<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2026:166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-20T09:08:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11533629 CV EXPL 25-2714</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:166">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-20T09:07:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2026:166 Rechtbank Rotterdam , 16-01-2026 / 11533629 CV EXPL 25-2714</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2026:166:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eis in conventie voor een deel toegewezen en eis in reconventie afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde op grond van een notariële schuldbekentenis € 12.000,- van eiser heeft geleend. Het verweer dat de akte een schijnhandeling was en dat geen geld is ontvangen, wordt verworpen omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Ook het beroep op vernietiging wegens wilsgebreken slaagt niet. Wel is een deel van de vordering verjaard, omdat eiser pas in maart 2024 heeft aangemaand. Daardoor zijn de aflossingen van januari 2015 tot en met februari 2019 verjaard, zodat nog € 7.000,- resteert. De contractuele rente wordt afgewezen wegens onduidelijkheid, maar de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 maart 2019. Incassokosten worden afgewezen omdat niet is gebleken dat een geldige veertiendagenbrief is gestuurd naar gedaagde.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2026:166:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11533629 CV EXPL 25-2714</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 16 januari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: Koog aan de Zaan,</para>
      <para>eiser in conventie, verweerder in reconventie, </para>
      <para>gemachtigde: mr. A.M. Stam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: Rotterdam,</para>
      <para>gedaagde in conventie, eiser is reconventie,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.R. Versluis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 29 januari 2025, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het antwoord met eis in reconventie, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [gedaagde] van 6 november 2025, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het antwoord in reconventie, met een bijlage.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 4 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling in conventie en reconventie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 21 november 2014 hebben partijen ten overstaan van een notaris een document ondertekend met de titel “Schuldbekentenis” (hierna: de akte). In de akte verklaart [gedaagde] een bedrag van € 12.000,- verschuldigd te zijn aan [eiser] uit hoofde van geldleningen verstrekt op 18 april 2013 (€ 8.000,-) en 17 mei 2013 (€ 4.000,-). In de akte staat dat [gedaagde] met ingang van 1 januari 2015 maandelijks € 100,- moet terugbetalen tegen een contractuele rente van 6%. [gedaagde] heeft de geldleningen niet terugbetaald. [eiser] wil dat hij dat alsnog doet en eist daarom betaling van € 12.000,- aan hoofdsom met de contractuele rente en kosten. 	[gedaagde] is het niet eens met de eis. Volgens hem heeft hij nooit geld ontvangen en was de akte een “schijnhandeling” bedoeld om zijn verblijfsvergunning te kunnen verlengen. De eis wordt echter voor een deel toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De akte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 157 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in combinatie met artikel 156 Rv levert de akte tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van de daarin afgelegde verklaring. Dit betekent dat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat [gedaagde] het geld van [eiser] heeft geleend. Het is vervolgens aan [gedaagde] om tegenbewijs te leveren. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat nooit sprake is geweest van een geldlening en dat de akte uitsluitend was bedoeld om te gebruiken voor de verlenging van zijn verblijfsvergunning. Enige concretisering ontbreekt echter, terwijl dat wel van hem had mogen worden verwacht om de juistheid van de inhoud van de akte te ontzenuwen. Nog daargelaten dat onduidelijk is gebleven of [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de akte op de wijze die hij stelt, is zelfs niet uitgewerkt dat en waarom een geldlening een rol kan spelen bij het wel of niet verlengen van een verblijfsvergunning. Bovendien ontbreekt elke relevante onderbouwing waaruit kan worden opgemaakt dat partijen de akte met een ander doel hebben laten opmaken dan het vastleggen van een verstrekte geldlening. Geoordeeld wordt dat het verweer van [gedaagde] tegenover de bewijskracht van de akte onvoldoende gemotiveerd en geconcretiseerd is en dat dus ook niet wordt toegekomen aan nadere bewijslevering. Er staat dan ook vast dat hij € 12.000,- van [eiser] heeft geleend als vastgelegd in de akte.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Reconventie; wilsgebreken </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] beroept zich in reconventie op vernietiging van de akte vanwege misbruik van omstandigheden, bedrog danwel dwaling. Dit beroep wordt verworpen, alleen al omdat het ervan uitgaat dat wat in de akte staat niet klopt en dat [gedaagde] nooit geld heeft geleend. Hiervoor is echter geoordeeld dat voor de rechtsverhouding tussen partijen moet worden uitgegaan van de inhoud van de akte.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verjaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft subsidiair een beroep gedaan op verjaring. In de akte is bepaald dat de lening vanaf 1 januari 2015 in maandelijkse termijnen van € 100,- moest worden afgelost. Voor dergelijke vorderingen geldt een verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:307 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij brief van 1 maart 2024 heeft [eiser] [gedaagde] voor het eerst gesommeerd tot betaling. De verjaring is toen voor het eerst gestuit. Dit betekent dat de vordering tot betaling van alle maandelijkse termijnen die meer dan vijf jaar vóór deze datum opeisbaar zijn geworden, is verjaard. Het gaat dan dus om de termijnen van januari 2015 tot en met februari 2019, samen een bedrag van € 5.000,-. Hierop kan geen aanspraak meer worden gemaakt en in zoverre slaagt het verjaringsberoep. De vordering wordt daarom toegewezen tot € 7.000,-.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert de contractuele rente van 6%. In de akte is echter niet duidelijk bepaald wanneer en over welke periode de rente is verschuldigd (per maand, kwartaal of jaar) en een berekening van het gevorderde rentebedrag ontbreekt. Vanwege deze onduidelijkheid wordt aanleiding gezien de contractuele rente af te wijzen en in plaats daarvan de wettelijke rente toe te wijzen vanaf 1 maart 2019. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [eiser] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Er kan niet worden vastgesteld dat deze brief is gestuurd, omdat hiervan geen kopie bij de dagvaarding zit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij in conventie en reconventie voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 152,04 aan dagvaardingskosten, € 732,- aan griffierecht, € 1.017,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.036,04. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitvoerbaar bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing in conventie en reconventie</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 7.000,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 1 maart 2019 tot de dag dat volledig is betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.036,04;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst af het anders of meer gevorderde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>53954</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>