<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:14162</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-08T10:04:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11394958 CV EXPL 24-28063 / 11623623 CV EXPL 25-8115</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14162">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14162</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-08T10:04:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:14162 Rechtbank Rotterdam , 05-12-2025 / 11394958 CV EXPL 24-28063 / 11623623 CV EXPL 25-8115</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:14162:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huurrecht. Contractueel medehuurder. Aansprakelijkheid voor betalen huur na vertrek uit de woning. Woonplaatskeuzebeding in de algemene voorwaarden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:14162:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ROTTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 11394958 CV EXPL 24-28063 / 11623623 CV EXPL 25-8115	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>datum uitspraak: 5 december 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de hoofdzaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr>de erfgenamen van [persoon A] ,</title>
    <para>(laatste) woonplaats: [woonplaats 1] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2.</emphasis>	<emphasis role="bold">[persoon B]</emphasis>,</para>
    <para>	woonplaats: [woonplaats 2] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3</emphasis>.	<emphasis role="bold">[persoon C]</emphasis>,</para>
    <para>	woonplaats: [woonplaats 1] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">4.</emphasis>	<emphasis role="bold">[persoon D]</emphasis>,</para>
    <para>	woonplaats: [woonplaats 1] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">5.</emphasis>	<emphasis role="bold">[persoon E]</emphasis>,</para>
    <para>	woonplaats: [woonplaats 3] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">6.</emphasis>	<emphasis role="bold">[persoon F]</emphasis>,</para>
    <para>	woonplaats: [woonplaats 4] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">7.</emphasis>	<emphasis role="bold">[persoon G]</emphasis>,</para>
    <para>	woonplaats: [woonplaats 5] ,</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">8.</emphasis>	<emphasis role="bold">[persoon H]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>	woonplaats: [woonplaats 6] ,</para>
      <para>	eisers, gedaagden in verzet,</para>
      <para>gemachtigde: (nu) Velthoven De Koning Gerechtsdeurwaarders,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1.</nr> [persoon I] ,</title>
    <parablock>
      <para>woonplaats: [woonplaats 1] ,</para>
      <para>gedaagde 1,</para>
      <para>die niet is verschenen,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2</emphasis>.<emphasis role="bold">	[persoon J]</emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 7] ,</para>
      <para>gedaagde 2, eiseres in verzet,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S.H.J. van der Linden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in de vrijwaringszaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [persoon J]
        </emphasis>,</para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 7] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S.H.J. van der Linden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Van den Bosse Bewindvoeringen B.V.</emphasis>,</para>
      <para>als bewindvoerder over de goederen van <emphasis role="underline">[persoon I]</emphasis>,</para>
      <para>vestigingsplaats: Middelburg,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. H.P. Schouten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon I] ’, ‘ [persoon J] ’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het dossier in de hoofdzaak bestaat uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 31 mei 2021, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verstekvonnis van 29 juni 2021 met zaaknummer 9265307 CV EXPL 21-19727;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de verzetdagvaarding van [persoon J] van 11 oktober 2024, met bijlagen en een eis in het vrijwaringsincident;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de repliek van 8 januari 2025, met een bijlage;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 7 maart 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van [persoon J] van 1 april 2025, met een leesbaarder bijlage 5;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van [persoon J] van 17 oktober 2025, met bijlagen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het dossier bestaat in de vrijwaringszaak uit de volgende processtukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 24 maart 2025, met bijlagen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het antwoord van 30 april 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van [persoon J] van 17 oktober 2025, met bijlagen.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De zaak is op 28 oktober 2025 op een zitting besproken. Namens de gemachtigde van [persoon A] verscheen [persoon K] , [persoon J] verscheen met haar gemachtigde mr. S.H.J. van der Linden en namens de bewindvoerder verscheen mevrouw [persoon L] , met mr. J. Pearson namens de gemachtigde van de bewindvoerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">inleidende dagvaarding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [persoon I] en [persoon J] zijn in 2018 samen de woning van [persoon A] op het [adres] in Rotterdam gaan huren. [persoon A] stelt in de dagvaarding dat [persoon I] en [persoon J] tot en met mei 2021 € 7.700,00 aan huur niet hebben betaald. [persoon A] vordert veroordeling van [persoon I] en [persoon J] tot betaling van deze huurachterstand, rente (tot en met 26 mei 2021 een bedrag van € 22,22) en € 931,70 aan incassokosten. [persoon A] vordert ook ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verstekvonnis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vordering van [persoon A] is in het verstekvonnis van 29 juni 2021 toegewezen, waarbij de incassokosten op een iets lager bedrag zijn vastgesteld dan gevorderd. [persoon J] is in verzet gekomen tegen dit verstekvonnis. [persoon I] niet. [persoon J] vordert het verstekvonnis te vernietigen en de vordering van [persoon A] af te wijzen. [persoon J] voert hier een aantal redenen voor aan die hierna worden besproken. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(1) 	dagvaarding nietig</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [persoon J] stelt dat de dagvaarding nietig is. De dagvaarding moet namelijk betekend worden aan haar woonplaats (artikel 46 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)), maar de dagvaarding is betekend op [adres] in Rotterdam, het gehuurde. Op dat moment (31 mei 2021) had [persoon J] daar niet meer haar woonplaats. [persoon A] voert daartegenover aan dat in de algemene voorwaarden staat dat [persoon J] woonplaats kiest in het gehuurde en dat de dagvaarding daarom juist is betekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het woonplaatskeuzebeding in de algemene voorwaarden is gelet op artikel 6:236 sub m van het Burgerlijk Wetboek (BW) onredelijk bezwarend en om die reden nietig. Dit leidt in deze fase van de procedure echter niet tot nietigheid van de dagvaarding. [persoon J] is weliswaar niet op de inleidende dagvaarding in het geding verschenen, maar in deze verzetzaak heeft zij alsnog de mogelijkheid om verweer te voeren tegen de vordering van [persoon A] . [persoon J] heeft niet aangevoerd dat het voeren van verweer door het gebrek in de dagvaarding is bemoeilijkt. [persoon J] is daarom niet onredelijk in haar verdedigingsbelangen geschaad doordat de dagvaarding betekend is op [adres] in Rotterdam. Had [persoon J] eerder van de kwestie geweten, dan had zij zoals zij naar voren brengt eerder actie kunnen ondernemen, maar dat is geen belang waarop artikel 122 lid 1 Rv ziet. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt daarom verworpen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(2)	geen hoofdverblijf meer sinds 2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [persoon J] stelt het gehuurde op 8 oktober 2019 verlaten te hebben. Haar hoofdverblijf heeft zij daar sindsdien niet meer. Daarom is zij op grond van artikel 7:267 lid 5 BW haar positie als medehuurder kwijt. Zij kan daarom niet aangesproken worden op de huurachterstand, aldus [persoon J] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het artikel dat [persoon J] noemt is alleen van toepassing op degene die gaandeweg het medehuurderschap heeft gekregen van een woning waar een ander al woonde. Dat is bij [persoon J] niet het geval. Zij is contractueel medehuurder. Zij is namelijk samen met [persoon I] de huurovereenkomst aangegaan en heeft toen hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de huur aanvaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(3)	artikel 7:266 lid 5 Burgerlijk Wetboek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [persoon J] doet ook een beroep op artikel 7:266 lid 5 BW. Dat artikel bepaalt dat de kantonrechter, op verzoek, in geval van een echtscheiding bepaalt wie van de twee huurder wordt van de woning en dat de huur met de andere echtgenoot dan eindigt per de door de rechter vast te stellen datum. Een dergelijk verzoek is door [persoon J] echter nooit aan de kantonrechter gedaan. Dit artikel mist alleen daarom al toepassing in deze zaak.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(4)	redelijkheid en billijkheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>
        [persoon J] stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [persoon A] haar aanspreekt op de huurachterstand. De kantonrechter ziet dat niet. [persoon J] en [persoon I] zijn destijds samen een huurovereenkomst aangegaan met [persoon A] en zij zijn ook samen verantwoordelijk voor het betalen van de huur. [persoon A] staat buiten de afspraken die [persoon I] en [persoon J] hebben gemaakt over betaling van de woonlasten. Het kan zo zijn dat [persoon J] nooit iets van [persoon A] gehoord heeft over een huurachterstand, maar [persoon A] heeft ook nooit iets van [persoon J] gehoord over de echtscheiding of een verzoek van haar ontvangen om de huurovereenkomst enkel op naam van [persoon I] te stellen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(5)	veertiendagenbrief</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [persoon J] stelt in ieder geval geen incassokosten verschuldigd te zijn. Omdat zij niet meer woonde op [adres] in Rotterdam heeft zij geen sommatiebrieven, laat staan een veertiendagenbrief ontvangen. Dat zij die veertiendagenbrief niet ontvangen heeft, komt naar het oordeel van de kantonrechter echter voor rekening van [persoon J] . Als [persoon A] een (veertiendagen)brief stuurt of laat sturen over een huurachterstand, dan mag zij er van uitgaan dat zij die brief kan sturen naar het adres waarvoor die huur moet worden betaald. Als [persoon J] daar niet meer woont zonder dit aan [persoon A] meegedeeld te hebben, dan kan [persoon A] daarvan moeilijk een verwijt gemaakt worden. [persoon J] draagt daarom het nadeel van het feit dat zij de veertiendagenbrief niet gekregen heeft (artikel 3:37 lid 3 BW). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">gedeeltelijke vernietiging verstekvonnis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De conclusie van wat hiervoor is overwogen, is dat er op zichzelf geen reden is om het verstekvonnis van 29 juni 2021 te vernietigen. De argumenten die [persoon J] aanvoert om dat wel te doen rechtvaardigen een dergelijk oordeel niet. Het verstekvonnis van 29 juni 2021 is echter inmiddels wel vier jaar oud en door [persoon I] is sindsdien afgelost op de schuld. Met die aflossingen moet uiteraard rekening worden gehouden bij de bepaling van wat [persoon J] nog aan [persoon A] moet betalen. De schuld bedraagt momenteel € 6.493,76, zo blijkt uit het door [persoon A] op de zitting overgelegde overzicht en [persoon J] voert geen onderbouwd verweer tegen de hoogte van dit bedrag. De kantonrechter ziet in een en ander aanleiding het verstekvonnis van 29 juni 2021 voor zover dit tegen [persoon J] is gewezen deels te vernietigen, in die zin dat het nog door haar aan [persoon A] te betalen bedrag € 6.493,76 bedraagt, met wettelijke rente daarover vanaf het wijzen van dit vonnis tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>
        [persoon A] bleek op de zitting bereid de zaak met [persoon J] te regelen. [persoon A] en [persoon J] hebben hierover op de zitting geen overeenstemming bereikt, maar zij kunnen na dit vonnis uiteraard alsnog afspraken maken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>
        [persoon J] krijgt ongelijk in deze verzetzaak. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van [persoon A] uit € 339,00 aan salaris voor haar gemachtigde: een punt gemachtigdensalaris voor het bijwonen van de zitting. Voor de repliek wordt geen salaris toegekend. [persoon A] is er namelijk niet toe uitgenodigd om een repliek te nemen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">tot slot</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>
        [persoon J] is op grond van de huurovereenkomst uit 2018 nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van de huur voor [adres] in Rotterdam. [persoon J] legt in deze zaak geen vordering voor die een einde aan haar hoofdelijkheid moet maken. De kantonrechter kan daarover dus geen beslissing geven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de vrijwaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>
        [persoon J] stelt dat zij met [persoon I] de afspraak heeft gemaakt dat [persoon I] bleef wonen op [adres] in Rotterdam en dat hij de woonlasten zou betalen. [persoon J] vordert daarom [persoon I] , althans zijn bewindvoerder, te veroordelen om dat wat zij op grond van het vonnis in de hoofdzaak aan [persoon A] moet betalen, aan haar te betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>De kantonrechter wijst de vordering van [persoon J] toe. De afspraak waarvan [persoon J] stelt dat die gemaakt is, blijkt namelijk uit het echtscheidingsconvenant. Daarin staat:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De huurwoning gelegen aan het [adres] , [postcode] te Rotterdam, waarin partijen gezamenlijk gewoond hebben, is op naam van de man gesteld. De woonlasten komen geheel voor rekening van de man. De vrouw is reeds uitgeschreven op dit adres.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Dat, zoals [persoon I] aanvoert, (mondeling) overeengekomen is dat de woonlasten pas voor zijn rekening zouden komen nádat [persoon J] zich bij [persoon A] als huurster afgemeld zou hebben, blijkt niet uit de geciteerde tekst. Wanneer deze (aanvullende) afspraak gemaakt is en waarom deze afspraak niet meteen meegenomen is in het echtscheidingsconvenant brengt [persoon I] niet naar voren. Uit de overgelegde appberichten kan daarnaast afgeleid worden dat [persoon I] zelf ook in de veronderstelling is dat [persoon J] in ieder geval niets meer hoeft te betalen (aan [persoon A] en/of aan hem), bijvoorbeeld uit de berichten: ‘Maar ik snap niet waarom jij nog in de huurovereenkomst staat. Dat klopt niet’ en ‘Ik snap ook niet waarom ze naar jou komen’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Dat [persoon J] in hun onderlinge relatie in ieder geval nog aansprakelijk is voor de huurschuld die is ontstaan toen partijen nog samen waren, zoals [persoon I] aanvoert, blijkt evenmin uit het echtscheidingsconvenant. [persoon I] heeft in al die jaren sinds de echtscheiding ook nooit tegen [persoon J] gezegd dat zij nog huur voor de woning [adres] aan hem moet betalen. In de overgelegde appberichten kan juist worden afgeleid dat [persoon I] van mening is dat [persoon J] niets meer verschuldigd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>
        [persoon I] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van [persoon J] uit € 145,45 aan kosten voor de dagvaarding, € 678,00 aan salaris voor haar gemachtigde (twee punten van € 339,00 per punt, een voor de dagvaarding en een voor het bijwonen van de zitting) en € 135,00 aan nakosten. Dit is samen € 958,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden. De rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>De goederen van [persoon I] staan onder bewind. De bewindvoerder is daarom formeel de wederpartij van [persoon J] en de veroordelingen worden daarom uitgesproken tegen de bewindvoerder.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak en in de vrijwaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter afgedwongen kan worden dat aan de veroordelingen in dit vonnis wordt voldaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>vernietigt het onder zaaknummer 9265307 CV EXPL 21-19727 gewezen verstekvonnis van 29 juni 2021 voor wat betreft het op grond van dat verstekvonnis nog door [persoon J] aan [persoon A] te betalen bedrag;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [persoon J] om aan [persoon A] € 6.493,76 te betalen, met rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het wijzen van dit vonnis tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt [persoon J] in de kosten van de verzetprocedure, aan de kant van [persoon A] begroot op € 339,00;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de vrijwaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>veroordeelt de bewindvoerder van [persoon I] aan [persoon J] te betalen dat wat zij op grond van het vonnis in de hoofdzaak aan [persoon A] moet betalen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>veroordeelt de bewindvoerder van [persoon I] in de proceskosten, aan de kant van [persoon J] begroot op € 958,45, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag dat dit bedrag volledig betaald is;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak en in de vrijwaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders gevorderd is af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.</para>
        <para>686</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>