<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2026:4509</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-06T08:41:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11971942 CV EXPL 25-25072</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4509">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4509</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-06T08:40:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2026:4509 Rechtbank Rotterdam , 20-03-2026 / 11971942 CV EXPL 25-25072</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2026:4509:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vonnis in incident. Afwijzing eis tot oproeping in vrijwaring.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2026:4509:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11971942 CV EXPL 25-25072</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 20 maart 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats] ,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: mr. D. Uygul-van Dam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Albert Heijn B.V.,</title>
    <parablock>
      <para>vestigingsplaats: Zaandam,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Vrij, en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>OTTO Work Force B.V.,</title>
    <parablock>
      <para>vestigingsplaats: Venray,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M. Bouman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘Albert Heijn’ en ‘OTTO’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaardingen van 11 en 13 november 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de brief van [eiseres] , met bijlagen 1 tot en met 8;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het antwoord van Albert Heijn, met bijlagen 1 tot en met 8;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de eis van OTTO in het incident tot oproeping in vrijwaring;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het antwoord van [eiseres] in het incident.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De eis in de hoofdzaak</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] (die aanvankelijk in persoon procedeerde) eist (samengevat en zoals de kantonrechter haar eis begrijpt) in de hoofdzaak bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>een verklaring voor recht dat Albert Heijn en OTTO hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schade die zij in de uitoefening van haar werkzaamheden heeft geleden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een verklaring voor recht dat de beslissing om haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen onrechtmatig is althans in strijd is met goed werkgeverschap;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan haar van € 140.000,- aan schadevergoeding (bestaande uit € 120.000,- aan immateriële schadevergoeding, </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <parablock>
        <para>€ 10.000,- wegens inkomensverlies, € 5.000,- aan vergoeding medische kosten, en </para>
        <para>€ 5.000,- aan buitengerechtelijke kosten) met de wettelijke rente hierover vanaf </para>
        <para>23 oktober 2025;</para>
      </parablock>
      <para>4. een verklaring voor recht dat zij huurbescherming geniet op grond van artikel 7:269 BW;</para>
      <para>5. dat het Albert Heijn en OTTO wordt verboden om haar uit het gehuurde te zetten, onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat dit verbod wordt overtreden;</para>
      <para>6. dat een dwangsom wordt opgelegd van € 200,- per dag vertraging bij het niet tijdig indienen van processtukken;</para>
      <para>7. Albert Heijn en OTTO hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Albert Heijn is het niet eens met de eis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>OTTO heeft een eis in incident ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De eis in incident  </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>OTTO eist toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen. OTTO stelt dat als zij in de hoofdzaak aansprakelijk gehouden wordt en veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding aan [eiseres] , zij die vergoeding op Albert Heijn wil verhalen. In de onderlinge verhouding tussen OTTO en Albert Heijn, waarbij OTTO als uitlener [eiseres] ter beschikking heeft gesteld aan Albert Heijn om onder leiding en toezicht van Albert Heijn werkzaamheden uit te voeren en Albert Heijn de feitelijke zeggenschap heeft gehad over de werkzaamheden en de werkomstandigheden, dient Albert Heijn de schade te dragen, aldus OTTO. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] is het niet eens met de eis.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>OTTO heeft gesteld dat als zij in de hoofzaak wordt veroordeeld om een bedrag te betalen aan [eiseres] , Albert Heijn dat bedrag aan haar moet betalen. Die betalings-verplichting staat op dit moment niet vast, want is weersproken door [eiseres] en OTTO heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de gestelde betalingsverplichting. Geen reden wordt gezien om OTTO in de gelegenheid te stellen het gestelde alsnog te onderbouwen. Zoiets kan in bijzondere gevallen<footnote-ref linkend="_4af5d036-8359-4a0b-86f8-abecfbea89aa" />, maar daarvan is geen sprake.</para>
        <para>Bij deze stand van zaken wordt de eis in incident afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>OTTO moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 0,-. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>OTTO heeft nog niet gereageerd op de dagvaarding. Dat mag zij nog doen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De kantonrechter wil de zaak met partijen bespreken op een zitting. Partijen krijgen op de zitting de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen. Ook stelt de kantonrechter vragen en onderzoekt of de partijen samen tot een oplossing kunnen komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van de partijen. Daarom wordt nu eerst aan de partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de komende maanden zij echt niet naar een zitting kunnen komen. Ook wil de kantonrechter graag de e-mailadressen van de partijen ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>geeft OTTO geen toestemming om Albert Heijn in vrijwaring op te roepen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt OTTO in de kosten van dit incident, die tot vandaag worden vastgesteld op € 0,-;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>bepaalt dat OTTO op de rolzitting van <emphasis role="bold">woensdag 22 april 2026 om 11:30 uur</emphasis> mag reageren op de dagvaarding;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>bepaalt dat partijen uiterlijk op <emphasis role="bold">woensdag 22 april 2026 om 11:30 uur</emphasis> moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden mei tot en met oktober 2026 zij echt niet naar een zitting kunnen komen en hun e-mailadres moeten opgeven;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>465</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_4af5d036-8359-4a0b-86f8-abecfbea89aa" label="1">
    <para> Artikel 208 lid 2 Rv</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>