<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:15305</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-26T17:23:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11893539 HA VERZ 25-77</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2026-0119</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15305">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15305</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-19T11:06:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:15305 Rechtbank Rotterdam , 08-12-2025 / 11893539 HA VERZ 25-77</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:15305:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontbinding arbeidsovereenkomst op de g-grond. Werknemer hoeft schade aan lease-auto niet te vergoeden. Voor een vergoeding van overwerk bestaat geen grond. De cao (particuliere beveiliging) is op dit punt niet van toepassing. Werknemer is namelijk general manager. Bovendien zijn partijen een 'tijd voor tijd' regeling overeengekomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:15305:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Dordrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11893539 HA VERZ 25-77</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 8 december 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">PF Security B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>vestigingsplaats: Dordrecht,</para>
      <para>verzoekster en verweerster op de tegenverzoeken, </para>
      <para>gemachtigde: mr. H.H. Kelderhuis,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder], </emphasis>
      </para>
      <para>woonplaats: Dordrecht,</para>
      <para>verweerder met eigen verzoeken,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A. Atic.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna ‘PF Security’ en ‘[verweerder]’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift van PF Security (ontvangen op 25 september 2025), met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de aanvullende producties van de zijde van PF Security;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de spreekaantekeningen van mr. Kelderhuis;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van mr. Atic.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 10 november 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun advocaten besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil van partijen en de beoordeling daarvan</title>
    <bridgehead role="italic">Kern van het geschil</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. [verweerder] is sinds 23 januari 2023 in dienst bij PF Security. Hij heeft momenteel de functie van general manager. PF Security wil komen tot een einde van de arbeidsovereenkomst. Partijen hebben naar aanleiding daarvan overleg gevoerd en een beëindigingsovereenkomst gesloten. [verweerder] heeft die overeenkomst echter ontbonden op 8 september 2025. PF Security vordert daarom nu ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] verzet zich daar op zich niet tegen, maar hij stelt bij tegenverzoek een aantal vorderingen in tegen PF Security. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.1.</nr>
        <para>De verzoeken en vorderingen van beide partijen worden hierna puntsgewijs besproken. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>PF Security stelt dat sprake is van verschillende gronden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW onder de letters a tot en met i. De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak sprake is van de g-grond (een verstoorde arbeidsverhouding). Dat oordeel is gebaseerd op het volgende. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Vast staat dat op meerdere momenten tijdens het dienstverband sprake is geweest van discussies tussen partijen c.q. conflicten. Gaandeweg zijn partijen over en weer ontevreden geraakt over zowel elkaar als hun samenwerking. Zij hebben dit ook richting elkaar geuit. In de kern komt deze ontevredenheid er op neer dat beide partijen vinden dat zij zich meer dan gemiddeld hebben ingezet voor de ander en dat de ander dat onvoldoende waardeert.</para>
          <para>Zo erkent PF Security dat [verweerder] veel tijd en energie stak in zijn werk, maar zij kan zich niet vinden in de manier waarop hij een en ander invulde. In het bijzonder heeft zij veel moeite met de manier waarop [verweerder] zich zowel intern als extern profileerde. In de beleving van [verweerder] had zijn werkgeefster onvoldoende waardering voor het feit dat hij zich met ziel en zaligheid voor haar inzette en voelde hij geen steun voor de voorstellen en ideeën die hij inbracht. </para>
          <para>Ook heeft PF Security in haar visie de moeilijke privé omstandigheden van [verweerder] ter harte genomen en hem op meerdere momenten geholpen, maar zij heeft niet ervaren dat [verweerder] dit waardeerde. En in de beleving van [verweerder] heeft PF Security nu juist misbruik gemaakt van zijn privé situatie. </para>
          <para>Verder heeft PF Security de periode waarin [verweerder] arbeidsongeschikt was als moeizaam ervaren, waar [verweerder] van mening is dat hij zijn uiterste best heeft gedaan om ondanks zijn arbeidsongeschiktheid op de werkvloer alle zaken zo goed mogelijk te laten lopen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De verhouding van partijen is dus gaandeweg verslechterd. Dit kan echter niet in <emphasis role="italic">ernstige </emphasis>mate aan één van worden verweten. Beide partijen hadden wellicht op momenten anders kunnen handelen, maar van handelen dat als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt is geen sprake. Zij hebben veel met elkaar gesproken en uiteindelijk beiden geconcludeerd dat hun samenwerking beter kon eindigen. Dat PF Security niet (meer) wilde inzetten op mediation is niet onbegrijpelijk. De bedrijfsarts adviseerde mediation immers pas in de periode nadat de vaststellingsovereenkomst al was gesloten. Dat [verweerder] gebruik heeft gemaakt van zijn recht om die overeenkomst te ontbinden kan hem niet worden verweten, maar evenmin kan PF Security worden verweten dat zij in deze fase voor een gerechtelijke procedure koos. </para>
          <para>Voor zover [verweerder] stelt dat PF Security misbruik heeft gemaakt van zijn kwetsbare financiële positie, miskent hij dat hij tijdens de onderhandelingen over een einde van de arbeidsovereenkomst werd bijgestaan door een professionele gemachtigde. Verder is niet concreet gebleken dat van een dergelijk misbruik sprake was.   </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3.</nr>
        <para>Gelet op dit alles is ook duidelijk dat een terugkeer voor [verweerder] binnen de organisatie van PF Security niet meer tot de mogelijkheden behoort. Het verzoek van PF Security om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt daarom toegewezen. </para>
        <para />
        <para />
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Datum einde arbeidsovereenkomst</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Nu de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en dit niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van één van partijen, moet voor de datum van ontbinding rekening worden gehouden met de tussen partijen geldende opzegtermijn. Deze is één maand. Dit betekent in dit geval dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 februari 2026.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [verweerder] heeft recht op de transitievergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Voor wat betreft de transitievergoeding geldt dat deze door PF Security aan [verweerder] moet worden betaald. PF Security heeft verzocht om te bepalen dat de transitievergoeding niet meer bedraagt dan € 4.000,- en [verweerder] heeft als tegenverzoek verzocht om de transitievergoeding te bepalen op € 4.133,47 bruto. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.4.1.</nr>
        <para>Voor de vaststelling van de hoogte van de transitievergoeding moet worden uitgegaan van de datum waarop [verweerder] feitelijk is gestart met zijn werkzaamheden. Dit is 15 september 2022. Verder wijst [verweerder] er op dat partijen een vierwekensalaris zijn overeengekomen, terwijl voor de berekening van de transitievergoeding het maandsalaris als uitgangspunt moet worden genomen. Omgerekend naar een maandsalaris moet voor de berekening worden uitgegaan van € 3.900,- bruto. Uitgaande van dit maandsalaris, 8% vakantiebijslag<footnote-ref linkend="_cd88e007-732e-4a79-9982-3c771e7b01ff" /> en de hiervoor genoemde data van de start van de werkzaamheden en ontbinding, wordt de transitievergoeding vastgesteld op € 4.745,39 bruto. Dit bedrag wordt hierna toegewezen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Er wordt geen billijke vergoeding toegekend</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweerder] verzoekt om aan hem ook een billijke vergoeding toe te kennen van </para>
        <para>€ 42.120,- bruto. Voor een billijke vergoeding is slechts plaats in die gevallen waarin sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werkgever. Hiervoor is onder 2.2.2. al overwogen dat van ernstig verwijtbaar handelen in deze zaak geen sprake is. Voor een billijke vergoeding is dus geen plaats. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De geldlening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>PF Security vordert terugbetaling van een bedrag van € 3.000,-. Zij stelt dat zij dit bedrag in juni 2023 als lening aan [verweerder] heeft verstrekt. [verweerder] erkent deze geldlening. Hij voert als verweer aan dat hij inmiddels een bedrag van € 500,- heeft terugbetaald. PF Security heeft echter betwist dat [verweerder] bedragen heeft afgelost en [verweerder] heeft dit verweer niet nader feitelijk onderbouwd. Gelet daarop wordt deze vordering als onvoldoende weersproken toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schade aan de leaseauto</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Verder vordert PF Security betaling van een bedrag van € 2.470,70 aan schade aan de leaseauto. [verweerder] betwist dat hij aansprakelijk is voor deze schade. Partijen hebben geen overeenkomst gesloten met betrekking tot het gebruik van de leaseauto. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.7.1.</nr>
        <para>Op grond van het bepaalde in artikel 7:661 BW is een werknemer niet aansprakelijk voor schade, tenzij deze het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. PF Security heeft niet gesteld dat daarvan sprake is en waarom. Evenmin is gebleken dat partijen een afspraak hebben gemaakt die van dit wettelijke uitgangspunt afwijkt. Deze vordering moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Betaling van overuren</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [verweerder] vordert betaling van een bedrag van € 22.416,65 bruto aan niet betaalde overuren en toeslagen over de jaren 2023-2025 en de vakantiebijslag over dit bedrag. Deze vordering baseert hij op de cao Particuliere Beveiliging (hierna: de cao). </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.8.1.</nr>
        <para>Artikel 3 lid 2 van de cao bepaalt dat wanneer door een werknemer normaal geen beveiligingswerk wordt gedaan, de bepalingen uit hoofdstuk 4 niet van toepassing zijn. In dit hoofdstuk worden onder meer de vergoeding voor overwerk en toeslagen geregeld. [verweerder] is general manager en het beveiligingswerk is dus niet zijn normale werk. De cao biedt daarom in dit geval geen grondslag voor betaling van overuren en toeslagen, omdat de bepalingen daarover niet van toepassing zijn op de functie van [verweerder].</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen onderling hebben afgesproken dat [verweerder] in het geval van overwerk ‘tijd voor tijd’ zou krijgen en niet een beloning in geld. Voor PF Security was het belangrijk dat [verweerder] niet meer dan 152 uren per periode zou werken, zo verklaarde zij tijdens de zitting. Volgens haar heeft [verweerder] ook altijd naar deze afspraak gehandeld. Zo begon zijn werkdag in de regel later dan 9:00 uur en nam hij met regelmaat roostervrije dagen of uren op. Hij had veel vrijheid in de indeling van zijn werkdagen en stelde zelf zijn rooster op, aldus PF Security.</para>
          <para>
            [verweerder] erkent dat hij veel vrijheid kreeg bij de indeling van zijn werkweek en het maken van zijn rooster. Desondanks was het voor hem lastig om tijd voor tijd op te nemen, zo verklaarde hij. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.3.</nr>
        <para>Doordat [verweerder] zelf zijn rooster maakte is voor PF Security niet duidelijk of inzichtelijk dat [verweerder] niet in staat was om uren te compenseren, althans dat hij dat zo ervoer. Niet gebleken is dat [verweerder] dit op enig moment duidelijk heeft aangekaart bij PF Security.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.8.4.</nr>
        <para>Partijen zijn dus voor overwerk geen beloning in geld overeengekomen, maar een compensatie in tijd. Niet gebleken is dat [verweerder] door toedoen van PF Security de gestelde overuren niet heeft kunnen compenseren. Als hij al uren niet heeft kunnen compenseren – PF Security betwist dat immers gemotiveerd – bestaat geen juridische grondslag voor het alsnog uitbetalen van deze uren<footnote-ref linkend="_939159d9-97a8-4135-a165-c352fd8f623e" />. Deze vordering van [verweerder] wordt daarom afgewezen.  </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">De proceskosten </emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Gelet op de aarde van deze procedure en de omstandigheid dat beide partijen op punten in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De kantonrechter:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>ontbindt de arbeidsovereenkomst van partijen per 1 februari 2026;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt PF Security om aan [verweerder] de transitievergoeding te betalen ter hoogte van € 4.745,39 bruto; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [verweerder] om aan PF Security te betalen een bedrag van € 3.000,- ter zake van de geldlening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte en gevorderde.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Willemsen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.</para>
        <para>783</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_cd88e007-732e-4a79-9982-3c771e7b01ff" label="1">
    <para> Artikel 7 arbeidsovereenkomst</para>
  </footnote>
  <footnote id="_939159d9-97a8-4135-a165-c352fd8f623e" label="2">
    <para> Zie in dit verband ook Hoge Raad 6 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2606</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>