<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:15762</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-13T08:19:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11807636 VV EXPL 25-431</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15762">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15762</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-13T08:19:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:15762 Rechtbank Rotterdam , 10-09-2025 / 11807636 VV EXPL 25-431</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:15762:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kanton. Kort geding. Het geschil gaat in de kern om de vraag of gedaagde zijn van eiseres gehuurde woning in [woonplaats] moet verlaten. Eiseres stelt dat de huurzorgovereenkomst met gedaagde in februari 2025 automatisch is geëindigd, omdat de tussen gedaagde en een derde gesloten woonbegeleidingsovereenkomst ook per die datum is geëindigd, althans tegen die datum schriftelijk is opgezegd. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat het niet in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering tot ontbinding en ontruiming in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:15762:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11807636 VV EXPL 25-431</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 10 september 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting<emphasis role="bold"> STICHTING OUDERENHUISVESTING ROTTERDAM</emphasis>,</para>
      <para>vestigingsplaats: Rotterdam,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>hierna: SOR,</para>
      <para>gemachtigde: mr. L. Bergervoet,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam]
        </emphasis>, </para>
      <para>woonplaats: [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: [naam] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B. van Gestel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geschil gaat in de kern om de vraag of [naam] zijn van SOR gehuurde woning in [woonplaats] moet verlaten. SOR stelt dat de huurzorgovereenkomst met [naam] op 4 februari 2025 automatisch is geëindigd, omdat de tussen hem en NAS gesloten woonbegeleidingsovereenkomst ook per die datum is geëindigd, althans tegen die datum schriftelijk is opgezegd. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat het niet in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering tot ontbinding en ontruiming in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 5 augustus 2025, met 15 producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>producties 16 en 17 van SOR;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord, met 6 producties; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling gehouden op 27 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>SOR is een toegelaten instelling in de zin van artikel 19 van de Woningwet. Tussen SOR en de zorginstelling Nico Adriaans Stichting (NAS) bestaat een samenwerkingsverband met het doel actief en met voorrang door SOR aangeboden woonruimte te verhuren aan mensen uit bijzondere doelgroepen die cliënt zijn van NAS. [naam] behoort tot zo’n doelgroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op grond van een WMO maatwerkarrangement van de gemeente [woonplaats], heeft NAS aan [naam] vanaf 19 december 2023 begeleiding verstrekt, waartoe NAS ten behoeve van [naam] een ondersteuningsplan heeft opgesteld. [naam] ontvangt verder, ook nu nog, begeleiding van de Kredietbank Rotterdam. Omdat [naam] medische urgentie heeft, kwam hij als cliënt van NAS met voorrang in aanmerking voor woonbegeleiding (gericht op resocialisatie en een zo zelfstandig mogelijk bestaan aangaande wonen, werken en welzijn dat zich met name vertaalt in praktisch ondersteunende hulp (bijvoorbeeld het leggen en onderhouden van contact met instanties)) in een door SOR verhuurde sociale huurwoning. NAS heeft in dat verband op 15 juli 2024 met [naam] een ‘woonbegeleidingsovereenkomst voor bepaalde tijd’ (versie 28 oktober, definitief) gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In de woonbegeleidingsovereenkomst staat, voor zover van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…)</para>
      </parablock>
      <para>- Client is sinds 19-12-2023 cliënt bij de Zorgpartij [opm ktr. NAS] en wordt ondersteund volgens het bij partijen bekende plan; </para>
      <para />
      <para>- Uitsluitend in het kader van de ondersteuning, gericht op resocialisatie en een zo zelfstandig mogelijk bestaan aangaande wonen, werken en welzijn, krijgt cliënt de beschikking over de woning [adres] , (…) te [woonplaats] (…) om daarin ondersteuning te krijgen; </para>
      <para />
      <para>- De Zorgpartij acht de cliënt niet in staat om zelfstandig te wonen zonder genoemde ondersteuning; </para>
      <para />
      <para>- Client huurt de woning rechtstreeks van SOR, hierna te noemen 'verhuurder' volgens de als bijlage bijgevoegde huurzorgovereenkomst, welke huurzorgovereenkomst onlosmakelijk is verbonden aan deze overeenkomst; </para>
      <para />
      <para>- Client huurt de woning niet als reguliere woonconsument, maar als cliënt van de Zorgpartij en uitsluitend in het kader van ondersteuning om welke reden cliënt de woning ter beschikking heeft gekregen;</para>
      <para />
      <para>- In de relatie tussen partijen overheerst het zorgelement; </para>
      <para />
      <para>- Verhuurder stelt in het kader van de samenwerking met zorgpartijen zoals de Zorgpartij in het kader van huisvesting en ondersteuning van zogenoemde bijzondere doelgroepen woningen beschikbaar waaronder de woning; </para>
      <para />
      <para>- Een voorwaarde voor het mogen blijven beschikken over de woning is dat cliënt zich open stelt voor ondersteuning door de Zorgpartij en een voorwaarde voor het krijgen van ondersteuning door de Zorgpartij is dat cliënt zich houdt aan de bepalingen in de huurzorgovereenkomst; </para>
      <para />
      <para>- Partijen wensen hun afspraken schriftelijk vast te leggen in deze woonbegeleidingsovereenkomst (…).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Artikel 1 Duur van de overeenkomst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De duur van de overeenkomst is onlosmakelijk verbonden met de duur van de huurzorgovereenkomst, zodat bij beëindiging van de huurzorgovereenkomst door wie dan ook en om wat voor reden dan ook, de overeenkomst eveneens eindigt en andersom; bij beëindiging van de overeenkomst -om wat voor reden dan ook- eindigt ook de huurzorgovereenkomst.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts eindigt de overeenkomst in één van de volgende gevallen:</para>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>1.2.3</nr>
        <para>De Zorgpartij kan de overeenkomst per direct beëindigen in geval van zwaarwegende redenen en slechts onder bijzondere omstandigheden, daaronder in elk geval te verstaan zodanige wijziging in de persoonlijke omstandigheden van cliënt dat in redelijkheid niet van de Zorgpartij gevergd kan worden dat zij de ondersteuning voortzet. Hiervan doet de zorgpartij melding bij de gemeente en bij de woningcorporatie;</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.2.4</nr>
        <parablock>
          <para>Daarvan is onder meer sprake in de volgende gevallen:</para>
          <para>(…)</para>
          <para>c.	het bij voortduring niet nakomen van bepalingen van de overeenkomst en het begeleidingsplan (zie art. 2.2.);</para>
          <para>d.	het bij voortduring niet nakomen van bepalingen van de huurzorgovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden en andere daarop van toepassing zijnde regelingen en/of reglementen, waaronder het huishoudelijk reglement (zie art. 2.2.9);</para>
          <para>(…)</para>
          <para>
            <emphasis role="bold">Artikel 3 Verplichtingen van de Zorgpartij</emphasis>
          </para>
          <para>(…)</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>De zorgpartij dient, in geval van beëindiging van de huurzorgovereenkomst, terwijl de behoefte aan ondersteuning bij de cliënt nog actueel is, zorg te dragen voor terugplaatsing in een (beschermde) woonvoorziening. Het beëindigen van ondersteuning aan een cliënt is slechts mogelijk met instemming van de gemeente.</para>
        <para>(…)”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>SOR is op 24 juli 2024 met [naam] een ‘huurzorgovereenkomst zelfstandige woonruimte’ aangegaan voor de woning aan het [adres] [woonplaats] voor de duur van de woonbegeleiding. De woning (een appartement) is gelegen in een seniorencomplex met vijf verdiepingen. Op de huurzorgovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van 1 november 2018 (de AV) van toepassing. De huurprijs van de woning bedroeg laatstelijk € 650,43 per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [naam] was voordat hij de woning betrok tien jaar dak- en thuisloos (‘bankslaper’).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>In de huurzorgovereenkomst staat, voor zover van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…)</para>
        <para>C.	Huurder is cliënt van zorginstelling NAS, althans door deze instelling aangemeld voor woonbegeleiding, en heeft daarmee of met een opvolgende zorginstelling, hierna te noemen 'de zorginstelling', een woonbegeleidingsovereenkomst en/of een eventuele behandelovereenkomst afgesloten.</para>
        <para>D.	De woonbegeleidingsovereenkomst is aan deze huurovereenkomst gehecht en vormt daarmee een onlosmakelijk geheel,</para>
        <para>E.	Verhuurder heeft met de zorginstelling een samenwerkingsovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan zij een beperkt aantal woningen ter beschikking stelt voor woonbegeleiding.</para>
        <para>F. 	Verhuurder verhuurt de woning (…) niet aan huurder als reguliere woonconsument, maar als cliënt van de zorginstelling ten behoeve van de woonbegeleiding. Tussen partijen is derhalve sprake van een gemengde overeenkomst.</para>
        <para>G.	De essentie van de verhouding tussen partijen wordt gevormd door woonbegeleiding en/of behandeling, advisering en ondersteuning (of een combinatie daarvan) door de zorginstelling van huurder als cliënt van de zorginstelling.</para>
        <para>H.	Huurder is zich er van bewust dat hem geen huurbescherming toekomt, nu sprake is van een gemengde overeenkomst waar het zorgelement overheerst.</para>
        <para>I.	Verhuurder stelt het gehuurde aan huurder ter beschikking voor de duur van de woonbegeleidíng en (de duur van) deze huurovereenkomst is afhankelijk van en gekoppeld aan (de duur van) de woonbegeleidingsovereenkomst.</para>
        <para>J.	Bij het einde van de woonbegeleidingsovereenkomst, op welke grond dan ook, eindigt ook deze huurovereenkomst. Opzegging / beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst door huurder of de zorginstelling behelst tevens opzegging / beëindiging van deze huurovereenkomst.</para>
        <para>K. 	Het gehuurde wordt door verhuurder aan huurder verhuurd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat deze zich openstelt en blijft openstellen voor woonbegeleiding door de zorginstelling.</para>
        <para>L.	Het gehuurde wordt door verhuurder aan huurder verhuurd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat daadwerkelijk woonbegeleiding door de zorginstelling plaatsvindt.</para>
        <para>M.	Overtreding door huurder van de in de woonbegeleidingsovereenkomst gemaakte afspraken geldt tevens als toerekenbare tekortkoming van huurder jegens verhuurder en geeft deze het recht deze huurovereenkomst te (doen) eindigen.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bijzondere bepalingen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 9</emphasis>
        </para>
        <para>In aanvulling op de huurovereenkomst gelden de volgende bepalingen, die in geval van strijdigheid met</para>
        <para>bepalingen uit de huurovereenkomst voorgaan.</para>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wanneer huurder gedurende de duur van deze overeenkomst ten aanzien van de woonbegeleiding van zorginstelling wenst te veranderen, dan dient hij daarvoor schriftelijk toestemming te vragen aan verhuurder. Verhuurder zal haar toestemming niet anders dan op redelijke gronden onthouden.</para>
        <para>(…)”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>In artikel 6 van de AV (‘de verplichtingen van huurder’) staat, voor zover van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 6.3:</para>
        <para>“Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt (…)”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 6.7:</para>
        <para>“Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in, rondom of in de directe nabijheid van het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden.(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>NAS heeft de woonbegeleidingsovereenkomst met [naam] op 4 februari 2025 beëindigd. In die brief staat het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“U ontvangt Ondersteuning vanuit de Nico Adriaans Stichting. Deze Ondersteuning ontvangt u op basis van een Wmo-maatwerkarrangement van de Gemeente [woonplaats]. Helaas heeft u deze Ondersteuning onvoldoende geaccepteerd en komt u de gemaakte afspraken niet na. Daarnaast hebben de twee gesprekken en de twee waarschuwingsbrieven ook niet het gewenste resultaat opgeleverd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarom ontvangt u bij deze de officiële bevestiging dat de zorgbeëindigingsprocedure is gestart. Wij hebben bij de Gemeente [woonplaats] het verzoek ingediend om de Leveringsopdracht terug te nemen. Dit houdt in dat wij u vanaf 04-02-2025 geen Ondersteuning meer zullen bieden. Indien u zich bedenkt en wilt werken aan uw hulpvragen, dan kunt u zich opnieuw aanmelden bij afdeling Toeleiding van de Nico Adriaans Stichting.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>SOR heeft voor het eerst bij brief van 28 april 2025 aan [naam] medegedeeld dat per 4 februari 2025 de huurzorgovereenkomst automatisch is geëindigd en dat [naam] de woning moet verlaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>
        [naam] heeft medio februari 2025 een zorgovereenkomst met Lunya B.V. te Rotterdam gesloten in het kader van de woonbegeleiding. De WMO-indicatie van [naam] is verlengd met ingang van 16 juni 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>
        [naam] heeft de woning tot op heden niet verlaten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>SOR vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>
            [naam] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de woning te ontruimen en te verlaten met al het zijne en al de personen die zijdens hem in deze woning verblijven en de woning ter vrije beschikking van SOR te stellen, onder afgifte van alle sleutels;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam] te veroordelen om aan SOR, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen voor iedere maand, te rekenen met ingang van 1 augustus 2025 tot aan het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van de woning, een bedrag van € 650,43 per maand, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor een gedeelte van een maand een pro rata berekend gedeelte van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de vervaldag van elke termijn tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [naam] te veroordelen in de kosten van dit geding, daaronder begrepen het salaris, de nakosten en de verschotten van de gemachtigde van SOR.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [naam] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van SOR in de proceskosten en het nasalaris. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt voorop dat een vordering in kort geding slechts dan toewijsbaar is als aannemelijk is dat eenzelfde vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het treffen van de voorlopige voorziening(en) vanwege het spoedeisend karakter gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past daarin geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering en/of een deskundigenonderzoek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Spoedeisend belang</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>SOR heeft voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van de woning door [naam] (met nevenvordering), zowel op de primaire grondslag als op de subsidiaire grondslag. Voldoende daarvoor is dat SOR stelt dat sprake is van een onrechtmatige situatie omdat [naam] zonder recht of titel gebruik maakt van de woning en dat als gevolg van dit onrechtmatig handelen een schaarse sociale huurwoning bezet wordt gehouden die daardoor door SOR niet kan worden betrokken in het reguliere woonruimteverdeelsysteem en evenmin aan andere cliënten die woonbegeleiding (van NAS) nodig hebben, kan worden aangeboden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Aannemelijkheid van de vordering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Primaire grondslag: einde huurovereenkomst van rechtswege</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De vraag die beantwoord moet worden is of de tussen SOR en [naam] gesloten huurzorgovereenkomst, tegelijk met de tussen Nas en [naam] gesloten woonbegeleidingsovereenkomst, rechtsgeldig is geëindigd. Die vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de tussen partijen gesloten huurzorgovereenkomst volgt dat deze overeenkomst onlosmakelijk is verbonden met de tussen NAS en [naam] gesloten woonbegeleidingsovereenkomst (en andersom) en dat het zorgelement in de rechtsverhouding tussen [naam] , NAS en SOR, anders dan [naam] meent, overheerst (zie de citaten uit beide overeenkomsten onder 3). </para>
        <para>Dat de zorg het overheersende element is in de verhoudingen kan worden afgeleid uit de aard van de geboden zorg en de feitelijke omstandigheden van dit geval: [naam] kreeg administratieve en praktische begeleiding van NAS die in de periode van 24 juli - 18 oktober 2024 76,83 uur omvatte, waarvan een wekelijks huisbezoek van een begeleider van NAS van 1,5 uur deel uitmaakte (vergelijkbaar aan de begeleiding die [naam] thans wekelijks van Lunya ontvangt en die [naam] ook als zorgbegeleiding bestempelt). [naam] heeft de woning vanwege zijn zorgbehoefte, afwijkend van het gebruikelijke woonruimteverdeelsysteem, met urgentie van SOR verkregen tegen een maandelijkse huurbetalingsplicht. Dat [naam] onder die omstandigheden niet van de onlosmakelijke verbondenheid tussen beide overeenkomsten op de hoogte was en daarmee niet heeft ingestemd, terwijl hij ook toen al begeleiding (en naar aangenomen mag worden uitleg) genoot van NAS, is niet aannemelijk en in elk geval mocht SOR ervan uitgaan dat hij dat wel begreep en daarmee instemde. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de beoordeling dient dan als uitgangspunt dat de woonbegeleidingsovereenkomst en de huurzorgovereenkomst een gemengd karakter hebben en dat, nu aannemelijk is dat het zorgelement in de rechtsverhouding met [naam] overheerst, aan [naam] geen huurbescherming toekomt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>SOR heeft gesteld dat de woonbegeleidingsovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en dat het gevolg van de opzegging van de woonbegeleidingsovereenkomst op de grond dat [naam] zich niet hield aan zijn verplichting om mee te werken aan de woonbegeleiding, was, dat de met de woonbegeleidingsovereenkomst onlosmakelijk verbonden huurzorgovereenkomst automatisch eindigde. </para>
        <para>Voor de beoordeling of rechtsgeldige beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst, en daarmee automatisch van de huurzorgovereenkomst, heeft plaatsgevonden zijn de volgende gebeurtenissen (die min of meer vaststaan tussen partijen, in chronologische volgorde) van belang:</para>
      </parablock>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Op 18 oktober 2024 heeft [naam] grensoverschrijdend gedrag vertoond tegen zijn begeleidster van NAS;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Bij brief van 22 oktober 2024 heeft [naam] zijn eerste schriftelijke waarschuwing ontvangen en is hij uitgenodigd voor een gesprek op 29 oktober 2024 op het kantoor van NAS om de waarschuwing mondeling toe te lichten en te bespreken hoe de begeleiding verder voortgezet zal worden. De begeleiding is vanaf 18 oktober 2024 feitelijk gestopt in afwachting van het plaatsvinden van een dergelijk gesprek;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 23 oktober 2024 heeft NAS de uitnodiging voor het gesprek van 29 oktober 2024 telefonisch herhaald; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 28 oktober 2024 is het op 29 oktober 2024 geplande gesprek wegens ziekte van een medewerker van NAS telefonisch verzet naar (de niet bestaande datum:) 31 november 2024;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 26 november 2024 heeft NAS telefonisch contact gehad met [naam] en hem gewezen op ‘de aanstaande afspraak’ en wat de gevolgen zouden zijn als [naam] niet op de afspraak zou verschijnen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Daarna of op 28 november 2024 stuurde NAS [naam] een tweede schriftelijke waarschuwing voor het niet verschijnen op een afspraak (die feitelijk (nog) niet had plaatsgevonden). In die brief was tevens een uitnodiging opgenomen voor een gesprek op 3 december 2024, tijdens welk gesprek [naam] niet is verschenen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 5 december 2024 belde NAS [naam] via whatsapp, maar zij kreeg geen gehoor;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>In de als productie 8 bij dagvaarding overgelegde e-mail van 24 januari 2025 van een woonregisseur van SOR aan medewerkers van NAS staat dat [naam] tegen de huismeester gezegd zou hebben dat hij geen prijs meer stelt op begeleiding. De medewerker van SOR meldt daarbij dat zij ervan uitgaat dat een andere zorgaanbieder geen optie zal zijn. [naam] betwist thans dat hij heeft gezegd dat hij geen begeleiding wilde;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op 27 januari 2025 heeft NAS [naam] gebeld en een whatsappbericht gestuurd met het verzoek om uiterlijk op 1 februari 2025 te reageren. Volgens NAS heeft [naam] daarop niet (tijdig) gereageerd. Volgens [naam] heeft hij dat wel gedaan en wel op 27 januari 2025. Beide berichten luiden als volgt:</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="24029b0d-244a-4db8-b92c-7e603dd97231" depth="307" width="202" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
      <parablock>
        <para>10. Op 3 februari 2025 deed NAS een laatste poging om telefonisch in contact met [naam] te komen, wat niet is gelukt;</para>
        <para>10. Op 4 februari 2025 heeft NAS 1) de gemeente [woonplaats] toestemming gevraagd om de woonbegeleiding te beëindigen via het Formulier toestemming beëindiging ondersteuning en 2) [naam] een brief gestuurd waarin NAS hem, kort gezegd, liet weten dat de zorgbeëindigingsprocedure was opgestart en dat per die datum niet langer aan [naam] ondersteuning geboden zal worden (zie 3.8) ;</para>
        <para>10. [naam] is vervolgens op zoek gegaan naar een andere zorghulpverlener vanwege zijn aanhoudende behoefte aan begeleiding bij administratie en praktische regelzaken;</para>
        <para>10. In februari 2025 ontving SOR een anonieme en ongedateerde overlastmelding, waarvan zij stelt dat die over [naam] ging;</para>
        <para>10. Sinds medio februari 2025 ontvangt [naam] woonbegeleiding van zorginstelling Lunya B.V. te Rotterdam. Daartoe hebben [naam] en Lunya op 29 mei 2025 een korte woonbegeleidingsovereenkomst gesloten;</para>
        <para>10. In maart 2025 liet de gemeente aan NAS weten dat zij de begeleiding van [naam] wilde laten overnemen door Stichting Mozaïek. Stichting Mozaïek levert ambulante specialistische GGZ-behandeling;</para>
        <para>10. Op 28 april 2025 stuurde SOR een brief aan [naam] waarin zij hem liet weten dat de huurovereenkomst van rechtswege was geëindigd door het eindigen van de zorgbegeleiding door NAS. SOR vroeg [naam] de woning op 28 mei 2025 aan haar op te leveren;</para>
        <para>10. In mei 2025 doet Lunya namens [naam] een WMO-aanvraag ten behoeve van de woonbegeleiding door Lunya aan [naam] . Het lijkt erop dat de gemeente [woonplaats] die aanvraag heeft gehonoreerd met ingang van 16 juni 2025;</para>
        <para>10. Bij e-mail van 5 juni 2025 van de advocaat van SOR aan de advocaat van [naam] wordt [naam] verzocht om de woning uiterlijk op 1 juli 2025 op te leveren. Indien hij dit niet doet kondigt SOR een kort gedingprocedure aan;</para>
        <para>10. De advocaat van [naam] heeft bij e-mail van 20 juni 2025 op de e-mail van 5 juni 2025 gereageerd. Deze reactie bevatte in elk geval de aankondiging dat [naam] de woning op 1 juli 2025 niet zal verlaten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Uit de gebeurtenissen tot en met de opzegging van 4 februari 2025, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, blijkt onvoldoende dat het [naam] was die actief en doelbewust ondersteuning van NAS heeft geweigerd, welk argument NAS juist als grond voor de beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst heeft aangevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Vast staat dat er na het incident van 18 oktober 2024 feitelijk geen ondersteuning/begeleiding door NAS heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de kantonrechter is het uitblijven van begeleiding na het incident echter veeleer veroorzaakt omdat er te veel onvolkomenheden zijn geslopen in de wijze waarop en het tijdspad waarin NAS waarschuwingen aan [naam] heeft gegeven en pogingen heeft gedaan om in contact met [naam] te komen, teneinde de begeleiding weer op te starten. Het lijkt erop dat NAS daarin verwijtbaar slordig en onzorgvuldig heeft gehandeld. Geen schoonheidsprijs verdient bijvoorbeeld dat NAS 1) de afspraak op 28 oktober 2024 op het laatste moment heeft afgezegd (in plaats van heeft laten waarnemen door een andere hulpverlener) waardoor dat gesprek niet heeft kunnen plaatsvinden, 2) [naam] vervolgens heeft uitgenodigd voor een gesprek op een niet bestaande datum zes weken later (31 november 2024) en 3) in de brief van 28 november 2024 [naam] een tweede waarschuwing geeft voor het niet verschijnen op een afspraak waarbij zij niet omschreven heeft om welke afspraak wanneer het nu precies gaat. NAS kondigt in de brief van 28 november 2024 tevens een gesprek met [naam] aan dat op zeer korte termijn daarna, op 3 december 2024, moest plaatsvinden. Of die uitnodiging om op die afspraak te verschijnen [naam] tijdig heeft bereikt is onduidelijk en waarom NAS niet, zoals zij eerder wel deed, heeft nagebeld om de afspraak onder de aandacht van [naam] te brengen ook. </para>
        <para>In de beëindigingsbrief van 4 februari 2025 legt NAS die hiervoor weergegeven onjuiste informatie overwegend ten grondslag aan de beëindiging. Evident onjuist in die brief is dat er twee gesprekken hebben plaatsgevonden. Juist aan de omstandigheid dat die twee gesprekken (en de waarschuwingen) geen resultaat hebben opgeleverd hecht NAS kennelijk groot belang.</para>
        <para>Dat [naam] zelf zou hebben gezegd dat hij geen prijs meer stelde op begeleiding door NAS, heeft NAS verder enkel gebaseerd op ‘hear say’. De op dat punt overgelegde mail over de mededeling van de huismeester is informatie uit de tweede hand, zeer vaag en [naam] betwist de juistheid daarvan. Dat bericht is te weinig om dit objectief aannemelijk te achten. Het blijkt ook niet uit de feitelijke omstandigheden van na 4 februari 2025; vast staat immers dat [naam] weer hulp heeft gezocht en gevonden en dat hij thans weer begeleid wordt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat [naam] niet altijd telefonisch of via whatsapp beschikbaar was voor NAS - volgens zijn stelling zonder kwade intentie, omdat hij intensief bezig was met de zorg voor zijn ernstig zieke moeder - pleit tegen hem, maar is in het kader van de redenen waarom [naam] begeleiding nodig heeft wellicht niet onverklaarbaar en in elk geval van onvoldoende gewicht. [naam] heeft, zo blijkt uit het procesdossier, ook wel gereageerd, bijvoorbeeld op 27 januari 2025 via whatsapp. Uit de reactie van [naam] kan worden afgeleid dat hij mogelijk de door NAS geschetste consequenties van de situatie onvoldoende begrijpt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Per saldo had NAS voorshands niet mogen opzeggen zoals zij heeft gedaan. Daarbij geldt dat, hoewel het incident van grensoverschrijdend gedrag ontoelaatbaar is, dit niet zelfstandig aan de opzegging ten grondslag is gelegd en daarvoor dus niet van zelfstandige betekenis kan zijn. Of NAS voor de beëindiging al dan niet de instemming van de gemeente had, is  voor de beoordeling verder niet relevant.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Daarmee is ook onvoldoende aannemelijk dat [naam] zijn verplichtingen uit de woonbegeleidingsovereenkomst niet is nagekomen door onvoldoende mee te werken aan het begeleidingstraject van NAS. In het verlengde van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de huurzorgovereenkomst automatisch is geëindigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Subsidiaire grondslag: ontruiming wegens tekortkomingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Onvoldoende overtuigend is verder gebleken dat [naam] is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de huurzorgovereenkomst en de wet door drugs- en/of geluidsoverlast en dat hij zich anderszins niet als een goed huurder heeft gedragen. Het daartoe door SOR aangebrachte bewijs is, in het licht van wat [naam] daar tegenin heeft gebracht, te weinig (stevig) om dit aannemelijk te achten. Naast de anonieme klacht, waarvan op grond van het verhandelde ter zitting onvoldoende duidelijk is of die op [naam] ziet, is sprake van een voor het eerst mondeling ter zitting genoemde eveneens vage klacht. Vast staat voorts dat bij hem een brief omtrent overlastgevend gedrag is aangekomen die niet op hem zag. Dat maakt aannemelijk de stelling van [naam] , dat er wel sprake is van overlast maar dat die niet van hem afkomstig is en dat mogelijk personen met elkaar worden verward. Tenslotte heeft [naam] zelf verklaringen van buren overgelegd die juist een positief beeld geven. Tegen het verwijt dat zijn zoon bij hem is ingeschreven heeft [naam] geen verweer kunnen voeren, omdat dat, zonder verdere onderbouwing, voor het eerst ter zitting is genoemd. Dit verwijt wordt dus buiten beschouwing gelaten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat [naam] is tekortgeschoten omdat hij de woonbegeleiding heeft geweigerd is hiervoor al niet aannemelijk geacht. Dat sprake is van een huurbetalingsachterstand is ook niet gesteld of gebleken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat het niet waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure de ontbinding en de ontruiming zullen worden uitgesproken. De vordering tot ontruiming van [naam] wordt dus afgewezen. Daarmee ontvalt de basis aan de vordering omtrent de gebruiksvergoeding. Uiteraard dient de huur wel betaald te (blijven) worden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het toewijzen van de vordering zou voor [naam] zeer grote negatieve gevolgen hebben, omdat hij dan -weer- dakloos wordt. Daar weegt het belang van SOR om niet de bodemprocedure af te hoeven wachten niet tegen op. Het is aan SOR, NAS en Lunya (met wie SOR geen contract heeft) om, in het licht van de inspanningsverplichting in artikel 3.6 van de woonbegeleidingsovereenkomst en het bepaalde in C in de considerans en artikel 9.7 van de huurzorgovereenkomst, in overleg met de gemeente, op basis van de (feitelijk) doorlopende WMO-indicatie ten behoeve van de door Lunya voortgezette woonbegeleiding over een samenwerking betreffende de zorgbehoevende [naam] in gesprek te gaan (zoals kennelijk eerder als optie werd aangedragen, zie productie 5 van SOR, blad 3/5 op 14 januari 2025). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>SOR wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) van [naam] betalen. De proceskosten van [naam] worden begroot op:	</para>
      <para>- salaris gemachtigde	€ 543,00</para>
      <para>- nakosten 		<emphasis role="underline">€ 135,00</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>Totaal 			€ 678,00</para>
        <para>Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vordering daartoe is niet weersproken en past bij het karakter van het kort geding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt SOR in de proceskosten, die aan de kant van [naam] worden begroot op € 678,-;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>21922/ 21919</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>