<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:9590</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-06T20:55:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">FT EA 24/506</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=6&amp;g=2017-12-23">Faillissementswet 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Sdu Nieuws Insolventierecht 2025/148</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:9590">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:9590</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-06T13:57:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:9590 Rechtbank Rotterdam , 16-01-2025 / FT EA 24/506</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:9590:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aangeefster is niet-ontvankelijk in haar verzoek tot (op eigen aangifte) faillietverklaring. Aangeefster heeft geen baten en geen belang bij faillissement.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:9590:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank Rotterdam </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventie </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummer: [nummer]</para>
      <para>uitspraakdatum: 16 januari 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING op het verzoek van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [bedrijf A] ,</emphasis>
      </para>
      <para>statutair gevestigd te [vestigingsplaats A] ,</para>
      <para>kantoorhoudende te [adres] ,</para>
      <para>
        [postcode]  [plaats] ,</para>
      <para>aangeefster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot haar faillietverklaring (op eigen aangifte).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 17 december 2024 heeft aangeefster ter griffie van de rechtbank een verzoek tot faillietverklaring (op eigen aangifte) met bijlagen ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffie van de rechtbank heeft aangeefster per brief van 18 december 2024 opgeroepen voor de behandeling van het verzoek op 24 december 2024. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft de griffie van de rechtbank aangeefster per e-mail van 20 december 2024 verzocht de ontbrekende stukken mee te nemen naar de zitting van 24 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 24 december 2024 is de heer [persoon A] , (middellijk) bestuurder van aangeefster, verschenen en heeft hij de ontbrekende stukken overgelegd. Tevens is op die zitting aan de orde gekomen dat, gezien het ontbreken van baten, hij zal onderzoeken of hij de vennootschap kan ontbinden op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW (de zogenaamde turbo-liquidatie). Daarbij is afgesproken dat de behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot 14 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer [persoon A] heeft bij e-mail van 4 januari 2025 de rechtbank bericht dat hij geen mogelijkheden ziet om de vennootschap op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW te ontbinden. In die e-mail van de heer [persoon A] staat dat de mogelijkheid om een turboliquidatie te kunnen doen is onderzocht, maar dat hij “daar, na overleg met de accountant geen mogelijkheden [toe ziet] daar er geen vereffeningen kunnen plaatsvinden (…).”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek voortgezet op 14 januari 2025. Daarbij is de heer [persoon A] verschenen en gehoord. Hij heeft daar desgevraagd verklaard dat hij alleen met zijn accountant heeft gesproken en geen informatie heeft opgevraagd bij de Kamer van Koophandel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is voldoende duidelijk geworden dat aangeefster verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. In zoverre is voldaan aan de in de Faillissementswet gestelde eis om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard. Dat neemt echter niet weg dat het faillissement strekt tot vereffening van het vermogen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en dat daarom ook van belang is of sprake is van vermogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heer [persoon A] heeft in dit verband, in aanvulling op het ingediende formulier ‘eigen aangifte’, verklaard dat de vennootschap niet over enige bate beschikt. Daarnaast blijkt uit voornoemd formulier en het verhandelde ter zitting dat de bedrijfsactiviteiten inmiddels zijn gestaakt, dat er geen sprake is van debiteuren, er geen (on)roerende zaken zijn en dat er ook geen sprake is van een bedrijfspand of personeel. Er is daarom naar verwachting geen te executeren vermogen. De heer [persoon A] heeft dit ook ter zitting beaamd. Verder is ook niet gebleken dat er anderszins een belang is bij het faillissement. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent dat te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Faillissementswet zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing. Aangeefster zal dan door die opheffing worden ontbonden (artikel 2:19 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). In dat geval zal de schuldenlast van aangeefster alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daar staat tegenover dat aangeefster – in de regel door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders – mogelijk op grond van artikel 2:19 lid 1 BW kan worden ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW houdt de rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Het is vervolgens aan (een van) de crediteuren om –  in het kader van een eventueel verzoek tot faillietverklaring – aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat hij/zij bij vereffening (enige) betaling zou(den) hebben ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat deze route van turbo-liquidatie niet mogelijk zou zijn “daar er geen vereffeningen kunnen plaatsvinden”, zoals door aangeefster in de e-mail van 4 januari 2025 wordt geschreven, begrijpt de rechtbank niet. Een turboliquidatie is juist een manier om een rechtspersoon te beëindigen als die rechtspersoon op het moment van ontbinden geen baten meer heeft en er dus niets te vereffenen valt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden heeft aangeefster onvoldoende belang bij het verzoek tot faillietverklaring. Zonder belang is aangeefster niet ontvankelijk (artikel 3:303 BW).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	verklaart aangeefster niet-ontvankelijk in haar verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is op 16 januari 2025 gegeven door mr. B.A, Cnossen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier.<footnote-ref linkend="_7c983546-0495-412b-b4a6-0f37acad1fdd" /></para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_7c983546-0495-412b-b4a6-0f37acad1fdd" label="1">
    <para>
      <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.</emphasis>
    </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>