<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBROT:2025:14001</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-10T10:43:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Rotterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Rotterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/10/709915 / KG ZA 25-1118</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14001">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:14001</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-10T10:42:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBROT:2025:14001 Rechtbank Rotterdam , 01-12-2025 / C/10/709915 / KG ZA 25-1118</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBROT:2025:14001:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Verstek. Eiser handhaaft zijn oorspronkelijke hoofdvordering niet langer. Vordering tot veroordeling in de proceskosten toegewezen. De oorspronkelijke hoofdvordering om gedaagde te veroordelen om mee te werken aan de toedeling of levering van een woning komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en het spoedeisend belang dat eiser bij die vordering had, volgt uit de stellingen in de dagvaarding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBROT:2025:14001:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Rotterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel en haven</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/10/709915 / KG ZA 25-1118</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 1 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat: mr. A.J. van der Duijn Schouten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>woonplaats: [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>die niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 18 november 2025, met bijlagen 1 tot en met 8;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de twee aanvullende bijlagen 9 en 10;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling op 28 november 2025.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat van eiser de voorzieningenrechter op 28 november 2025 – voor zover van belang – het volgende bericht:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">(…) Zojuist bereikte mij het bericht dat de heer [gedaagde] vanmorgen alsnog de volmacht heeft ondertekend. Onder die omstandigheden heeft het geen nut om de hoofdvordering te handhaven, maar cliënt wenst de vordering betreffende de proceskosten wel te handhaven. Graag verneem ik of daarvoor een verschijning in persoon noodzakelijk is, of dat dit bericht volstaat. (…)</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het Bureau Voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft naar aanleiding van dit bericht telefonisch contact opgenomen met de advocaat van eiser. Tijdens dat telefoongesprek is namens de voorzieningenrechter – kort gezegd – medegedeeld dat de mondelinge behandeling doorgaat en dat het aan partijen is of zij daarbij aanwezig willen zijn. Tijdens de mondelinge behandeling is vervolgens niemand verschenen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter verleent verstek tegen gedaagde. Gedaagde is namelijk niet verschenen in de procedure, terwijl bij zijn oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels zijn gevolgd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter begrijpt uit het bericht van de advocaat van eiser van 28 november 2025 dat eiser zijn hoofdvordering niet langer handhaaft. Dit betekent dat alleen de vordering tot vergoeding van de proceskosten nog moet worden beoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Voor het antwoord op de vraag of gedaagde de proceskosten van eiser moet vergoeden, is bepalend of de oorspronkelijke hoofdvordering om gedaagde te veroordelen om mee te werken aan de toedeling of levering van een woning toewijsbaar was. Die vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en het spoedeisend belang dat eiser bij die vordering had, volgt uit de stellingen in de dagvaarding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Dit betekent dat de oorspronkelijke hoofdvordering toewijsbaar was. Gedaagde moet daarom moet de proceskosten van eiser (inclusief nakosten) vergoeden. De proceskosten van eiser worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding		€	   145,45</para>
      <para>- griffierecht		€	   331,00</para>
      <para>- salaris advocaat	€	   715,00 (tarief verstekzaak)</para>
      <para>- nakosten		€	   <emphasis role="underline">178,00</emphasis> (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
      <para>Totaal			€	1.369,45</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daar de wettelijke rente over te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>verleent verstek tegen gedaagde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.369,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 92,00 extra aan eiser betalen, plus de kosten van betekening;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart de veroordelingen in 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.<?linebreak?></para>
        <para>3349 / 3194</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>