<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2026:1877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T13:53:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12016298 VV EXPL 25-771</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1877">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T13:52:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2026:1877 Rechtbank Rotterdam , 20-01-2026 / 12016298 VV EXPL 25-771</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2026:1877:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Huurovereenkomst bedrijfsruimte. Gedaagde heeft een huurachterstand laten ontstaan en heeft geen energiecontract afgesloten. Volgens gedaagde vertoont het gehuurde gebreken. Opschorting van huur onterecht. Gedaagde moet de bedrijfsruimte ontruimen en de achterstallige huur betalen. Incassokosten worden toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2026:1877:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 12016298 VV EXPL 25-771</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 20 januari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting VRF</emphasis>, </para>
      <para>vestigingsplaats: Amsterdam ,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: mr. M.A.C. Mossou, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>woonplaats: [Woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. Z. Hussain. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ VRF ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 23 december 2025, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Stichting VRF .</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 5 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mr. M.A.C. Mossou, gemachtigde van Stichting VRF en de heer Z. Hussain, gemachtigde van de heer [gedaagde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] huurt sinds 1 juni 2024 de bedrijfsruimte van VRF aan de [adres] te [plaats] . De maandelijkse huur bedraagt op dit moment € 1.600,- per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Volgens VRF heeft [gedaagde] de huur gedurende 7 maanden niet betaald, waardoor een huurachterstand is ontstaan van € 11.200-.  Verder zou [gedaagde] geen energiecontract hebben afgesloten, waardoor VRF een factuur heeft ontvangen van Stedin voor een bedrag van € 1.461,08. VFR vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] de bedrijfsruimte moet verlaten en de huurachterstand aan haar moet betalen, inclusief de rente en kosten. Ook vordert VRF dat [gedaagde] de door hem gemaakte energiekosten aan VRF betaalt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is het niet eens met de vordering van VRF . [gedaagde] stelt dat de bedrijfsruimte vanaf de aanvang van de huurovereenkomst ernstige gebreken vertoont en dat de huurovereenkomst is aangegaan onder de voorwaarde dat deze gebreken zouden worden verholpen. Volgens [gedaagde] is dit tot op heden niet gebeurd. Daarom heeft [gedaagde] de betaling van de huur opgeschort. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het juridisch kader van een kort geding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat VRF heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>VRF heeft aangevoerd dat [gedaagde] een aanzienlijke huurachterstand heeft laten ontstaan en dat deze huurachterstand in de loop van deze procedure verder is opgelopen. Daarmee heeft VRF naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gemotiveerd dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot betaling van de huurachterstand en ontruiming van de bedrijfsruimte.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] heeft onterecht de huurbetaling opgeschort en moet een bedrag van € 11.200,- betalen aan VRF </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] de huur over de maanden juli 2025 tot en met januari 2026 niet heeft betaald. De huurachterstand bedraagt daarmee € 11.200,- (7x 1.600,-). [gedaagde] voert  aan dat de bedrijfsruimte verschillende gebreken vertoont waaronder een (inmiddels verholpen) ernstige lekkage, schimmelvorming en andere gebreken als gevolg van werkzaamheden die niet goed zijn uitgevoerd. Volgens [gedaagde] is bij aanvang van de huurovereenkomst toegezegd dat deze gebreken zouden worden verholpen. Omdat dat tot op heden niet is gebeurd, heeft [gedaagde] de huurbetalingen opgeschort, aldus [gedaagde] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>VRF betwist dat op dit moment sprake is van gebreken aan de bedrijfsruimte die het overeengekomen gebruik van het gehuurde in de weg staan en betwist dat bij aanvang van de huurovereenkomst aan [gedaagde] is toegezegd dat de door hem gestelde gebreken zouden worden verholpen. VRF erkent dat inderdaad sprake is geweest van een lekkage begin februari maar volgens VRF is deze verholpen door de werkzaamheden die zij heeft laten uitvoeren. In verband daarmee is [gedaagde] tijdelijk vrijgesteld van zijn betalingsverplichting, hetgeen blijkt uit de door VRF overgelegde email van 28 maart 2025. De lekkage is volgens VRF in juli 2025 verholpen. VRF stelt dat [gedaagde] daarna via WhatsApp is verzocht om de huur met ingang van die maand weer te voldoen. Deze correspondentie is door VRF overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt voorop dat een huurder alleen zijn huurbetalingsverplichting mag opschorten wanneer er sprake is van gebreken aan de woning en de verhuurder zijn verplichting tot het verhelpen van die gebreken niet nakomt (artikel 7:205 BW). [gedaagde] draagt hiervan de stelplicht en de bewijslast (artikel 150 Rv). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat ook na het verhelpen van de lekkage nog andere gebreken in de bedrijfsruimte aanwezig zijn, maar heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. [gedaagde] heeft geen stukken overgelegd aan de hand waarvan voorlopig kan worden vastgesteld of er gebreken zijn, wat de omvang van die gebreken is en of VRF verantwoordelijk is voor het verhelpen daarvan. Volgens de kantonrechter heeft [gedaagde] daarom niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gebreken aan de bedrijfsruimte. De kantonrechter merkt verder nog op dat nergens uit blijkt dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en VRF is aangegaan onder de voorwaarde dat de door [gedaagde] gestelde gebreken zouden worden verholpen, zoals door [gedaagde] wordt gesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat [gedaagde] onterecht de huurbetaling heeft opgeschort. Omdat VRF stelt dat de huur vanaf juli 2025 weer dient te worden betaald, wordt [gedaagde]  daarom veroordeeld om het bedrag van € 11.200,- aan achterstallige huur  aan VRF te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Gelet op de hoogte van de betalingsachterstand is het aannemelijk dat een kantonrechter in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal toewijzen. Het belang van VRF bij het beperken van haar financiële schade en het zo spoedig mogelijk vinden van een huurder die wel betaalt, weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het behoud van de bedrijfsruimte. De kantonrechter zal daarom vooruitlopen op een gewone procedure en de gevorderde ontruiming toewijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet huur betalen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Omdat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst verplicht is maandelijks de huur aan VRF te betalen, zal hij ook worden veroordeeld om vanaf februari 2026 tot en met de dag van ontruiming van de bedrijfsruimte per maand de huurprijs van € 1.600,- aan VRF te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de energiekosten van € 1.461,08 aan VRF betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>VRF eist verder dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 1.461,08 aan haar te betalen. [gedaagde] heeft volgens VRF nagelaten een energiecontract af te sluiten, waardoor Stedin de kosten van de energie bij VRF in rekening heeft gebracht. [gedaagde] is echter op grond van artikel 19.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden verplicht de kosten van energie zelf te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>
        [gedaagde] erkent tijdens de mondelinge behandeling dat hij geen energiecontract heeft afgesloten. Tevens verklaart [gedaagde] dat hij de kosten voor de energie zal betalen. De vordering van VRF ten aanzien van de energiekosten wordt daarom toegewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrag van € 1.461,08 aan VRF te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet incassokosten van € 901,62 betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>De incassokosten van € 901,62 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [gedaagde] moet de proceskosten betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan VRF moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.284,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VRF dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van VRF te stellen; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan achterstallige huur een bedrag van  € 11.200 aan VRF te betalen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om vanaf februari 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan VRF te betalen de huurprijs van € 1.600,- per maand;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan VRF te betalen € 1.461,08 aan verschuldigde energiekosten;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan VRF te betalen € 901,62  aan buitengerechtelijke incassokosten; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VRF worden begroot op € 2.284,45 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.J. Willemsen en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>64362</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>