk B1/3 Vc</para>
      <para>1994, indien</para>
      <para>a. wel officiële en gelegaliseerde bescheiden zijn overgelegd, maar (een</para>
      <para>van) de partner(s) in werkelijkheid gehuwd is; en evenmin indien</para>
      <para>b. beide partners weliswaar ongehuwd zijn, maar dat (nog) niet kunnen</para>
      <para>aantonen met officiële en gelegaliseerde bescheiden.</para>
      <para>(..)</para>
      <para>In de bijlage bij dit TBV wordt de tekst van hoofdstuk B1/3.2 Vc 1994</para>
      <para>(en vergelijkbare hoofdstukken in deel B van de Vreemdelingencirculaire)</para>
      <para>gewijzigd om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat het hier twee</para>
      <para>zelfstandige vereisten betreft, waaraan, voor de toepassing van het</para>
      <para>bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet, tegelijk moet worden</para>
      <para>voldaan. Dit betreft een tekstuele wijziging.</para>
      <para>(..)"</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder vóór de bekendmaking</para>
      <para>van TBV 1998/27 van 20 november 1998 het vereiste van het aantonen van</para>
      <para>de ongehuwde staat met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde</para>
      <para>gevallen geverifieerde) bescheiden als een bewijsvoorschrift beschouwde</para>
      <para>en niet als een materieel vereiste voor toelating. De tekst van B1/3 Vc,</para>
      <para>zoals deze luidde vóór de bekendmaking van TBV 1998/27, dwingt niet tot</para>
      <para>de interpretatie dat wel sprake was van een bewijsvoorschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Geen rechtsregel staat er aan in de weg het vereiste van het</para>
      <para>aantonen van de ongehuwde staat met officiële en gelegaliseerde (en in</para>
      <para>bepaalde gevallen geverifieerde) bescheiden te stellen als materiële</para>
      <para>voorwaarde voor toelating.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Er is geen grond voor het oordeel dat met deze beleidsregel de</para>
      <para>grenzen van een redelijke beleidsbepaling worden overschreden. Daartoe</para>
      <para>diene het volgende.</para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de eis van ongehuwd-zijn niet in een</para>
      <para>wettelijk voorschrift is gesteld, doch in een beleidsregel. De door de</para>
      <para>wetgever in artikel 11, vijfde lid, Vw aan verweerder toegekende</para>
      <para>beleidsvrijheid met betrekking tot vergunningverlening biedt naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank ook de ruimte om die eis te stellen. Eiseres</para>
      <para>heeft niet gesteld dat de eis van ongehuwd-zijn onredelijk zou zijn.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan evenmin worden gezegd dat</para>
      <para>verweerder niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is</para>
      <para>gebleven door ten aanzien van het in het beleid opgenomen feit van</para>
      <para>ongehuwd-zijn, voor te schrijven dat dit moet worden aangetoond aan de</para>
      <para>hand van gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde)</para>
      <para>documenten. Aangezien de vereiste bescheiden betrekking hebben op de</para>
      <para>staat van personen (in casu van de vreemdeling en degene bij wie</para>
      <para>toelating wordt beoogd), is het niet onredelijk dat in de beleidsregel</para>
      <para>is opgenomen dat het aan de betrokkenen is om aan de hand van</para>
      <para>gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen geverifieerde) documenten aan te</para>
      <para>tonen dat zij ongehuwd zijn. Artikel 3:2 Awb staat daaraan niet in de</para>
      <para>weg, reeds nu de in artikel 3:2 Awb neergelegde onderzoeksplicht slechts</para>
      <para>ziet op `de relevante feiten' die krachtens een wettelijk voorschrift</para>
      <para>dan wel een beleidsregel zijn betrokken bij een bepaalde</para>
      <para>vergunningverlening. In casu betreft die onderzoeksplicht primair de</para>
      <para>vraag of door de betrokkenen aan de hand van gelegaliseerde (en in</para>
      <para>bepaalde gevallen geverifieerde) documenten is aangetoond dat zij</para>
      <para>ongehuwd zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Vervolgens dient te worden nagegaan of in dit geval het beleid juist</para>
      <para>is toegepast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten tijde van het</para>
      <para>bestreden besluit niet met officiële en gelegaliseerde documenten heeft</para>
      <para>aangetoond dat zij ongehuwd is. Gelet hierop kon eiseres ten tijde van</para>
      <para>het bestreden besluit aan het partnerbeleid geen aanspraak op toelating</para>
      <para>ontlenen.</para>
      <para>De rechtbank laat overigens daar of met het door eiseres na het</para>
      <para>bestreden besluit overgelegde officiële en gelegaliseerde document is</para>
      <para>aangetoond dat zij ongehuwd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14. Voorzover eiseres heeft bedoeld een beroep op het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel dan wel zorgvuldigheidsbeginsel te doen, moet dit</para>
      <para>falen.</para>
      <para>De rechtbank acht, gelet op de inhoud van de notitie van een</para>
      <para>telefoongesprek van 14 oktober 1997, niet uitgesloten dat bij de</para>
      <para>gemachtigde van eiseres de gedachte had postgevat dat eiseres nog enige</para>
      <para>tijd zou worden gegund om het vereiste document te overleggen. De</para>
      <para>rechtbank ziet evenwel geen grond voor het oordeel dat verweerder in</para>
      <para>dezen was gehouden om de beslissing op het bezwaar aan te houden.</para>
      <para>Daartoe is in overweging genomen dat niet is gebleken dat de</para>
      <para>IND-medewerker op 14 oktober 1997 aan de gemachtigde de toezegging heeft</para>
      <para>gedaan dat aan eiseres nog een termijn zou worden gegund om de vereiste</para>
      <para>documenten te overleggen. Evenmin is gebleken dat de gemachtigde om een</para>
      <para>dergelijke termijn heeft verzocht. Daarbij komt nog dat eiseres</para>
      <para>ingevolge het beleid in beginsel reeds bij de indiening van de aanvraag,</para>
      <para>18 februari 1997, diende te beschikken over de vereiste documenten.</para>
      <para>Voorzover eiseres ten slotte heeft bedoeld te stellen dat zij niet kon</para>
      <para>weten dat de door haar overlegde notariële akte onvoldoende was,</para>
      <para>overweegt de rechtbank dat naar het nationale recht van eiseres de</para>
      <para>rechtsgevolgen van een echtscheiding in werking treden door inschrijving</para>
      <para>van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Het had</para>
      <para>op de weg van eiseres gelegen om, bij onbekendheid op dit onderdeel met</para>
      <para>de in haar land van herkomst geldende bepalingen, zich hierover te</para>
      <para>informeren. Eiseres heeft dit kennelijk nagelaten. De gevolgen daarvan</para>
      <para>dienen dan ook voor haar rekening en risico te worden gelaten.</para>
      <para>Gezien al het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat</para>
      <para>verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door kort na het telefoongesprek</para>
      <para>over te gaan tot het nemen van een beslissing op het bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. Gesteld noch gebleken is dat eiseres aan enige andere door</para>
      <para>verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kon ontlenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Ingeval niet wordt voldaan aan de beleidsregels voor toelating zal</para>
      <para>verweerder op de voet van artikel 4:84 Awb de vraag moeten beantwoorden</para>
      <para>of sprake is van door de vreemdeling aangevoerde bijzondere feiten en</para>
      <para>omstandigheden die aanleiding dienen te zijn om in zijn geval van de</para>
      <para>beleidsregels af te wijken. Dat kan zijn omdat die bijzondere feiten en</para>
      <para>omstandigheden bij het opstellen van de beleidsregels niet of</para>
      <para>onvoldoende onder ogen zijn gezien of omdat de afweging van belangen die</para>
      <para>aan de beleidsregels ten grondslag heeft gelegen in de bijzondere</para>
      <para>situatie van de vreemdeling niet tot een redelijke uitkomst leidt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van het beleid voor</para>
      <para>eiseres geen gevolgen heeft die wegens bijzondere feiten en</para>
      <para>omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot het doel van het</para>
      <para>beleid. Als een dergelijke bijzondere omstandigheid kan niet gelden dat</para>
      <para>het, zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft benadrukt,</para>
      <para>voorkomt dat het (zeer) lange tijd duurt alvorens de Minister van</para>
      <para>Buitenlandse Zaken een beslissing neemt op een aanvraag om legalisatie.</para>
      <para>Overigens is er ten aanzien van de door eiseres overgelegde documenten</para>
      <para>geen sprake geweest van vertraging in de afhandeling door de Minister</para>
      <para>van Buitenlandse Zaken van een aanvraag om legalisatie. De rechtbank</para>
      <para>wijst er voorts op dat, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de</para>
      <para>Raad van State heeft bepaald in haar uitspraak van 18 februari 1999</para>
      <para>(gepubliceerd in JV 1999/76), (de weigering van) legalisatie is aan te</para>
      <para>merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Daaruit volgt dat</para>
      <para>tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag om legalisatie</para>
      <para>rechtsmiddelen openstaan.</para>
      <para>Evenmin kan als een dergelijke bijzondere omstandigheid gelden dat</para>
      <para>eiseres, indien zij thans een nieuwe aanvraag om toelating zou indienen,</para>
      <para>in beginsel dient te beschikken over een geldige machtiging tot</para>
      <para>voorlopig verblijf, alvorens de nieuwe aanvraag in behandeling wordt</para>
      <para>genomen.</para>
      <para>Ook overigens is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij</para>
      <para>afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid aan eiseres de</para>
      <para>toelating heeft kunnen weigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting merkt de</para>
      <para>rechtbank, ten overvloede, nog het volgende op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18.1 Verweerder heeft aangegeven dat TBV 1998/27 van 20 november 1998</para>
      <para>moet worden aangemerkt als een wijziging van beleid, voorzover daarin is</para>
      <para>bepaald dat een aanvraag om toelating met toepassing van artikel 4:5 Awb</para>
      <para>buiten behandeling wordt gesteld indien bij de indiening van de aanvraag</para>
      <para>(en na het verstrijken van een hersteltermijn) het ongehuwd-zijn niet</para>
      <para>met de vereiste documenten is aangetoond.</para>
      <para>Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt aangegeven dat</para>
      <para>artikel 4:5 Awb kan worden toegepast omdat bij het ontbreken van de</para>
      <para>vereiste documenten moet worden geoordeeld dat de verstrekte gegevens en</para>
      <para>bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18.2 Artikel 4:5, eerste lid, Awb bepaalt dat indien een aanvrager niet</para>
      <para>heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling</para>
      <para>nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden</para>
      <para>onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de</para>
      <para>voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de</para>
      <para>aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft</para>
      <para>gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag</para>
      <para>aan te vullen.</para>
      <para>Niet in geschil is dat het vereiste van het aantonen van de ongehuwde</para>
      <para>staat met officiële en gelegaliseerde (en in bepaalde gevallen)</para>
      <para>geverifieerde bescheiden niet is neergelegd in "enig wettelijk</para>
      <para>voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18.3 Artikel 4:2, tweede lid, Awb bepaalt dat de aanvrager - naast de in</para>
      <para>het eerste lid van genoemd artikel vermelde gegevens - voorts de</para>
      <para>gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag</para>
      <para>nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18.4 Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 4:2, tweede lid,</para>
      <para>Awb aldus te worden verstaan dat met "gegevens en bescheiden die voor de</para>
      <para>beslissing op de aanvraag nodig zijn" zijn bedoeld gegevens en</para>
      <para>bescheiden zonder welke verweerder niet is staat is om verantwoord een</para>
      <para>beslissing te nemen. Daarvan is in zaken als hierbedoeld geen sprake.</para>
      <para>Het gaat er in de beleidsregel immers om of met gelegaliseerde (en in</para>
      <para>bepaalde gevallen geverifieerde) documenten is aangetoond dat de</para>
      <para>betrokkenen ongehuwd zijn. Indien over die documenten niet wordt</para>
      <para>beschikt, kan de aanvraag inhoudelijk worden beoordeeld en zal die</para>
      <para>beoordeling in de regel tot afwijzing leiden. Desalniettemin kan de</para>
      <para>zorgvuldigheid gebieden dat de aanvrager een redelijke termijn wordt</para>
      <para>gegeven om die documenten alsnog over te leggen. Toepassing van artikel</para>
      <para>4:5 Awb is in deze situatie dan ook niet aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 9 tot en met 17 is</para>
      <para>de rechtbank van oordeel dat het besluit op bezwaar, waarbij aan eiseres</para>
      <para>de toelating is geweigerd, in rechte standhoudt. Het beroep is mitsdien</para>
      <para>ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden</para>
      <para>veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank</para>
      <para>niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,</para>
    <para />
    <para />
    <para>RECHT DOENDE:</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep van eiseres ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door mrs. A.C.J. van Dooijeweert, C.E. Dettmeijer-Vermeulen</para>
      <para>en A. Stehouwer en in het openbaar uitgesproken op 10 november 1999 door</para>
      <para>mr. A.C.J. van Dooijeweert, in tegenwoordigheid van de griffier</para>
      <para>mr. drs. R. Depping.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>griffier                                                    voorzitter</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>afschrift verzonden op: 10 november 1999</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>