<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2026:1116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T13:51:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 24/7857</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1116">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T13:50:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2026:1116 Rechtbank Rotterdam , 11-02-2026 / ROT 24/7857</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2026:1116:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wht, beroep niet-ontvankelijk, private schulden, het bezwaar van eiseres is terecht niet tevens aangemerkt als een herzieningsverzoek.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2026:1116:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 24/7857 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres], uit Rotterdam, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Financiën, de minister </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Bouhoud).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit over het overnemen van haar schuld terecht niet tevens heeft aangemerkt als een herzieningsverzoek. Het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het besluit van 14 maart 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres om een geldschuld over te nemen op grond van de Wht afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 15 maart 2024 een voorlopig bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Met het besluit van 13 juni 2024 (de beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend en er geen redenen zijn om aan te nemen dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is. In de beslissing op bezwaar heeft de minister met een ‘ambtshalve beoordeling’ tevens een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar gemaakt en geconcludeerd dat de schuld niet voor overname in aanmerking komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 12 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Met een brief van 16 juli 2024 heeft de minister op het bezwaar gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de brief van 16 juli 2024. </para>
        <para>De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij het niet nodig vinden om op zitting te verschijnen. De rechtbank heeft de zaak daarom niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.<footnote-ref linkend="_1e833766-cb3b-4cfe-9690-08f2f5392bbb" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag ingediend om een private schuld over te nemen op grond van de Wht. De minister heeft met het besluit van 14 maart 2023 geweigerd de schuld over te nemen, omdat volgens de minister niet aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.</para>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Zij voert aan dat haar bezwaarschrift van 15 maart 2024 ten onrechte niet tevens is aangemerkt als een herzieningsverzoek. Volgens eiseres is de beslissing op dit herzieningsverzoek een voor bezwaar vatbare beschikking. Eiseres heeft hiertegen op </para>
    <para>12 juli 2024 bezwaar gemaakt. De brief van de minister van 16 juli 2024 moet volgens eiseres worden gezien als een ongegrondverklaring van dit bezwaar.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het bezwaarschrift van </para>
    <para>15 maart 2024 tevens gezien moet worden als een herzieningsverzoek. Hoewel in de aanhef van het bezwaarschrift is vermeld <emphasis role="italic">“voorlopig bezwaarschrift cq. verzoek tot herziening”</emphasis>, is het verzoek tot herziening in het bezwaarschrift in het geheel niet toegelicht. Ook is in het “petitum” van het bezwaarschrift niet om herziening verzocht. Verder is in het aanvullend bezwaarschrift van 18 april 2024 niets terug te vinden over een verzoek om herziening. De minister hoefde het bezwaarschrift van 15 maart 2023 daarom naar het oordeel van de rechtbank niet (tevens) op te vatten als een herzieningsverzoek.<footnote-ref linkend="_484effa4-f79c-423b-843c-b682d7d961f6" /></para>
    <para />
    <para>7. Gelet op het voorgaande, kan de inhoudelijke beoordeling in het besluit van </para>
    <para>13 juni 2024 niet worden gezien als een besluit op een herzieningsverzoek. Ook overigens kan de inhoudelijke beoordeling niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, nu deze geen rechtsgevolg heeft. Tegen de inhoudelijke beoordeling stond dus geen bezwaar open. De brief van 16 juli 2024 kan daarom niet worden gezien als een beslissing op bezwaar waartegen beroep ingesteld kon worden.<footnote-ref linkend="_5dbf3176-fd2b-436b-b5d9-9f27b0711aca" /></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	De rechter is verhinderd</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">					de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1e833766-cb3b-4cfe-9690-08f2f5392bbb" label="1">
    <para>Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_484effa4-f79c-423b-843c-b682d7d961f6" label="2">
    <para> Zie ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11066.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5dbf3176-fd2b-436b-b5d9-9f27b0711aca" label="3">
    <para> Zie de artikelen 1:3, eerste lid, 7:1, eerste lid, en 8:1, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>