<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:7575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-30T14:24:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11412290 HA VERZ 24-87</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2025-0813</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2025-0813</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7575">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-01T10:23:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:7575 Rechtbank Rotterdam , 02-04-2025 / 11412290 HA VERZ 24-87</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:7575:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer. Geen recht op transitievergoeding, want geen ernstig verwijtbaar handelen. Artikel 7:673 lid 1 BW. Werkgever mag reeds betaald loon niet terugvorderen c.q. verrekenen. Onvoldoende gebleken dat werknemer tekort is geschoten in nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:7575:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Dordrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11412290 HA VERZ 24-87</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 2 april 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: Dordrecht,</para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.B. Evenboer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder] , zaakdoende onder de naam </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Huisartsenpraktijk [naam huisartsenpraktijk] , </emphasis>
      </para>
      <para>vestigingsplaats: Dordrecht,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. ing. N. Verweij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift van [verzoekster] (ontvangen op 19 november 2024), met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aanvullende producties van de zijde van [verzoekster] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de spreeknotitie van mr. Evenboer. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 5 februari 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek en de beoordeling daarvan</title>
    <bridgehead role="italic">De kern van de zaak</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. [verzoekster] is vanaf 25 mei 2014 in dienst geweest bij [verweerder] . [verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 30 juli 2024 opgezegd tegen 30 september 2024. Zij vordert in deze procedure betaling van achterstallig c.q. ingehouden loon en van de transitievergoeding, met nevenvorderingen. [verweerder] meent dat [verzoekster] geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Verder stelt [verweerder] op terechte gronden salaris te hebben verrekend bij de eindafrekening.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [verweerder] hoeft geen transitievergoeding te betalen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoekster] heeft haar arbeidsovereenkomst met [verweerder] opgezegd. Zij vordert nu dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. Deze bedraagt volgens haar € 13.085,- bruto. </para>
        <para>
          [verzoekster] heeft alleen recht op een transitievergoeding als de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]<footnote-ref linkend="_e80aa860-7236-4ff3-ba31-496ba8bd6d40" />. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <para>
          [verzoekster] stelt dat een situatie is ontstaan waarin zij niet anders kon dan de arbeidsrelatie beëindigen. [verzoekster] en [verweerder] hebben een affectieve relatie gehad. Volgens [verzoekster] is de werkrelatie veranderd toen hun persoonlijke relatie eindigde. Zij stelt dat haar vanaf dat moment taken werden afgenomen, dan wel ingeperkt en dat zij door [verweerder] werd genegeerd. [verzoekster] voelde zich onveilig en buitenspel gezet. Alles bij elkaar heeft [verweerder] zich grensoverschrijdend gedragen, aldus [verzoekster] . [verweerder] betwist dit alles gemotiveerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <para>Door de affectieve relatie die [verzoekster] en [verweerder] hadden is een bepaalde dynamiek tussen hen ontstaan. Zij hebben getracht om het eindigen van die relatie – in het voorjaar van 2024 — geen invloed te laten hebben op hun werkverhouding, maar achteraf bezien zijn ze daar niet in geslaagd. Gaandeweg is namelijk ook hun arbeidsrelatie onder druk komen te staan. Illustratief zijn de overgelegde WhatsApp berichten<footnote-ref linkend="_8b475433-b84c-4d07-a59b-0741860110b8" /> en verwijten die zij elkaar maken (elkaar negeren, collega’s negeren, discussie over een lunch buiten de deur). Gelet op de hiërarchische verhouding op de werkvloer had [verweerder] hierin weliswaar een andere/grotere verantwoordelijkheid dan [verzoekster] , maar beide partijen hebben een aandeel gehad in de verstoring. Dat [verweerder] zich grensoverschrijdend heeft gedragen, zoals [verzoekster] stelt, is niet uit de overgelegde stukken gebleken. Evenmin blijkt uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken dat [verweerder] doelbewust heeft aangestuurd op een einde van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] . Of op 7 juli 2024 voldoende aanleiding was om [verzoekster] te schorsen is, mede gelet op hetgeen in de cao hierover is bepaald, zeer de vraag. Hierna hebben partijen echter kennelijk goed met elkaar gesproken en leek de lucht geklaard. [verzoekster] heeft desgevraagd ook niet kunnen uitleggen waarom zij amper twee weken later toch de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3.</nr>
        <para>Alhoewel [verweerder] op sommige punten dus zeker anders had kunnen of moeten handelen, is geen sprake van <emphasis role="italic">ernstig </emphasis>verwijtbaar gedrag in de <emphasis role="italic">arbeids</emphasis>relatie van partijen. Voor toekenning van de transitievergoeding is daarom geen plaats.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ingehouden loon</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Uit de loonstrook over de maand september 2024 blijkt dat [verweerder] een bedrag van € 1.076,55 bruto heeft ingehouden c.q. verrekend<footnote-ref linkend="_02fc9487-a39e-44b2-8086-9d80b07d0203" /><emphasis role="italic">. </emphasis>Als omschrijving staat op de loonstrook vermeld “<emphasis role="italic">Inh. Niet gewerkte zaterdaguren juni t/m sept: 42,5 uur</emphasis>”. [verweerder] heeft uitgelegd dat [verzoekster] vanaf 1 juni 2024 niet meer vanuit huis wilde werken. Het loon over de uren die zij normaal thuis werkte is daarom onverschuldigd betaald, aldus [verweerder] . </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.3.1.</nr>
        <para>Op zich mag een werkgever het loon verrekenen met hetgeen op het loon teveel is betaald. Dan moet de werkgever wel stellen en bewijzen dat er teveel loon is betaald. In dit geval is kennelijk het in de arbeidsovereenkomst afgesproken loon aan [verzoekster] betaald. De stelling van [verweerder] wordt zo begrepen dat [verzoekster] zonder zijn instemming niet het overeengekomen aantal uren werkte. Dit betekent echter niet dat daardoor zonder meer sprake is van een recht op terugvordering van reeds betaald salaris. In dit geval is niet gebleken dat [verweerder] [verzoekster] heeft gewaarschuwd voor een eventuele loonsanctie of dat hij anderszins kenbaar heeft gemaakt dat hij van mening was dat [verzoekster] tekortschoot in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Daar komt nog bij dat [verzoekster] betwist dat zij niet het aantal overeengekomen uren per week heeft gewerkt. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.3.</nr>
        <para>Bij deze stand van zaken is niet voldoende met feiten onderbouwd dat [verweerder] een verrekenbare vordering op [verzoekster] had bij het einde van het dienstverband. Het wordt er daarom voor gehouden dat [verweerder] ten onrechte heeft verrekend met de eindafrekening. [verweerder] moet daarom dit bedrag alsnog aan [verzoekster] betalen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.4.</nr>
        <para>De wettelijke rente over dit bedrag wordt op de hierna te vermelden manier toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%, omdat deze vooral bedoeld is als een prikkel om het loon op tijd te betalen en niet zozeer als schadevergoeding.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Getuigschrift</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift ook afgifte van een getuigschrift gevorderd, op straffe van een dwangsom. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] dit inmiddels heeft verstrekt. Deze vordering hoeft daarom niet meer te worden besproken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 1.076,55 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024 tot de dag dat volledig is betaald, onder afgifte van een aangepaste bruto-/nettospecificatie over de maand september 2024;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>783</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_e80aa860-7236-4ff3-ba31-496ba8bd6d40" label="1">
    <para>Artikel 7:673 lid 1 onder b sub 1 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b475433-b84c-4d07-a59b-0741860110b8" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld productie 4 bij verweerschrift</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02fc9487-a39e-44b2-8086-9d80b07d0203" label="3">
    <para> Productie 1 bij verzoekschrift</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>