<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:7258</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-27T16:40:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/698972 / KG ZA 25-392</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7258">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:7258</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-27T16:37:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:7258 Rechtbank Rotterdam , 11-06-2025 / C/10/698972 / KG ZA 25-392</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:7258:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag in het eerdere vonnis van 18 april 2025, zodat de executie daarvan doorgang kan vinden. Bij de afweging van de belangen weegt het belang van [gedaagde] – die kampt met financiële problemen en dringend behoefte heeft aan de verkoopopbrengst van de woning – zwaarder dan het belang van [eiser] bij behoud van de huidige woonsituatie. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen en, ondanks het familieverband tussen partijen, wordt hij gelet op de omstandigheden veroordeeld in de proceskosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:7258:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="78e79b6a-0260-4f7e-8f3f-7434a4ed2c95" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a935cf81-be68-4c64-a34b-84deb0e8cd5b" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/10/698972 / KG ZA 25-392</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 11 juni 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. S.A. Chedie te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. M.H. de Lange te Vlaardingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 15 mei 2025 met producties 1 tot en met 3;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling van 28 mei 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de overgelegde spreekaantekeningen van mr. De Lange.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is eigenaar van de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: de woning). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij vonnis in kort geding van 18 april 2025 (hierna: het vonnis) heeft de voorzieningenrechter [eiser] veroordeeld om de woning binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De woning is nog niet ontruimd, de ontruiming van de woning staat gepland op 7 juli 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert  samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 april 2025, ofwel de aangezegde ontruiming, totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, met oplegging van een dwangsom van € 50.000,- voor het geval [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling, en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering van [eiser] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het toetsingskader van dit executiegeschil wordt bepaald door het Zeester-arrest (ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ten uitvoer mag worden gelegd, tenzij: a) het belang van de veroordeelde ( [eiser] ) bij behoud van de bestaande situatie zwaarder weegt dan het belang van degene die het vonnis verkreeg ( [gedaagde] ) om de uitspraak ten uitvoer te leggen, of b) sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">kennelijke misslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] stelt dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis. Hij legt daaraan ten grondslag dat de voorzieningenrechter in het vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat geen huurovereenkomst bestaat. Dat is echter geen kennelijke misslag. Een kennelijke misslag is namelijk een duidelijke fout in het vonnis die onmiddellijk en zonder diepgaand onderzoek voor iedereen kenbaar is. Het door de voorzieningenrechter in het vonnis gemotiveerd gegeven oordeel dat geen huurovereenkomst bestaat, is niet zo’n duidelijke fout maar een inhoudelijk oordeel over een belangrijk geschilpunt. [eiser] is het niet eens met de beslissingen in het vonnis, maar de juistheid daarvan komt pas in het door [eiser] gestarte hoger beroep aan de orde. [eiser] heeft niets gesteld dat kan leiden tot de conclusie dat in het vonnis duidelijke fouten zijn gemaakt. </para>
        <para>In dit executiegeschil moet dus worden uitgegaan van de juistheid van de in het vonnis genomen beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">belangenafweging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Hoewel [eiser] zich er strikt genomen niet op beroept dat de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet is gemotiveerd en dat om die reden nog een belangenafweging moet plaatsvinden, wenst hij weldegelijk een belangenafweging. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen als volgt  tegen elkaar af.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt in het kader van de belangenafweging slechts dat hij dakloos raakt als hij de woning moet ontruimen, omdat hij geen vervangende woonruimte kan vinden en hij ook geen urgentie heeft kunnen krijgen. Dit is echter een omstandigheid die logischerwijs voortvloeit uit de veroordeling om de woning te moeten ontruimen en om die reden is dit belang in feite al in het vonnis verdisconteerd. Daarnaast heeft [eiser] werk en inkomen en moet [eiser] in staat worden geacht om – ondanks de gespannen woningmarkt – tijdelijk een kamer/appartement te betrekken; er behoeven geen gezinsleden mee te verhuizen. [eiser] heeft nauwelijks toegelicht wat hij heeft gedaan om vervangende woonruimte te vinden en waarom dat niet lukt. Het is in ieder geval niet aannemelijk geworden dat het onmogelijk is voor [eiser] om een (tijdelijk) onderkomen te vinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Het belang van [gedaagde] bij een (spoedige) ontruiming van de woning volgt al uit wat in overweging 3.3 van het vonnis is overwogen. Kort samengevat komt het erop neer dat [gedaagde] op dit moment de financiële lasten voor twee woningen draagt en dat hij dringend behoefte heeft aan de opbrengst die hij zal ontvangen uit verkoop van de woning (vrij van bewoners) om zijn  schuldenproblematiek op te lossen. [gedaagde] en zijn gezin verkeren al in financiële moeilijkheden. [eiser] heeft dit niet weersproken en hij heeft ook niet weersproken dat zijn voortdurende verblijf in de woning de financiële problemen van [gedaagde] vergroot. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Alles afwegende weegt het belang van [gedaagde] bij de executie van het vonnis zwaarder dan het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De conclusie is dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. Omdat de procedure voornamelijk ten doel had om herbeoordeling van een materieel geschilpunt te krijgen, terwijl een executiegeschil daartoe geen ruimte biedt, had [eiser] die afwijzing kunnen verwachten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het uitgangspunt in zaken tussen familieleden is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De omstandigheden van deze zaak rechtvaardigen echter een proceskostenveroordeling ten laste van [eiser] , in afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht	€ 	90,00</para>
      <para>- salaris advocaat	€	715,00</para>
      <para>- nakosten	<emphasis role="underline">€	178,00</emphasis></para>
      <para>Totaal	€ 	983,00</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hier kan nog een bedrag aan nakosten bijkomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiser] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 983,00, vermeerderd met € 92,-- en de kosten van betekening als aan de veroordeling niet binnen veertien dagen na vandaag wordt voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>[3500/3349/106]</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>