<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2026:1382</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-13T10:51:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 24/6519</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1382">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1382</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-13T10:49:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2026:1382 Rechtbank Rotterdam , 02-02-2026 / ROT 24/6519</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2026:1382:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond. Eiseres heeft wel recht op schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2026:1382:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 24/6519 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. van den Ende),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Dienst Toeslagen </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.000,-, omdat de behandeling van haar zaak te lang heeft geduurd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het besluit van 16 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond de Wht afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Met het besluit van 22 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 januari 2023 ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.<footnote-ref linkend="_6820f615-0a1d-4f2b-a93e-acb6ed5f3b53" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 16 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.6 van de Wht. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie terecht afgewezen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiseres betoogt dat zij recht heeft op compensatie, omdat zij als gevolg van de verrekeningen van haar toeslagschulden met andere toeslagen in de financiële problemen is gekomen. Mogelijk zijn haar schulden verrekend met de toeslagen van haar partner. De rechtbank oordeelt anders. Uit de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) blijkt niet dat bedragen die eiseres moest terugbetalen zijn verrekend met andere toeslagen dan de kinderopvangtoeslag. Er blijkt ook niet uit dat de toeslagschulden van eiseres zijn verrekend met de toeslagen van de partner van eiseres. Inzage in de LIC-overzichten van de partner van eiseres is voor die conclusie niet nodig, omdat de LIC-overzichten van eiseres een volledig inzicht geven in de wijze waarop haar toeslagschulden zijn terugbetaald of verrekend. Bovendien kan het enkele feit dat in een toeslagjaar verrekening zou zijn toegepast, niet tot compensatie voor dat toeslagjaar leiden.<footnote-ref linkend="_9058a531-280d-4ac6-9f27-653b1fb6542c" /> Voor zover eiseres zich beroept op de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, geldt dat zij dat geen concrete omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan sprake zou zijn van een bijzondere of schrijnende situatie.<footnote-ref linkend="_134e8832-a897-4488-88e0-d8b0fb047628" /> De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag om compensatie dus terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.<?linebreak?><emphasis role="underline">Heeft de Dienst Toeslagen het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel geschonden?</emphasis></para>
    <para>5. Eiseres betoogt dat zij zonder haar volledige persoonlijke dossier niet kan beoordelen of de Dienst Toeslagen de hoogte van de compensatie juist heeft vastgesteld. Volgens haar is geen sprake van <emphasis role="italic">equality of arms</emphasis> als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het systeem van de Belastingtelefoon en de netwerkschijven van de Dienst Toeslagen zouden mogelijk relevante informatie bevatten. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank oordeelt als volgt. De Dienst Toeslagen heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Deze stukken onderbouwen het bestreden besluit. Er is dus geen sprake van een motiveringsgebrek of zorgvuldigheidsgebrek.<footnote-ref linkend="_454e5d49-89b8-4d08-ace9-a5d1fcccc55f" /> Hieruit volgt dat zowel eiseres als de Dienst Toeslagen beschikken over de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Daarmee is voldaan aan het beginsel van <emphasis role="italic">equality of arms</emphasis>. De algemene stelling dat andere systemen mogelijk relevante informatie bevatten, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de stukken waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Zaken moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt is de redelijke termijn twee jaar, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen tot de uitspraak van de rechtbank. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.<footnote-ref linkend="_947d140b-939f-423a-a97a-8ddcebd39ad8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Het bezwaarschrift is op 17 februari 2023 door de Dienst Toeslagen ontvangen. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn afgerond met 12 maanden overschreden. De bezwaarfase mocht zes maanden duren. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 22 mei 2024, afgerond vijftien maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus voor 9/12e deel toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen. Het restant van de overschrijding wordt toegerekend aan de Staat. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 750,- aan eiseres moet betalen. De Staat moet € 250,- betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie. Zij krijgt het griffierecht niet terug. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.000,-</para>
    <para />
    <para>9. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).<footnote-ref linkend="_e79509ad-9b17-4c2f-9007-84b3a470876c" /> Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de Dienst Toeslagen als de Staat is toe te rekenen, moeten beiden de helft van de proceskosten aan eiseres vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 750,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 250,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6820f615-0a1d-4f2b-a93e-acb6ed5f3b53" label="1">
    <para> Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9058a531-280d-4ac6-9f27-653b1fb6542c" label="2">
    <para> Rb. Rotterdam 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081, r.o. 5.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_134e8832-a897-4488-88e0-d8b0fb047628" label="3">
    <para> Vgl. ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, r.o. 7.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_454e5d49-89b8-4d08-ace9-a5d1fcccc55f" label="4">
    <para> Artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_947d140b-939f-423a-a97a-8ddcebd39ad8" label="5">
    <para> HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e79509ad-9b17-4c2f-9007-84b3a470876c" label="6">
    <para> ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>