<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:7565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-26T09:56:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 25/1200</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7565">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-26T09:53:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:7565 Rechtbank Rotterdam , 30-06-2025 / ROT 25/1200</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:7565:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Buiten zitting uitspraak. Beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De AFM was niet bevoegd op het handhavingsverzoek te beslissen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:7565:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 25/1200 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM) </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. R.E. Tak en mr. R.H.J. van Houts).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser van 13 november 2024. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>2. Op 22 april 2024 was er een algemene vergadering van aandeelhouders van ING Groep N.V.. Eiser stelt dat hij vanwege protesten van klimaatactivisten niet tijdig toegang heeft gekregen tot de vergadering en dat hij daardoor zijn stem niet heeft kunnen uitbrengen. Eiser heeft de AFM een verzoek om handhaving gestuurd, omdat naar zijn mening ING Groep N.V. onvoldoende maatregelen heeft genomen om alle aandeelhouders toegang te verschaffen tot de vergadering. Eiser wil dat de AFM ING Groep N.V. een bestuurlijke boete oplegt. </para>
    <para />
    <para>3. Bij brief van 1 mei 2024 heeft de AFM op het verzoek gereageerd en het verzoek aangemerkt als een melding. Op 6 september 2024 heeft eiser opnieuw een verzoek tot handhaving gedaan bij de AFM en haar in gebreke gesteld. </para>
    <para />
    <para>4. Bij brief van 9 oktober 2024 heeft de AFM op het verzoek gereageerd. Zij heeft het verzoek niet in behandeling genomen, omdat eiser volgens de AFM geen belanghebbende is in de zin van de Awb.</para>
    <para />
    <para>5. Op 13 november 2024 heeft eiser beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek ingesteld bij de rechtbank ‘s-Gravenhage. Hij verzoekt de rechtbank een dwangsom vast te stellen en de AFM te dwingen een voor bezwaar vatbare beschikking te nemen. </para>
    <para />
    <para>6. De AFM heeft bij brief van 11 december 2024 en verweerschrift van 18 december 2024 gereageerd. </para>
    <para />
    <para>7. Op 28 januari 2025 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage zich onbevoegd verklaard en het beroep ter behandeling aan de rechtbank Rotterdam gestuurd. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>8. Bij brief van 9 oktober 2024 heeft de AFM gereageerd op het verzoek tot handhaving. Zij heeft het verzoek niet in behandeling genomen. Los van de vraag of deze beslissing (om de redenen zoals weergegeven onder 10) aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van de Awb en of deze beslissing tijdig genomen is, stelt de rechtbank vast dat de AFM al op het verzoek beslist had voordat eiser beroep heeft ingesteld. Voor zover eiser de rechtbank vraagt te bepalen dat de AFM op het verzoek beslist, heeft eiser daar geen belang meer bij.</para>
    <para />
    <para>9. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Dat is hier het geval. Daartoe is het volgende van belang. </para>
    <para>10. ING Groep N.V. is geen financiële dienstverlener in de zin van de Wet op het financieel toezicht en beschikt niet over een vergunning van de AFM. Zij staat als zodanig dan ook niet onder toezicht van de AFM. Omdat ING Groep N.V. een uitgevende instelling is (haar aandelen zijn genoteerd aan een gereglementeerde markt), kan de AFM wel bepaalde normen die zich richten tot uitgevende instellingen handhaven. Eisers verzoek heeft betrekking op een civielrechtelijke kwestie tussen eiser als aandeelhouder en klimaatactivisten die hem de toegang tot een vergadering van ING Groep N.V. hebben belet. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat er geen publiekrechtelijke norm is geschonden door ING Groep N.V. die de grondslag kan vormen voor handhavend optreden door de AFM. Gelet hierop is de AFM niet bevoegd handhavend op te treden en heeft zij terecht besloten het verzoek niet inhoudelijk in behandeling te nemen. Het verzoek (de aanvraag) is dus kennelijk niet-ontvankelijk en gelet op het bepaalde in artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb kan van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen geen sprake zijn.</para>
    <para>11. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>