<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:7296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T10:18:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 24/11787</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7296">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T10:17:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:7296 Rechtbank Rotterdam , 24-06-2025 / ROT 24/11787</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:7296:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bbz- en IOAZ-uitkering. Beroep gedeeltelijk gegrond (voor zover het de aanvraag IOAZ-uitkering betreft), maar rechtsgevolgen blijven in stand. Het college heeft ten onrechte geconcludeerd dat eiser niet aan de arbeidsverledeneis voldoet. Voor de bepaling van het arbeidsverleden worden de perioden van ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid meegeteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:7296:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: ROT 24/11787 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B.F. Desloover),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de [gemeente]</emphasis>, het college </para>
      <para>(gemachtigde: M. de Jonge).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiser om een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) en een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een Bbz- of IOAZ-uitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft sinds 1994 een eenmanszaak in bouw en onderhoud. Op 8 juli 2024 heeft eiser twee aanvragen ingediend, namelijk een aanvraag om een Bbz-uitkering en een aanvraag om een IOAZ-uitkering. Het college heeft deze aanvragen met de primaire besluiten van 11 juli 2024 afgewezen. Aan beide afwijzingen ligt ten grondslag dat eiser niet voldoet aan het urencriterium, omdat hij in het jaar 2023 niet minimaal 1225 uur in zijn eigen bedrijf heeft gewerkt. Aan de afwijzing van de IOAZ-aanvraag ligt daarnaast ten grondslag dat eiser niet voldoet aan de zogenoemde arbeidsverledeneis. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Arbeidsverledeneis (IOAZ)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte heeft vastgesteld dat hij in het kader van de IOAZ niet aan de arbeidsverleden eis voldoet.<footnote-ref linkend="_195eecc1-f0a6-4075-9c74-da0fe51bb1ff" /> Die eis houdt in dat eiser de afgelopen tien jaar onafgebroken moet hebben gewerkt, waarvan de laatste drie jaar als zelfstandige. Eiser voert aan dat hij ongeveer dertig jaar zijn eenmanszaak heeft gedreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt. Het college heeft geconcludeerd dat eiser niet aan de arbeidsverledeneis voldoet, omdat hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met het bereiken van de leeftijd van zestig jaar een uitkering ontving op grond van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat eiser een uitkering op grond van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving, staat echter niet aan het voldoen van de arbeidsverledeneis in de weg. Uit de wetsgeschiedenis van de IOAZ blijkt namelijk dat voor de bepaling van het arbeidsverleden de perioden van ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid worden meegeteld. <footnote-ref linkend="_dd1bdb3d-890a-4a48-856d-ddf04bfcd9cd" /> Omdat deze beroepsgrond slaagt, zal het bestreden besluit voor zover dat ziet op de IOAZ-aanvraag worden vernietigd. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de IOAZ-aanvraag in stand kunnen blijven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Evenredigheidsbeginsel (Bbz en IOAZ)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.  Eiser voert aan dat het onredelijk is dat het college bij de beoordeling van het urencriterium streng de hand houdt aan het jaar 2023 als refertejaar en het aantal van 1225 uren. Er is sprake van een schrijnende situatie. Eiser is decennialang werkzaam geweest als zelfstandig ondernemer en heeft alleen in 2023 niet aan de urennorm voldaan. Dat hij niet aan de urennorm voldeed is terug te voeren op het ongeval dat hem overkwam, waardoor hij twaalf weken in het gips heeft gezeten en ongeveer een half jaar in een rolstoel. Als eiser is aangewezen op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet zal hij – in tegenstelling tot bij een IOAZ-uitkering – eerst zijn eigen vermogen moeten aanspreken vanwege de vermogensgrens. Het college had de hele situatie van eiser bij zijn beoordeling moeten betrekken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank vat deze beroepsgrond – zoals ter zitting met partijen besproken – zo op dat volgens eiser de afwijzing van de aanvragen om een Bbz- en IOAZ-uitkering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het urencriterium heeft betrekking op het jaar voorafgaand aan de aanvraag,<footnote-ref linkend="_27485131-dcbd-402d-a74f-340cfa9e3878" /> in dit geval dus het jaar 2023. Niet in geschil is dat eiser in 2023 niet aan het urencriterium voldeed. Naar het oordeel van de rechtbank was er voor het college geen aanleiding om van de regels omtrent het urencriterium af te wijken, hoe ongelukkig dit voor eiser ook uitpakt. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is immers niet het tegengaan van nadelige gevolgen maar het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen.<footnote-ref linkend="_be8e3e4b-a945-43e9-8dd3-9ead247a7b9c" /> Dat eiser, als hij geen aanspraak kan maken op een IOAZ-uitkering, mogelijk is aangewezen op een uitkering op grond van de Participatiewet, is in ieder geval geen onevenredig nadelig gevolg, ook niet als hij dan geconfronteerd wordt met de vermogensgrens. Daarbij betrekt de rechtbank dat de IOAZ, anders dan de naam van de regeling doet vermoeden, niet langer is bedoeld voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige, maar uitsluitend voor de oudere gewezen zelfstandige.<footnote-ref linkend="_224c4fe9-a151-41f3-ab08-1e31dfcb865a" /> Er bestaat dan ook geen aanleiding om in geval van arbeidsongeschiktheid in het refertejaar een ander jaar als uitgangspunt te nemen voor de beoordeling van het urencriterium.<footnote-ref linkend="_5e3d0ff4-ab33-41af-8acc-5978f1b62079" /> Ook uit de wetgeschiedenis bij artikel 3.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001<footnote-ref linkend="_41ba9e38-200c-43c3-8264-8a4e68259217" /> blijkt dat het urencriterium onverkort wordt toegepast bij ziekte.<footnote-ref linkend="_61b455ea-8584-4b07-bcd2-2fead7686eb9" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>5. Het beroep is gegrond omdat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser voor de IOAZ-aanvraag niet voldoet aan de arbeidsverledeneis. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de IOAZ-aanvraag. De rechtbank laat echter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het college heeft de afwijzing van de IOAZ-aanvraag namelijk mede gebaseerd op het feit dat eiser niet aan het urencriterium voldoet en de beroepsgrond over het urencriterium slaagt niet. Eiser heeft dus geen recht op een Bbz- of IOAZ-uitkering.</para>
    <para />
    <para>6.  Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en hem een vergoeding voor zijn proceskosten betalen. Nu de primaire besluiten in stand blijven, worden de proceskosten in bezwaar niet vergoed. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank :</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de IOAZ-aanvraag;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 51,- betaalt; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van N. Bilogrević, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd		   </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">de uitspraak te tekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemene wet bestuursrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 3:4</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 1, aanhef en onder a, onder 2º</emphasis>
      </para>
      <para>In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder zelfstandige de belanghebbende van 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 2, eerste lid</emphasis>
      </para>
      <para>In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gewezen zelfstandige de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep […].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 2, vijfde lid</emphasis>
      </para>
      <para>De gewezen zelfstandige was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep, indien werd voldaan aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 5, tweede lid, aanhef en onder 1º</emphasis>
      </para>
      <para>De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2 de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_195eecc1-f0a6-4075-9c74-da0fe51bb1ff" label="1">
    <para> Zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder 1º, van de IOAZ.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd1bdb3d-890a-4a48-856d-ddf04bfcd9cd" label="2">
    <para> Kamerstukken II 1986/87, 19778, nr. 3, p. 14 (MvT). Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 27 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH3844.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27485131-dcbd-402d-a74f-340cfa9e3878" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 8 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2404.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be8e3e4b-a945-43e9-8dd3-9ead247a7b9c" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:630.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_224c4fe9-a151-41f3-ab08-1e31dfcb865a" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1248, overweging 4.10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e3d0ff4-ab33-41af-8acc-5978f1b62079" label="6">
    <para> Zie de uitspraak onder voetnoot 5, overweging 4.12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_41ba9e38-200c-43c3-8264-8a4e68259217" label="7">
    <para> Waarin het urencriterium is neergelegd en naar welk artikel wordt verwezen in artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ en artikel 1, aanhef en onder b, onder 2º, van de Bbz.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_61b455ea-8584-4b07-bcd2-2fead7686eb9" label="8">
    <para> Kamerstukken II 1998/99, 26245, nr. 5, p. 36 en 37.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>