<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:14637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-12T17:10:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">ROT 24/10198 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14637">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-12T17:09:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:14637 Rechtbank Rotterdam , 10-12-2025 / ROT 24/10198 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:14637:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet in een WHT-zaak over niet tijdig beslissen. Voor zover opposante een beroep doet op artikel 6 lid 1 EVRM, merkt de rechtbank enerzijds op dat nog geen twee jaar zijn verstreken sinds opposante bezwaar heeft gemaakt en dat anderzijds een overschrijding van die termijn geen reden is om reeds daarom het verzet gegrond te verklaren. In dit verband wijst de rechtbank op haar uitspraak van 27 november 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:13867).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:14637:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: ROT 24/10198 V</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 op het verzet van</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opposante]
        </emphasis>, uit Rotterdam, opposante<footnote-ref linkend="_fafc8f72-e2c9-41c2-82d5-0abb666d4eac" /></para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Šimičević),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2025 (de uitspraak) in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>opposante</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Dienst Toeslagen, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak waarin de rechtbank het beroep van opposante gegrond heeft verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel<footnote-ref linkend="_3045e06d-b58d-4375-9598-c09d92b552c2" /> is dat het beroep kennelijk gegrond is geacht, verweerder is opgedragen binnen 34 weken alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van opposante en verweerder een dwangsom is opgelegd van € 50 voor elke dag dat verweerder de gegeven beslistermijn overschrijdt met een maximum van € 15.000. </para>
    <para />
    <para>4. Opposante stelt dat er geen sprake is van een behandeling van haar bezwaar binnen een redelijke termijn en dat verweerder door de uitspraak van de rechtbank geen prikkel ervaart om nog tijdig te beslissen. Dit komt omdat de rechtbank verweerder een lange termijn geeft om alsnog te beslissen en voorts de daarop volgende dwangsom op slechts € 50 per dag heeft gesteld. De rechtbank wijkt daarmee af van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2023.<footnote-ref linkend="_4ed6b940-c6b2-403a-bc48-d88d206a4ab4" /> Voorts heeft opposante aangevoerd dat op deze wijze geen sprake is van een effectief rechtsmiddel tegen overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) </para>
    <para />
    <para>5. In navolging van haar uitspraken van 30 juni 2025 en 4 juli 2025 oordeelt de rechtbank in verzet als volgt.<footnote-ref linkend="_474d1674-3307-49f9-bd71-299339828e60" /></para>
    <para />
    <para>6. Voorop staat dat de rechtbank uitspraak zonder zitting mag doen als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Dat was hier het geval. Het verzet ziet uitsluitend op de door de rechtbank geboden nadere beslistermijn en de daaraan verbonden hoogte van de dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht. Het vaststellen van de hoogte van een dwangsom is een discretionaire bevoegdheid van de rechter. De nadere beslistermijn en de dwangsomhoogte zijn voorts in overeenstemming met uitspraken van een meervoudige kamer van de rechtbank.<footnote-ref linkend="_5b358f96-ca12-4a99-861c-43fd420ac157" /> De rechtbank is van oordeel dat hiermee toereikend is gemotiveerd waarom voortaan door de rechtbank in deze zaken de dwangsom wordt bepaald op € 50 per dag met een maximum van € 15.000. De verzetrechter concludeert dan ook dat het verzetschrift in feite een verkapt hoger beroepschrift is, kennelijk omdat opposante het niet eens is met het oordeel van de rechtbank. Daarvoor is de verzetprocedure echter niet bedoeld.</para>
    <para />
    <para>7. De verzetrechter voegt hier aan toe dat de rechtbank geen acht heeft kunnen slaan op ontwikkelingen na haar uitspraak, zoals de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025,<footnote-ref linkend="_14c49f03-1ffa-47d8-bfb5-36b7a70496ac" /> terwijl daar niet uit volgt dat de rechtbank destijds niet zonder zitting tot haar uitspraak heeft kunnen komen. </para>
    <para />
    <para>8. Voor zover opposante een beroep doet op artikel 6, eerste lid, van het EVRM, merkt de rechtbank enerzijds op dat nog geen twee jaar zijn verstreken sinds opposante op 29 februari 2024 bezwaar heeft gemaakt en dat anderzijds een overschrijding van die termijn geen reden is om reeds daarom het verzet gegrond te verklaren. In dit verband wijst de rechtbank op haar uitspraak van 27 november 2025.<footnote-ref linkend="_be8aeef4-056c-4579-808a-4b6dac7992f8" /></para>
    <para />
    <para>9. Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. R. Stijnen, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_fafc8f72-e2c9-41c2-82d5-0abb666d4eac" label="1">
    <para> Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3045e06d-b58d-4375-9598-c09d92b552c2" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ed6b940-c6b2-403a-bc48-d88d206a4ab4" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:3209.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_474d1674-3307-49f9-bd71-299339828e60" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBROT:2025:7534 en ECLI:NL:RBROT:2025:7831.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b358f96-ca12-4a99-861c-43fd420ac157" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBROT:2024:6560 en ECLI:NL:RBROT:2024:7458.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_14c49f03-1ffa-47d8-bfb5-36b7a70496ac" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1301.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be8aeef4-056c-4579-808a-4b6dac7992f8" label="7">
    <para> ECLI:NL:RBROT:2025:13867.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>