<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:15717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T13:42:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11545257 CV EXPL 25-3342</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15717">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T13:41:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:15717 Rechtbank Rotterdam , 17-10-2025 / 11545257 CV EXPL 25-3342</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:15717:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenvonnis. Eisers komen uit Iran en zijn daar opgeleid tot tandarts. Zij hebben een overeenkomst gesloten met gedaagde 3 met het doel om als kennismigrant naar Nederland te komen en hier te werken als tandarts. Eisers willen het geld dat zij hebben betaald terug. De kantonrechter heeft meer informatie nodig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:15717:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11545257 CV EXPL 25-3342 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 17 oktober 2025 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr> [persoon A] ,</title>
    <parablock>
      <para>woonplaats: [woonplaats 1] ,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [persoon B]</emphasis>
      </para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 2] ,</para>
      <para>eiseressen (in conventie), </para>
      <para>verweersters (in reconventie),</para>
      <para>gemachtigde: mr. M. Taheri, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [persoon C] ,</title>
    <para>woonplaats: [woonplaats 3] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [persoon D]</emphasis>,</para>
    <para>woonplaats: [woonplaats 3] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. </emphasis>de vennootschap onder firma <emphasis role="bold">[VOF X]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,</para>
      <para>gedaagden, </para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Yadegari, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4.</nr> [persoon E] ,</title>
    <para>woonplaats: [woonplaats 3] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">5. [persoon F]</emphasis>,</para>
    <para>woonplaats: [woonplaats 3] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">6. [bedrijf Y]</emphasis>,</para>
    <para>vestigingsplaats: [woonplaats 3] ,</para>
    <bridgehead role="bold">7. [bedrijf Z] .</bridgehead>
    <parablock>
      <para>vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagden in conventie,</para>
      <para>eisers in reconventie, </para>
      <para>gemachtigde: mr. E. Luijendijk en mr. A.M. de Nijs. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’, ‘ [persoon C] ’, ‘ [persoon D] ’, ‘ [VOF X] ’, ‘ [persoon E] ’, ‘ [persoon F] ’, ‘ [bedrijf Y] ’ en ‘ [bedrijf Z] ’ genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [persoon C] , [persoon D] en [VOF X] worden gezamenlijk ‘ [VOF X] c.s.’ genoemd. </para>
      <para>
        [persoon E] , [persoon F] , [bedrijf Y] en [bedrijf Z] worden gezamenlijk ‘ [bedrijf Y] c.s.’ genoemd. </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">1.	De procedure</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verwijzingsvonnis van 12 februari 2025 en de daarin genoemde processtukken; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van [bedrijf Y] c.s., met bijlagen; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de spreekaantekeningen van mr. Taheri;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de spreekaantekeningen van mr. De Nijs;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail van mr. Taheri van 22 juli 2025, met bijlagen. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 22 juli 2025 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Inleiding  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wie zijn de partijen en wat is er gebeurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [persoon A] en [persoon B] komen uit Iran en zijn daar opgeleid tot tandarts. Zij hebben in 2023 een overeenkomst gesloten met [VOF X] met het doel om als kennismigrant naar Nederland te komen en hier te werken als tandarts. [persoon C] en [persoon D] zijn vennoten van [VOF X] . [bedrijf Y] is erkend referent van de IND en de kliniek waar [persoon A] en [persoon B] aan de slag zouden gaan als tandarts. [persoon E] en [persoon F] zijn de bestuurders van [bedrijf Y] en [bedrijf Z] . [bedrijf Z] is de aandeelhouder van [bedrijf Y] . [persoon A] is kort na haar indiensttreding door [bedrijf Y] ontslagen. [persoon B] heeft nooit voor [bedrijf Y] gewerkt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat eisen [persoon A] en [persoon B] ? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Volgens [persoon A] en [persoon B] is sprake van een nauwe samenwerking tussen [VOF X] c.s. en [bedrijf Y] c.s., waarbij zij onrechtmatig handelen en misbruik maken van de kennismigrantenregeling. Bovendien is [VOF X] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [persoon A] en [persoon B] eisen dat alle gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 35.153,64 aan [persoon A] en € 98.072,33 aan [persoon B] . Deze bedragen bestaan uit een gedeelte van het honorarium dat [persoon A] en [persoon B] hebben betaald aan [VOF X] en een jaar aan niet-genoten loon voor [persoon B] . </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rechtsmacht en toepasselijk recht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [persoon A] en [persoon B] niet in Nederland verbleven toen zij de overeenkomst met [VOF X] sloten. Daarom moet de kantonrechter eerst vaststellen dat zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen en welk recht van toepassing is. De Nederlandse rechter is bevoegd, omdat alle gedaagden hun woonplaats in Nederland hebben.<footnote-ref linkend="_8c05a0b3-89e2-4873-832e-9cadad6550b4" /> Nederlands recht is van toepassing, omdat op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is verklaard en de gestelde schade zich voordoet in Nederland.<footnote-ref linkend="_c1168373-4324-4471-bb07-aad9809fd07b" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Leeswijzer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Hierna gaat de kantonrechter eerst in op de vordering van [persoon A] (hoofdstuk 3) en [persoon B] (hoofdstuk 4) tegen [VOF X] c.s. Daarna komen de vorderingen tegen en van [bedrijf Y] c.s. aan de orde (hoofdstuk 5). De kantonrechter sluit af met hoofdstuk 6, waarin staat hoe de procedure verder gaat. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering van [persoon A] tegen [VOF X] c.s. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen (schade door) onrechtmatige daad </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Volgens [persoon A] heeft [VOF X] onrechtmatig gehandeld (artikel 6:162 BW). De kantonrechter komt tot het oordeel dat voor zover [VOF X] onrechtmatig heeft gehandeld, [persoon A] niets heeft gesteld over een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de door haar gevorderde schade. Daarom kan haar vordering niet op deze grondslag worden toegewezen. Hierna legt de kantonrechter dit uit.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [persoon A] stelt onder andere dat [persoon C] en [persoon D] zich voordoen als ervaren afgestudeerde juristen in het Nederlands recht, terwijl zij dat niet zijn. [VOF X] c.s. betwist dit niet, maar vindt dat “de pot de ketel verwijt” omdat de gemachtigde van [persoon A] ook niet werkt voor een advocatenkantoor, terwijl dat kantoor zich wel als zodanig presenteert. Wat daarvan ook zij, het doet niets af aan de eigen wettelijke plicht van [VOF X] c.s. om eerlijk en transparant te zijn over haar kwalificaties (artikel 6:193c lid 1 sub f BW). [persoon A] stelt echter niet dat zij de overeenkomst niet was aangegaan als [VOF X] eerlijk was geweest over haar kwalificaties. Daarmee ontbreekt een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de totstandkoming van de overeenkomst en daarmee de schade die [persoon A] stelt te hebben geleden in de vorm van door haar aan [VOF X] betaald honorarium. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [persoon A] legt aan haar vordering verder ten grondslag dat [VOF X] haar geheimhoudingsplicht en de AVG heeft geschonden door persoonlijke informatie met derden te delen. Daarnaast heeft [VOF X] volgens [persoon A] haar zorgplicht geschonden door een valse verklaring af te leggen ten gunste van [bedrijf Y] en heeft [VOF X] geen dan wel onvoldoende rekening en verantwoording afgelegd over de uitgevoerde werkzaamheden, de behaalde resultaten en het gefactureerde bedrag. [VOF X] c.s. is niet op deze verwijten ingegaan, zodat deze vaststaan. Maar dat betekent niet dat [VOF X] c.s. gehouden is om de gevorderde schade te vergoeden. [persoon A] stelt ook hier namelijk niets over een causaal verband tussen deze onrechtmatige gedragingen en de schade die zij vordert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De kern van de vordering van [persoon A] is echter haar stelling dat [VOF X] en [bedrijf Y] nauw samenwerken met het doel om misbruik te maken van kennismigranten. Dat [VOF X] en [bedrijf Y] samen hebben gewerkt, is op zichzelf niet in geschil. Dat zij dat doen om misbruik te maken van kennismigranten wel, maar daarvoor heeft [persoon A] geen onderbouwing gegeven. Zij wijst weliswaar op haar eigen ervaring, namelijk dat zij na heel korte tijd is ontslagen door [bedrijf Y] , en soortgelijke ervaringen van [persoon B] en een “derde slachtoffer”, maar ook als die ervaringen alle drie vast zouden komen te staan, blijkt daaruit nog niet dat [VOF X] en [bedrijf Y] samen hebben gewerkt met het doel om misbruik te maken van [persoon A] . In hoofdstuk 5 werkt de kantonrechter dit oordeel verder uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Hierna bespreekt de kantonrechter de andere grondslag die [persoon A] aanvoert: een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst (artikel 6:74 BW). De kantonrechter gaat eerst in op de vraag met wie de overeenkomst is aangegaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De overeenkomst is aangegaan met [VOF X] </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>
        [persoon A] stelt dat zij de overeenkomst is aangegaan met [VOF X] . [VOF X] c.s. betwist dat en voert aan dat de overeenkomst is gesloten met (de eenmanszaak van) [persoon C] . De kantonrechter gaat ervan uit dat de overeenkomst is gesloten met [VOF X] . Dat legt zij hierna uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Voor de vraag of [persoon C] voor zijn eenmanszaak of voor [VOF X] is opgetreden, is van belang wat partijen daarover hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.<footnote-ref linkend="_1bfed095-4ad4-4d19-aa9a-28531cdcc301" /> Partijen hebben hierover echter niets gesteld. Daarom valt de kantonrechter terug op wat er in de overeenkomst staat. In de overeenkomst van 23 april 2023 staat het volgende over de identiteit van de opdrachtnemer: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Party number one (Lawyer/Consultant):</para>
        <para>
          [VOF X] ,</para>
        <para>
          [persoon C] ,</para>
        <para>Chamber of Commerce number: [nummer 1]</para>
        <para>VAT-number: [nummer 2]</para>
        <para>
          [VOF X] , [adres] , [postcode] , Rotterdam, The Netherlands.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Zowel [persoon C] als [VOF X] worden dus als opdrachtnemer genoemd. Het KvK-nummer hoort weliswaar bij de eenmanszaak van [persoon C] , maar uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de eenmanszaak met ingang van 1 april 2023, dus voor het sluiten van de overeenkomst met [persoon A] , is voortgezet door [VOF X] .<footnote-ref linkend="_cab3676d-7c31-425c-b5a2-fac3d021a5ca" /> Bovendien handelde [persoon C] onder dezelfde handelsnaam als [VOF X] , waardoor het op zijn weg had gelegen om meer duidelijkheid te verschaffen aan [persoon A] over met wie zij precies een overeenkomst sloot. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Volgens [persoon A] is [VOF X] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, naar de kantonrechter begrijpt omdat [persoon A] na heel korte tijd is ontslagen door [bedrijf Y] . De kantonrechter kan [persoon A] daarin niet volgen. Op grond van de overeenkomst heeft [VOF X] zich verbonden om werk te verrichten gerelateerd aan de kennismigranten- en gezinsherenigingsregeling (zie artikel 2 van de overeenkomst). [VOF X] heeft zich naar het oordeel van de kantonrechter meer specifiek verbonden om [persoon A] met een arbeidsovereenkomst te laten starten bij een erkende kliniek en de aanvraag door de IND te laten goedkeuren (artikel 4 van de overeenkomst). Niet in geschil is dat [VOF X] aan deze verplichtingen heeft voldaan. [persoon A] heeft niet uitgelegd op grond waarvan [VOF X] verplicht was om [persoon A] aan het werk te houden bij [bedrijf Y] . Daarom is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst geen sprake.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Hierna gaat de kantonrechter in op de vraag of er oneerlijke bedingen zijn en of [VOF X] heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [persoon A] is consument, maar de prijsafspraak kan niet worden getoetst op oneerlijkheid </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Tijdens de zitting heeft [persoon A] het standpunt ingenomen dat de prijsafspraak in de overeenkomst oneerlijk is. De kantonrechter volgt [persoon A] daarin niet. Hierna legt zij uit waarom. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>
        [persoon A] is de overeenkomst met [VOF X] aangegaan als consument, omdat zij heeft gehandeld voor doeleinden die buiten haar beroepsactiviteit vallen. Zij heeft [VOF X] namelijk niet ingeschakeld in de hoedanigheid van tandarts, maar als natuurlijk persoon die met de juridische hulp van [VOF X] als tandarts aan de slag wilde in een ander land. Maar de prijsafspraak in de overeenkomst is een kernbeding, omdat het de kern van de contractuele verhouding bepaalt.<footnote-ref linkend="_98c6c0ac-a9f9-4b96-a246-ff515a710ba9" /> De kantonrechter toetst een kernbeding alleen op oneerlijkheid als het beding niet duidelijk en begrijpelijk, oftewel transparant, genoeg is geformuleerd (artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13). Dat is hier niet het geval. De prijsafspraak is namelijk duidelijk: [persoon A] betaalt een vaste prijs van € 33.275,- inclusief btw. Dat er in de algemene voorwaarden van [VOF X] sprake is van een uurtarief en dat [persoon A] zich afvraagt hoe dat zich verhoudt tot het aantal uren die [VOF X] aan de zaak heeft besteed doet dan niet ter zake. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heeft [VOF X] voldaan aan de op haar rustende informatieverplichtingen? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>
        [persoon A] stelt dat sprake is van een overeenkomst op afstand en dat [VOF X] niet heeft voldaan aan de bijbehorende informatieverplichtingen. De kantonrechter heeft meer informatie nodig over hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of [VOF X] daarbij heeft voldaan aan haar essentiële informatieverplichtingen (artikel 6:230g e.v. BW). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>
        [persoon A] en [VOF X] c.s. moeten concreet uitleggen hoe het proces tot het sluiten van de overeenkomst is verlopen en of gebruik is gemaakt van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand. Daarbij kan relevant zijn of [VOF X] vaker of juist bij uitzondering per e-mail of telefoon een overeenkomst met een consument sluit.<footnote-ref linkend="_eff34fed-6737-4df0-98ef-f5616aff21e9" /> Dat is van belang voor de vraag of sprake is van een overeenkomst op afstand of juist niet. Als sprake is van een overeenkomst op afstand, moet [VOF X] c.s. onderbouwd uitleggen op welke manier zij invulling heeft gegeven aan de essentiële informatieverplichtingen die staan in artikel 6:230m in combinatie met 6:230v BW. Als geen sprake is van een overeenkomst op afstand, moet [VOF X] c.s. onderbouwd uitleggen op welke manier zij invulling heeft gegeven aan de essentiële informatieverplichtingen die staan in artikel 6:230l BW. [persoon A] en [VOF X] c.s. mogen zich ook uitlaten over welke sanctie de kantonrechter moet toepassen als [VOF X] een of meer informatieverplichtingen heeft geschonden.<footnote-ref linkend="_12c24504-2c5e-4556-bcae-30045e5b7b9e" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De btw is niet onverschuldigd betaald, maar ongerechtvaardigde verrijking? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Volgens [persoon A] heeft zij de btw onverschuldigd betaald, omdat de diensten die [VOF X] heeft geleverd niet in Nederland met btw belast worden. Van een onverschuldigde betaling is echter geen sprake, omdat de btw op grond van de overeenkomst is betaald en die overeenkomst nog in stand is. Er bestaat dus nog steeds een rechtsgrond voor betaling van het btw-bedrag (artikel 6:203 BW). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Wel zou sprake kunnen zijn van ongerechtvaardigde verrijking als [VOF X] ten onrechte btw in rekening heeft gebracht (artikel 6:212 BW). De hoofdregel is dat btw wordt geheven als een ondernemer in Nederland diensten verricht aan een particulier. Daarop gelden (heel veel) uitzonderingen, bijvoorbeeld als de ondernemer adviesdiensten verricht voor een afnemer in een derde (niet EU) land.<footnote-ref linkend="_a2e5676a-7435-480f-a83d-94ce8b4efc20" /> Daarvan zou sprake kunnen zijn, maar [persoon A] stelt niet waar zij verbleef toen zij de overeenkomst sloot. Tijdens de zitting is wel gebleken dat [persoon A] op enig moment in Oostenrijk verbleef, maar in de overeenkomst staat dat zij in Iran was ten tijde van de ondertekening. [persoon A] mag zich hierover nog uitlaten. Daarna mag [VOF X] c.s. daarop reageren. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De vordering van [persoon B] tegen [VOF X] c.s. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen (schade door) onrechtmatige daad </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Volgens [persoon B] heeft [VOF X] onrechtmatig gehandeld (artikel 6:162 BW). De kantonrechter komt tot het oordeel dat voor zover [VOF X] onrechtmatig heeft gehandeld, [persoon B] niets heeft gesteld over een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de door haar gevorderde schade. Daarom kan haar vordering niet op deze grondslag worden toegewezen. Hierna legt de kantonrechter dit uit.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [persoon B] stelt onder andere dat [persoon C] en [persoon D] zich voordoen als ervaren afgestudeerde juristen in het Nederlands recht, terwijl zij dat niet zijn. [VOF X] c.s. betwist dit niet, maar vindt dat “de pot de ketel verwijt” omdat de gemachtigde van [persoon B] ook niet werkt voor een advocatenkantoor, terwijl dat kantoor zich wel als zodanig presenteert. Wat daarvan ook zij, het doet niets af aan de eigen wettelijke plicht van [VOF X] c.s. om eerlijk en transparant te zijn over haar kwalificaties (artikel 6:193c lid 1 sub f BW). [persoon B] stelt echter niet dat zij de overeenkomst niet was aangegaan als [VOF X] eerlijk was geweest over haar kwalificaties. Daarmee ontbreekt een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de totstandkoming van de overeenkomst en daarmee de schade die [persoon B] stelt te hebben geleid in de vorm van door haar aan [VOF X] betaald honorarium en gemiste inkomsten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [persoon B] legt aan haar vordering verder ten grondslag dat [VOF X] haar zorgplicht heeft geschonden door onvoldoende rekening en verantwoording af te leggen over de uitgevoerde werkzaamheden, de behaalde resultaten en het gefactureerde bedrag. [VOF X] c.s. is niet op deze verwijten ingegaan, zodat deze vaststaan. Maar dat betekent niet dat [VOF X] c.s. gehouden is om de gevorderde schade te vergoeden. [persoon B] stelt ook hier namelijk niets over een causaal verband tussen deze onrechtmatige gedragingen en de schade die zij vordert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De kern van de vordering van [persoon B] is echter haar stelling dat [VOF X] en [bedrijf Y] nauw samenwerken met het doel om misbruik te maken van kennismigranten. Dat [VOF X] en [bedrijf Y] samen hebben gewerkt, is op zichzelf niet in geschil. Dat zij dat doen om misbruik te maken van kennismigranten wel, maar daarvoor heeft [persoon B] geen onderbouwing gegeven. Zij wijst weliswaar op haar eigen ervaring, namelijk dat zij nooit heeft gewerkt voor [bedrijf Y] , en soortgelijke ervaringen van [persoon B] en een “derde slachtoffer”, maar ook als die ervaringen alle drie vast zouden komen te staan, blijkt daaruit nog niet dat [VOF X] en [bedrijf Y] samen hebben gewerkt met het doel om misbruik te maken van [persoon B] . In hoofdstuk 5 werkt de kantonrechter dit oordeel verder uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Hierna bespreekt de kantonrechter de andere grondslag die [persoon B] aanvoert: een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst (artikel 6:74 BW). De kantonrechter gaat eerst in op de vraag met wie de overeenkomst is aangegaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De overeenkomst is aangegaan met [VOF X] </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>
        [persoon B] stelt dat zij de overeenkomst is aangegaan met [VOF X] . [VOF X] c.s. betwist dat en voert aan dat de overeenkomst is gesloten met (de eenmanszaak van) [persoon C] . De kantonrechter gaat ervan uit dat de overeenkomst is gesloten met [VOF X] . Dat legt zij hierna uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Voor de vraag of [persoon C] voor zijn eenmanszaak of voor [VOF X] is opgetreden, is van belang van partijen daarover hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.<footnote-ref linkend="_b1a8af8b-861d-4948-b740-aa37a9b5703d" /> Partijen hebben hierover niets concreets gesteld. Daarom valt de kantonrechter terug op wat er in de overeenkomst staat. In de overeenkomst van 13 mei 2023 staat het volgende over de identiteit van de opdrachtnemer: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Party number one (Lawyer/Consultant):</para>
        <para>
          [VOF X] ,</para>
        <para>
          [persoon C] ,</para>
        <para>Chamber of Commerce number: [nummer 1]</para>
        <para>VAT-number: [nummer 2]</para>
        <para>
          [VOF X] , [adres] , 3011 XB, Rotterdam, The Netherlands.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Zowel [persoon C] als [VOF X] worden dus als opdrachtnemer genoemd. Het KvK-nummer hoort weliswaar bij de eenmanszaak van [persoon C] , maar uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de eenmanszaak met ingang van 1 april 2023, dus voor het sluiten van de overeenkomst met [persoon A] , is voortgezet door [VOF X] .<footnote-ref linkend="_78f1c5e7-be0b-4f4d-97dc-5d7394e08a5e" /> Bovendien handelde [persoon C] onder dezelfde handelsnaam als [VOF X] , waardoor het op zijn weg had gelegen om meer duidelijkheid te verschaffen aan [persoon B] over met wie zij precies een overeenkomst sloot. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [VOF X] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens [persoon B] is [VOF X] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, naar de kantonrechter begrijpt omdat zij nooit heeft gewerkt voor [bedrijf Y] . De kantonrechter oordeelt dat [VOF X] inderdaad tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. </para>
        <para>Op grond van de overeenkomst heeft [VOF X] zich verbonden om werk te verrichten gerelateerd aan de kennismigranten- en gezinsherenigingsregeling (zie artikel 2 van de overeenkomst). [VOF X] heeft zich naar het oordeel van de kantonrechter meer specifiek verbonden om [persoon B] met een arbeidsovereenkomst te laten starten bij een erkende kliniek en de aanvraag door de IND te laten goedkeuren (artikel 4 van de overeenkomst). Vast staat dat [persoon B] nooit voor [bedrijf Y] heeft gewerkt en dat haar contract feitelijk nooit is aangevangen. In het midden kan daarbij blijven of dit komt omdat de arbeidsovereenkomst nooit tot stand is gekomen zoals [bedrijf Y] aanvoert of omdat [persoon B] direct na aankomst in de praktijk is ontslagen tijdens de proeftijd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heeft [persoon B] bedoeld de overeenkomst te ontbinden? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>
        [persoon B] eist het honorarium dat zij heeft betaald terug, verminderd met een waardevergoeding voor de diensten die [VOF X] heeft geleverd. Dat kan niet op basis van artikel 6:74 BW, omdat het betaalde honorarium geen schade is die ontstaan door de tekortkoming. Bij ontbinding is (gedeeltelijke) terugbetaling van het honorarium juist wel mogelijk (artikel 6:270 e.v. BW). De rechtsgrond ontbinding wordt zijdelings aangestipt in de dagvaarding (randnummer 10) en de kantonrechter moet de rechtsgrond bovendien ambtshalve aanvullen (artikel 25 Rv). Daarnaast wil [persoon B] vergoeding van schade in de vorm van niet genoten loon. Ook daarvoor bestaat bij ontbinding een rechtsgrond (artikel 6:277 BW). Voor de hoogte van de schade is onder meer van belang wanneer [persoon B] een baan heeft gevonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Deze punten zijn onvoldoende aan de orde gekomen tijdens de zitting. Daarom wordt [persoon B] in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten, waarna [VOF X] c.s. daarop mag reageren. Daarbij overweegt de kantonrechter alvast dat de hiervoor vastgestelde tekortkoming van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Hierna gaat de kantonrechter in op de vraag of er oneerlijke bedingen zijn en of [VOF X] heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [persoon B] is consument, maar de prijsafspraak kan niet worden getoetst op oneerlijkheid </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Tijdens de zitting heeft [persoon B] het standpunt ingenomen dat de prijsafspraak in de overeenkomst oneerlijk is. De kantonrechter volgt [persoon B] daarin niet. Hierna legt zij uit waarom. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>
        [persoon B] is de overeenkomst aangegaan als consument, omdat zij heeft gehandeld voor doeleinden die buiten haar beroepsactiviteit vallen. Zij heeft [VOF X] namelijk niet ingeschakeld in de hoedanigheid van tandarts, maar als natuurlijk persoon die met de juridische hulp van [VOF X] als tandarts aan de slag wilde in een ander land. Maar de prijsafspraak in de overeenkomst is een kernbeding, omdat het de kern van de contractuele verhouding bepaalt.<footnote-ref linkend="_edec347b-9048-45ca-84a4-dac7f39a55af" /> De kantonrechter toetst een kernbeding alleen op oneerlijkheid als het beding niet duidelijk en begrijpelijk, oftewel transparant, genoeg is geformuleerd (artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13). Dat is hier niet het geval. De prijsafspraak is namelijk duidelijk: [persoon B] betaalt een vaste prijs van € 30.250,- inclusief btw. Dat er in de algemene voorwaarden van [VOF X] sprake is van een uurtarief en dat [persoon B] zich afvraagt hoe dat zich verhoudt tot het aantal uren die [VOF X] aan de zaak heeft besteed doet dan niet ter zake.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heeft [VOF X] voldaan aan de op haar rustende informatieverplichtingen? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>
        [persoon B] stelt dat sprake is van een overeenkomst op afstand en dat [VOF X] niet heeft voldaan aan de bijbehorende informatieverplichtingen. Als ontbinding van de overeenkomst niet leidt tot toewijzing van de vordering, heeft de kantonrechter meer informatie nodig over hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of [VOF X] daarbij heeft voldaan aan haar essentiële informatieverplichtingen (artikel 6:230g e.v. BW). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>
        [persoon B] en [VOF X] c.s. moeten concreet uitleggen hoe het proces tot het sluiten van de overeenkomst is verlopen en of gebruik is gemaakt van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand. Daarbij kan relevant zijn of [VOF X] vaker of juist bij uitzondering per e-mail of telefoon een overeenkomst met een consument sluit.<footnote-ref linkend="_4a34d1fb-e6e9-4fdb-8bf5-237d5a1c1997" /> Dat is van belang voor de vraag of sprake is van een overeenkomst op afstand of juist niet. Als sprake is van een overeenkomst op afstand, moet [VOF X] c.s. onderbouwd uitleggen op welke manier zij invulling heeft gegeven aan de essentiële informatieverplichtingen die staan in artikel 6:230m in combinatie met 6:230v BW. Als geen sprake is van een overeenkomst op afstand, moet [VOF X] c.s. onderbouwd uitleggen op welke manier zij invulling heeft gegeven aan de informatieverplichtingen die staan in artikel 6:230l BW. [persoon B] en [VOF X] c.s. mogen zich ook uitlaten over welke sanctie de kantonrechter moet toepassen als [VOF X] een of meer informatieverplichtingen heeft geschonden.<footnote-ref linkend="_7404c7d3-6d87-4b66-8230-e329b3a636dd" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De btw is niet onverschuldigd betaald, ook geen ongerechtvaardigde verrijking </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Volgens [persoon B] heeft zij de btw onverschuldigd betaald, omdat de diensten die [VOF X] heeft geleverd niet in Nederland met btw belast worden. Van een onverschuldigde betaling is echter geen sprake, omdat de btw op grond van de overeenkomst is betaald en die overeenkomst nog in stand is. Er bestaat dus nog steeds een rechtsgrond voor betaling van het btw-bedrag (artikel 6:203 BW). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Er is ook geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking van [VOF X] (artikel 6:212 BW). De hoofdregel is dat btw wordt geheven als een ondernemer in Nederland diensten verricht aan een particulier. Daarop gelden (heel veel) uitzonderingen, bijvoorbeeld als de ondernemer adviesdiensten verricht voor een afnemer in een derde (niet EU) land.<footnote-ref linkend="_596d6be6-62ba-41c4-b523-c683a070d22f" /> Daarvan is geen sprake, omdat vaststaat dat [persoon B] in Denemarken verbleef toen zij de overeenkomst sloot. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De vorderingen tegen en van [bedrijf Y] c.s. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen onrechtmatige daad van [bedrijf Y] </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De grondslag van de vorderingen tegen [bedrijf Y] c.s. is onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De kantonrechter oordeelt dat [bedrijf Y] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Daarom worden de vorderingen tegen [bedrijf Y] afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        [persoon A] en [persoon B] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [bedrijf Y] misbruik maakt van haar positie als erkend referent bij de IND. Volgens [persoon A] en [persoon B] heeft [bedrijf Y] bewust met [VOF X] samengewerkt om het verkrijgen van een verblijfsvergunning op basis van de kennismigrantenregeling mogelijk te maken, terwijl [bedrijf Y] in werkelijkheid niet de bedoeling had om een arbeidsovereenkomst met [persoon A] en [persoon B] aan te gaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Om de nauwe samenwerking te onderbouwen wijzen [persoon A] en [persoon B] op een reclamevideo van [VOF X] c.s. op Instagram, waarin wordt verklaard dat [VOF X] samenwerkt met een BIG geregistreerde Nederlandse tandartsenpraktijk. [bedrijf Y] betwist echter dat haar praktijk daarmee bedoeld is. Maar ook als de kantonrechter daarvan uitgaat, levert de video onvoldoende onderbouwing op voor de gestelde onrechtmatige gedraging. Niet in geschil is dat [bedrijf Y] en [VOF X] eerder hebben samengewerkt en dat er nog steeds tandartsen bij [bedrijf Y] werken voor wie [VOF X] werkzaamheden in het kader van de kennismigrantenregeling heeft verricht. Dat sprake is van een samenwerking, is echter niet onrechtmatig. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Voor een onrechtmatige gedraging zou in ieder geval vast moeten komen te staan dat [bedrijf Y] misbruik heeft gemaakt van [persoon A] en [persoon B] en nooit de bedoeling heeft gehad om een arbeidsovereenkomst met hen aan te gaan. Ook dat hebben [persoon A] en [persoon B] onvoldoende onderbouwd, terwijl [bedrijf Y] dat gemotiveerd betwist. [persoon A] en [persoon B] onderbouwen ook in het geheel niet dat [bedrijf Y] ten koste van hen financieel voordeel heeft genoten door de samenwerking met [VOF X] . Weliswaar is [persoon A] ontslagen, maar [bedrijf Y] heeft uitgelegd waarom zij dat heeft gedaan. [persoon A] was de Engelse taal niet machtig en volgens [bedrijf Y] beheerste zij het vak van tandarts onvoldoende. Van een voorgenomen plan om [persoon A] vrijwel direct te ontslaan, is niets gebleken. Bovendien heeft [bedrijf Y] [persoon A] uiteindelijk een jaar haar salaris doorbetaald, nadat in een eerdere procedure was geoordeeld dat het proeftijdontslag niet rechtsgeldig was en partijen bij het hof een allesomvattende regeling hebben getroffen. Ook daarop stuit de vordering van [persoon A] tegen [bedrijf Y] af. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Voor [persoon B] geldt dat [bedrijf Y] zich op het standpunt stelt dat zij niet wist van haar komst naar de praktijk en dat haar handtekening op de arbeidsovereenkomst door [VOF X] zonder toestemming is gebruikt. Dit heeft [bedrijf Y] onderbouwd met Whatsappgesprekken tussen [persoon E] en [persoon D] , waarin hij erkent dat hij de handtekening van [persoon E] heeft gebruikt om het proces te versnellen. [persoon B] heeft niet betwist dat de handtekening van [persoon E] op haar arbeidsovereenkomst zonder toestemming van [bedrijf Y] is gebruikt. Daarom kan niet als vaststaand worden aangenomen dat [bedrijf Y] misbruik heeft gemaakt van [persoon B] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>
        [persoon A] en [persoon B] voeren ook nog aan dat het onrechtmatig en/of in strijd met goed werkgeverschap is geweest dat [bedrijf Y] geen sollicitatiegesprekken met hen heeft gevoerd. Dat dit niet is gebeurd, is naar het oordeel van de kantonrechter heel ongelukkig en een zorgvuldige sollicitatieprocedure had veel problemen die nu zijn ontstaan, misschien kunnen voorkomen. Daar staat tegenover dat [bedrijf Y] c.s. onweersproken heeft aangevoerd dat het gebruikelijk is in de tandartsenbranche om in de proeftijd te beoordelen of iemand over voldoende capaciteiten beschikt. Het ontbreken van een sollicitatieprocedure is in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de kantonrechter daarom niet onrechtmatig of in strijd met goed werkgeverschap. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen aansprakelijkheid van bestuurders en aandeelhouder </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Alleen al omdat [bedrijf Y] niet onrechtmatig heeft gehandeld, kan geen sprake zijn van aansprakelijkheid van haar bestuurders, laat staan van haar aandeelhouder. De vorderingen tegen [persoon E] , [persoon F] en [bedrijf Z] worden dan ook afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen opheffing van het beslag </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [bedrijf Y] c.s. eist in reconventie dat het door [persoon A] en [persoon B] gelegde beslag wordt opgeheven. Aangezien de eis van [persoon A] en [persoon B] zal worden afgewezen, vervalt het beslag van rechtswege nadat het afwijzende vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 704 lid 2 Rv). Voor [persoon A] en [persoon B] bestaat echter de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan en daarom hebben zij nog steeds belang bij het gelegde beslag, namelijk om hun vordering te kunnen verhalen als deze in hoger beroep alsnog wordt toegewezen. [bedrijf Y] c.s. heeft verklaard dat zij niet onredelijk wordt geschaad door het beslag.</para>
        <para>Als de vorderingen van [persoon A] en [persoon B] ook in hoger beroep worden afgewezen, kan [bedrijf Y] c.s. hen bovendien aanspreken voor de schade die zij als gevolg van het beslag lijdt. Een afweging van de wederzijdse belangen leidt in dit geval tot het oordeel dat het beslag in stand mag blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>
        [bedrijf Y] c.s. krijgt in reconventie ongelijk en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] en [persoon B] worden begroot op nul omdat er geen aparte proceshandelingen in reconventie hebben plaatsgevonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Het vervolg van de procedure </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>
        [persoon A] wordt in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en welke sanctie de kantonrechter eventueel moet toepassen (r.o. 3.14); en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in welk land zij verbleef toen zij de overeenkomst met [VOF X] sloot (r.o. 3.16). </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>
        [persoon B] wordt in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>of zij de rechtsgevolgen van ontbinding inroept en wanneer zij een baan heeft gevonden (r.o. 4.10); </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en welke sanctie de kantonrechter eventueel moet toepassen (r.o. 4.16). </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>
        [VOF X] c.s. mag daarna op beide aktes reageren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>De partijen mogen alleen op deze punten ingaan. Als zij in hun aktes toch ingaan op andere punten, zal de kantonrechter dat buiten beschouwing laten. In afwachting hiervan houdt de kantonrechter iedere (verdere) beslissing aan.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen zekerheidstelling voor de proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>
        [VOF X] c.s. hebben tijdens de zitting een zekerheidstelling van de proceskosten aan de zijde van [persoon A] en [persoon B] gevorderd als er verdere proceshandelingen verricht moeten worden (artikel 224 Rv). De kantonrechter wijst deze vordering af, omdat zowel [persoon A] als [persoon B] in Nederland wonen. Artikel 224 Rv mist dus toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>
        [VOF X] c.s. krijgen ongelijk en worden daarom veroordeeld in de proceskosten in het incident, die aan de kant van [persoon A] en [persoon B] op nul worden begroot, omdat geen aparte proceshandelingen in het incident zijn verricht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident tot zekerheidstelling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>wijst de vordering af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>veroordeelt [VOF X] c.s. in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] en [persoon B] worden begroot op nul;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in conventie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>bepaalt dat [persoon A] op de rol van <emphasis role="bold">woensdag 12 november 2025</emphasis> een akte mag nemen zoals bedoeld in r.o. 6.1;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <para>bepaalt dat [persoon B] op de rol van <emphasis role="bold">woensdag 12 november 2025</emphasis> een akte mag nemen zoals bedoeld in r.o. 6.2; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5.</nr>
      <para>bepaalt dat [VOF X] c.s. daarna op die aktes mag reageren;  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.7.</nr>
      <para>houdt iedere beslissing aan; </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>49039</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_8c05a0b3-89e2-4873-832e-9cadad6550b4" label="1">
    <para> Artikel 4 lid 1 van de Brussel I bis Verordening (nr. 1215/2012).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1168373-4324-4471-bb07-aad9809fd07b" label="2">
    <para> Artikel 3 lid 1 van de Rome I Verordening (nr. 593/2008) en artikel 4 lid 1 van de Rome II Verordening nr. 864/2007). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1bfed095-4ad4-4d19-aa9a-28531cdcc301" label="3">
    <para> Hoge Raad 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cab3676d-7c31-425c-b5a2-fac3d021a5ca" label="4">
    <para> Productie 1 bij de dagvaarding. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_98c6c0ac-a9f9-4b96-a246-ff515a710ba9" label="5">
    <para> Hof van Justitie EU 12 januari 2023, ECLI:NL:EU:C:2023:14, punt 32. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_eff34fed-6737-4df0-98ef-f5616aff21e9" label="6">
    <para> Richtsnoeren met betrekking tot de uitlegging en toepassing van Richtlijn 2011/83/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten, paragraaf 4.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_12c24504-2c5e-4556-bcae-30045e5b7b9e" label="7">
    <para> Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2e5676a-7435-480f-a83d-94ce8b4efc20" label="8">
    <para> Artikel 6i sub c van de Wet op de omzetbelasting 1968. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1a8af8b-861d-4948-b740-aa37a9b5703d" label="9">
    <para> Hoge Raad 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_78f1c5e7-be0b-4f4d-97dc-5d7394e08a5e" label="10">
    <para> Productie 1 bij de dagvaarding. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_edec347b-9048-45ca-84a4-dac7f39a55af" label="11">
    <para> Hof van Justitie EU 12 januari 2023, ECLI:NL:EU:C:2023:14, punt 32. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a34d1fb-e6e9-4fdb-8bf5-237d5a1c1997" label="12">
    <para> Richtsnoeren met betrekking tot de uitlegging en toepassing van Richtlijn 2011/83/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenrechten, paragraaf 4.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7404c7d3-6d87-4b66-8230-e329b3a636dd" label="13">
    <para> Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_596d6be6-62ba-41c4-b523-c683a070d22f" label="14">
    <para> Artikel 6i sub c van de Wet op de omzetbelasting 1968. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>